Bekijk het origineel

Grenswijziging

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Grenswijziging

15 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

van de gemeente Utrecht en randgemeenten

Rede van Ir van Dis

ofschoon het wetsontwerp tot wijziging van de grenzen van de gemeente Utrecht en randgemeenten eerst in de zitting 1950—1951 bij de Tweede Kamer werd ingediend, is het vraagstuk dezier grenswijziging toch al veel ouder. Het dateert reeds van 1911. Sedert dit jaar toch hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht verscheidene mailen plannen aangaande dit vraagstuk aan het oordeel van de gemeenteraden en commissies uit de ingezetenen der bij de grenswijzigingsplannen betrokken gemeenten onderworpen.

De laatste maal geschiedde zulks in 1933. De desbetreffende plannen werden echter nimmer in wetsvoorstellen vastgelegd en bij de Staten-Generaal indiend, omdat de toenmaüge minister van Biimenlandse Zaken het tijdstip voor het treffen van een regeling nog niet aangebroken achtte. Hij was van oordeel, dat daarmede gewacht moest worden totdat na een zeker tijdsverloop de toestand zich 2X> danig zou hebben ontwikkeld, dat een oplossing in een bepaalde richting zioh duidelijker zou aftekenen. Reeds na enkele jaren echter wesrd op dit vraagstuk teruggekomen, namelijk in 1938 naar aanleiding van een rapport van prof. van Vuuren betreffende een onderzoek naar de sociaal-economisohe structuur van een gebied, omvattende Utrecht als centrum-gemeente en negen randgemeenten. Dit rapport leidde tot een gedachtenwisseling tussen de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Gedeputeerde Staten van Utrecht over de te nemen maatregelen. Het resultaat hiervan was, dat Gedeputeerde Staten in 1939 een streekplanstudiecommissie voor Utrecht en omstreken instelde, welke oommmissie onder meer tot taak kreeg om de vraag te beantwoorden of en zo ja in hoeverre de grenzen der gemeente Utrecht behoorden te worden gevvdjzigd Het betrekken van Nederland in de oorlog heeft vanzelfsprekend het uitvoeren van de aan dez» commissie verleende opdracht sterk geremd. De door haar ingestelde Technische Commissie bracht echter in 1948 een rapport uit, waarin werd voorgesteld om aan de stad Utrecht een vijftal nieuwe stadswijken toe te voegen. Gedeputeerde Staten van Utrecht gingen met deze voorstellen accoord en stelden aan de regering op hun beurt voor om te bevorderen, dat de grenzen van de gemeente Utrecht en van de randgemeenten in dier voege zouden gewijzigd worden, dat aan Utrecht zouden worden toegevoegd het grootste deel van de gemeente Zuilen en gedeelten van de gemeenten Westbroek, Achttienhoven, Maartensdijk, De Bilt, Zeist, Bunnik, Houten, Jutfaas en Oudenrijn. Voorts stelden Gedeputeerde Staten voor

het overblijvende gedeelte van de gemeente Zuilen toe te voegen aan Maarssen, een gedeelte van Oudenrijn toe te voegen aan Jutfaas, gedeelten der gemeenten Veldhuizen en Vleuten aan Harmelen, de overbhjvende gebieden van Achttienhoven en Westbroek te verenigen tot een nieuwe gemeente Westbroek en de gemeenten Haarzuilen en Vleuten met het restant der gemeenten Veldhuizen en Oudenrijn samen te voegen tot een nieuwe gemeente Vleuten—de Meem.

Tegen dit voorstel werd door de besturen der randgemeenten krachtig verzet aangetekend in een schrijven van 30 September 1948, gericht aan Gedeputeerde Staten van Utrecht, waarbij gevoegd was een gedocumenteerd advies, uitgebracht door prof. dr Donner, mr dr van Haren en de Utrechtse raadgevend ingenieur Jhr Op ten Noort.

De conclusie dezer drie heren luidde onder meer, dat voor de noodzaak van een annexatie, hetzij als door de streekplan-«tudieoommiissie voor Utrecht en omstreken aangegeven, hetzij in andere vorm, door het rapport dezer commissie zelfs geen begin van bevwjs was aangebracht en dat vae ssulke noodzaak ook uit anderen hoofde niets bleek.

De drie zoeven genoemde adviseurs waren voorts van oordeel, dat het onderhavige vraagstuk veel beter kon worden opgelost door gemeentelijke samenwerking, waardoor het voordeel verkregen werd, dat een aantal bloeiende gemeenten niet door opheffing of verminking zou worden aangetast.

Zij adviseerden derhalve, dat de colleges van B. en W. der randgemeenten aan Gedeputeerde Staten zouden berichten, dat zij het overgelegde rapport der streekplanstudiecommissie niet als een serieuze basis voor discussie konden aanvaarden; dat zij — hoewel bereid een met klem van redenen omkleed voorstel van greiiswajziging onder ogen te zien en terzaike hun standpunt te bepalen — voorshands op het standpunt stonden, dat een betere en meer bevredigende voorziening in de behoeften der gehele streek ware te verkrijgen in de weg van gemeentelijke samenwerfdng; dat zij hunnerzijds tot overleg tot voorbereiding van die samenwerking gereed en bereid waren en dat zij Gedeputeerde Staten zouden verzoeken daartoe, waar nodig, hun bemiddeling te verlenen.

Het verweer der randgemeenten mocht echter niet baten. Gedeputeerde Staten van Utrecht handhaafden de voorstellen, de regering — de inmiddels overleden mr Maarseveen was toen minister van Binnenlandse Zaken — nam ze over en belichaamde ze in een wetsontwerp, dat een paar jaar geleden bij de Staten-Generaal werd ingediend, en met enkele tussentijds aangebrachte wijzigingen door de Kamer in openbare behandeling werd genomen.

Onderscheidene sprekers voerden bij dit wetsontwerp het woord. Voor de fractie der S.G.P. vt-erd dit gedaan door Ir van Dis, die daarbij a's volgt sprak: Mijnheer de Voorzitter: De strekking van het onderhavige wetsontwerp in zake wijziging van de grenzen van de gemeente Utrecht en randgemeenten noopt ons, ons standpunt daartegenover bij deze algemene beraadslaging kenbaar te maken.

Hierbij wensen wij vxx)rop te stellen, dat onaerzijds steeds is bepleit, dat bij voorgenomen annexaties de grootst mogelijke Doorzichtigheid behoort te worden betracht. Bij deze materie toch zijn zowel historisch gegroeide omstandigheden, alsook financiële en andere factoren ten nauwste betrokken. Grenswijzigingen, welke gewoonlijk op annexaties van de éne gemeente door de andere neerkomen, of afsnijding van grote gebieden van de ene gemeente en toevoeging aan een andere gemeente iuhouden, moeten daarom niet dan bij uiterste noodzaak worden toegepast en met de medetcerking der belanghebbende gemeente tot stand komen. Indien die medewerking gemist wordt, vormen grenswijzigingen gewoonlijk een bron van grote ontevredenheid, zoals ook geconstateerd kan worden ten aanzien van de grenswijzigingen, welke in het onderhavige wetsontwerp aan de orde worden gesteld. Aanneming van dit wetsontwerp toch zou onder meer tot gevolg hebben, dat de gemeente Zuilen praktisch geheel, en, wat het inwonertal betreft, de gemeenten Jutphaas en Maartensdijk voor driekwart bij de gemeente Utrecht zouden komen. Bestaat daartegen in de drie genoemde gemeenten al een •sterk verzet, niet minder geldt dit voor de vele andere gemeenten, die bij deze grenswijzigingen betrokken zijn, zoals Acbttienhoven, De Bilt, Bunnik, Houten, Maarssen, Oudenrijn, Westbroek en Zeist. Ook deze gemeenten staan afwijzend tegenover de in het wetsontwerp voorgestelde grenswijzigingen en dat niet, omdat men zich op het standpunt plaatst, dat elke annexatie van de hand moet worden gewezen. Integendeel, men heeft van die zijde nadrukkelijk in een adres aan de Kamer te kennen gegeven, dat men verzet tegen de voorgestelde grenstüijzigingeTi ongegrond en zelfs in strijd met de verantwoordelijkheid ten opzichte van het eigen gebied zou achten, indien de voorgestelde maatregelen inderdaad in het belang van de gehele agglomeratie Utrecht zmiden zijn.

Van dit belang is men echter in genen dele overtuigd. Ook de Memorie van Toeüchting bij het wetsontwerp heeft de hierbij betrokken gemeentebesturen van het belang der voorgestelde grenswijzingen niet kurmen overtuigen. De Regering is daarin al evenmin geslaagd als het College van Gedeputeerde Staten der provincie Utrecht, dat aan de hand van het rapport der Technische Commissie uit de streekplanstudiecommisie getracht heeft het belang der onderhavige grenswijzigingen in het licht te stellen. Volgens de gemeentebesturen der hierbij betrokken gemeenten heeft dit college echter noch de wenselijkheid, noch de noodzaak dez^ grenswijzigingen kunnen aantonen. Het is dan ook zeer goed te verstaan, dat de betreffende gemeentebesturen zich ten sterkste tegen de voorgestelde grenswijzigingen, weHce bij doorvoering de gemeente Utrecht een uitbreiding zouden geven van 3000 ha, welke voor een belangrijk deel uit agrarische gronden bestaan en waardoor 40 a 45 pet dier bewoners van de provincie Utrecht burgers van de gemeente Utrecht zouden worden, verzetten. Te meer, daar dezJe grenswijzigingen ten gevolge zouden hebben, dat de gemeentebesturen van onderscheidene gemeenten zouden moeten verd'wijnen en de2se gemeenten zouden komen onder de gemeenteraad van de gemeente Utrecht. Nu heeft de minister, voor wat de gemeente Zuilen betreft, wel voorgesteld dat bij wijze van proef deze gemeente een eigen gekozen gemeenschapsraad zal ver'krijgen, maar daarmede is het feit niet ongedaan gemaakt, dat ook de gemeente Zuilen onder beheer van de Utrechtse gemeenteraad komt. Dit voorstel van de minister heeft dan ook in de gemeente Zuilen het verzet tegen het wetsontwerp geenszins kunnen wegnemen. Ook het gemeentebestuur van Zuilen heeft te kermen gegeven, dat het, ondanks de voorgestelde gemeenschapsraad, zijn bezwaren tegen opheffing der gemeente ten volle handhaaft. Ziende op het verzet van de zijde der bij de wijzigingen betrokken raedgemeertten, kuimen wij onze steun dan ook aan het onderhavige wetsontwerp niet geven. Te meer niet, daar dit verzet niet van één zijde komt, maar van de fracties van schier alle partijen, die in de gemeenteraden der betrokken gemeenten zitting hebben. Volgens ons verstrekte inlichtingen hebben zich in de gemeenteraad van Zuiüen niet slechts 2 Anti-Revolutionnairen en 2 Chrifelijk-Historischen tegen de voorgestelde grenswijzigingen verklaard, doch ook 8 leden van de Partij van die Arbeid en 5 Rooms-Katholieken.

Van de gemeenteraad van Maartensdijk hebben zich alle 15 leden er eveneens tegen verkl^ird, zowel de 10 ledfen, die in 'het stadsgedeelte wonen, als de 5 uit het dorp. Deze feiten behoren de regering toch wel tot het betrachten van de grootste voorzichtigheid te bewegen en haar er van te weerhouden om tegen de bevolking en tegen de gemeentebestuurders in een plan door te drijven, dat allermirrst in het belang der betrokken gemeenten kan geacht worden, ia veeleer voor deze gemeen*ten schadelijke gevolgen kan en zal hebben o.m. vanwjege de vermaterialiserende en demoraliserende invloeden, welke aan het grotestadsle^ ven verbonden zijn en vanwege het verbreken van het nauwe contact, hetwelk in de kleinere gemeenten tussen gemeentebestuur en burgerij bestaat, en ook vanwege het feit, dat na vergrotirrg van het Utrechtse gebied de harmonische verhouding tussen stad en platteland in het provinciaal bestuur wordt verstoord, doordat er een ongewenst overwicht van de stad op het overige deel der provincie zal ontstaan.

Voor'ts wensen wij nog een ernstig bezwaar naar voren te brengen, namelijk dit, dat bij het opmaken van het rapport der streekplanstudiecommissie het Instituut voor Bodemcartering niet is geraadpleegd, waardoor het mogelijk is geworden, dat aan bepaalde agrarische gebieden met name in de gemeenten Houten en Bunnik, onverantwoorde bestemmingen zijn gegeven. Een bezwaar, dat blijkens een adres van het gemeentebestuur der gemeente Burmik, gedateerd 26 Juni 1953, nog steeds Ijestaat, evenals het bezwaar, dat de landbouw in de voorgestelde maatregelen niet is gekend, hetgeen door voornoemd gemeentebestuut ernstige verzuimen worden genoemd. En dit zeer terecht, daar groot gevaar bestaat, dat in de toekomst vruchtbare land-en tuinhouwgronden niet alleen voor huizenbouw, maar ookjvVy voor dusgenaamde cntspanrrings-en re-'* creatieooiden en sportvelden zullen bestemd worden, gelijk dat in andere delen van het land maar al te veel gedaan is.

Een ernstig verzviim is al evenzeer, dat de financiële consequenties van de onderhavige grenswijzigingen, die ongetwijfeld zeer groot zijn, helemaal buiten beschouwing zijn gebleven, niettegenstaande het feit, dat de hierbij betrokken gemeenten er bij herhaling op hebben aangedrongen, dat de financiële kant der zaaik onder het oog gezien en in het licht gesteld zou worden. Op grond van de door ons genoemde redenen achten wij het dan ook noodzakelijk, dat de regering dit wetsontwerp terugneemt en met inschakelmg van s de instanties, die thans gepasseerd zijn, ^ een nader onderzoek gelast naar de noodzakeUjikheid en de gevolgen van deze zo ingrijpende grenswijzigingen, gelijk ook begeerd wordt door de hierbij betrokken randgemeenten, welker besturen verklaard hebben, dat de moeilijkheden, die er ongetwijfeld voor de gemeente Utrecht bestaan en ook door de randgemeenten ten volle worden erkend, zeer wel in de weg van samenwerking met behoud van de zelfstandigheid zouden kunnen worden opgelost, zonder^ dat land-en tuinbouw, en hiermede het bestaan der land-en tuinbouwers en hun arbeiders in gevaar worden gebracht, hetgeen ook allerminst in het algemeen belang geacht kan worden.

Was 'het verzet in het Voorlopig Verslag tegen 't wetsontwerp van dien aard, dat de mogelijkheid van verwerping niet uitgesloten was, de ver'klaring van de minister, inihoudend, dat het prijsgeven van Zuilen voor hem het wetsontwerp onaanvaardbaar zou maken, dat wil dus zeggen, dat hij zou aftreden indien de Kamer de gemeente Zuilen van de annexatie zou uitsluiten, was kennelijk oorzaak, dat zioh een kentering voordeed. Zo bijvoorbeeld in de R.K. fractie, waar van wel de heer van Koeverden zich als tegenstander van het w^etsontwerp deed kennen, maar waarvan de heer Maenen, die namens het allergrootste deel der R.K. fractie bleek te spreken, verklaarde, dat hij na nauwkeuriger onderzoek tot de conclusie was gekomen, dat aanvaarding ervan hem noodzakelijk voork%vam. En dsiar ook de fractie van de Partij van de Arbeid zich, nadat nog enkele namens deze fractie voorgestelde wijzigingen door de minister overgenomen waren, zich voor het wetsontwerp \ei'klaard had, was het vrijwel zeker, dat liet wetsontwerp zou aangenomen warden.

\'oordat het echter tot stemming kwam, heeft de minister de verschillende sprekers beantwoord-Hij herhaalde daarbij, dat het niet-annexeren van Zuilen voor hem het wetsontwerp onaanvaardbaar zou maken, wees samenwerking van de hand en verdedigde met klem het door één zijner voorgangers ingediende en door hem overgenomen wetsvoorstel. Bij de replieken bleven evenals de afgevaardigde der S.G.P. ook de woordvoerders der A.R.-, C, H.-en K.N.P.-fracties zich tegen het wetsontwerp venklaren, terwijl de heer Ritmeester namens de fractie der V.V.D. eveneens zijn bezwaren handhaafde.

Ir van Dis sprak bij de replieken, waarbij de spreektijd gerantsoeneerd was, als volgt: Replieicrede

fe Mijnheer de Voorzitter! De rede van de minister heeft ons er niet van kimnen overtuigen, dat aanvaarding van dit wetsontwerp noodzakelijk is. Wij ontkennen hiemiede geenszins, dat de gemeente Utrecht moeilijkheden heeft. Reeds in eerste termijn hebben •wij die moeihj'kheden, waarbij wij inzonderheid het oog hadden op behoefte aan gronden voor woningbouw en industrie, erkend, gelijk wij er ook op gewezen hebben, dat de randgemeenten eveneens Utrechts moeilijkheden erkennen. Qm die moeilijkheden op te losseni, behoeft echter onzes inziens niet de weg te weiden ingeslagen, welke in het wetsontwerp wordt voorgesteld, waarbij de zelfstandigheid van onderscheidene gemeenten in niet geringe mate « geiceM wordt aangedaan. Wij zullen niet in herhaling treden van de grote bezwaren, die daartegen onzerzijds bestaan, doch volstaan met te verklaren, dat wij ons standpunt onverzwafct. handhaven, dat namelijk een oplossing der moeUijkhe-•den der gemeente Utrecht behoort verkregen te worden door samenwerking, gelijk ook door de randgemeenten wordt voorgestaan. De Minister heeft dit helaas afgewezen, zulks op grond van praktische bez\varen. Wij zouden de Minister echter in o vervoeging willen geven om eerst met samenweildng eens een proef te nemen en daarbij zo nodig maatregelen te nemen, waardoor de door de Ministerie gevreesde bezwaren ten aanzien van samenwerking tussen Utrecht en de randgemeenten tot zo klein mogelijke afmetingen worden teruggebracht.

Wat Zuilen betreft. Mijnheer de Voorzitter, willen wij er voorts nadrukkelijk op wijzen, dat vele inwoners van Zuilen de door de Minister in zijn rede weergegeven opvatting, dat namelijk Zuilen een wjk van Utrecht is, doordat deze stad over haar grenzen gegroeid zou zijn, met alle besHstheid ontkennen.

En dat geheel terecht. Zuilen toch vormt een zelfstandige gemeenschap, ontstaan door de grote industrieën uit Amsterdam. Groningen, Friesland en elders. Bovendien zijn wj van oordeel, dat annexatie van Zuilen door Utrecht geen oplossing voor de moeilijkheden van Utrecht brengen zal, daar Zuilen gesn industrieterrein meer heeft en nog sleciits een beperkte oppervlakte bouwgrond bezit, welke naar het oordeel van deskundigen nauwelijks voldoende is om zijn eigen bevolkingsaanwas op te vangen, zo zelfs, dat er wanneer de woningbouw met dezelfde voortvarendheid en in hetzelfde tempo wordt voortgezet als in de laatste jaren het geval is geweest, binnen 10 jaar de gemeente Zuüen volgebouwd zal zijn. Daarbij komt, dat er tegen het bestuur der gemeente Zuilen van niet één zijde, ook niet door de Minister, enig bezwaar inzake het gemeentelijk beleid is aangevoerd, waaruit de conclusie zou moet worden getrokken, dat annexatie van Zuilen wenselijk of zelfs noodzakelijk is. Integendeel is het gebleken, dat het gemeentelijk beleid van Zuilen op onderscheidene punten een voorsprong heeft op Utrecht, omdat daar de taaik der Overheid door de grotere omvang minder overzichtelijk en daardoor ook minder doeltreffend is. Tenslotte wensen vvdj nog op te merken, dat het ant%voord van de Minister in zake de financiële gevolgen van het wetsvoorstel ons allerminst bevredigd heeft. Dit antwoord kwam toch, in het ikort gezegd, hierop neer, dat de Minister zelf met betrekking tot de fi­ nanciële gevolgen van het door hem vooigestelde wetsontwerp wjwel in 't volslagen duister verkeert. Van de financiële 2ajde bezien, betekent de aanvaarding van dit wetsontwerp dus niet minder dan een sprong in het duister. Mede met het oog hierop menen wij dan ook ons afwijzend standpunt te moeten handhaven en onze stem tegen het onderhavige wetsontA^'erp te moeten uitbrengen.

Wat te voorzien geweest was, gebeurde. Het wetsontwerp werd aangenomen met 58 tegen 26 stemmen. Tegen stemden de beide afgevaardigden der S.G.P., de A.R., de C.H. met uitzondering van freule Wttwaail van Stoetwegen, de V.V.D. met uitzondering van de heren Oud en Korthals en mevr. Fortanier-de Wit; voorts de heer Lemaire van de K.N.P. en slechts 2 leden van de R.K. fractie, nl. de heer van Koeverden en mr. van Rijckevorsel. Ook de instelling van de gemeenschapsraad werd aangenomen en wel met 55 tegen 29 stemmen, dus ongeveer dezelfde stemverhouding, alleen stemden hierbij de communisten, die voor het wetsontwerp gestemd hadden, ook tegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1953

De Banier | 8 Pagina's

Grenswijziging

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1953

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken