Bekijk het origineel

Begroting van Maatschappelijk Werk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Maatschappelijk Werk

8 minuten leestijd

Rede van Ir van Dis

Bij de behandeling van bovenstaande begroting werden verschillende onderwerpen besproken.

Inzonderheid vormde daarbij de kwestie der Indische Nederlanders, dié in Indonesië hun verblijf hebben, een punt van vrij langdurige discussie, mede veroorzaakt, doordat prof. Lemaire (K.N.P.) een motie indiende, waarin de regering uitgenodigd werd om het de Indische Nederlanders mogehjk te maken naar Nederland te gaan, indien zij dit verlangen, en voorts om bij het verstrekken in Indonesië van schoolgeldsubsidies de ouders geheel vrij te laten in de keuze der school, daar er ook zogenaamde aanpassingsscholen in Indonesië zijn, die zich ten doel stellen de jeugd tot Indonesiërs op te kweken, waarvan echter vele Indische Nederlanders niet gediend zijn. Over deze motie, welke later geflankeerd werd door een motie-De Graaf (K.V.P.), moet, terwijl wij dit schrijven, door de Kamer nog beslist worden. Aangezien de fracties der K.V.P. en der P.v.d.A. er zeker tegen zijn, staat het wel vast, dat de motie-Lemaire zal verworpen worden.

Met deze inleiding menen wij te kunnen volstaan en geven thans plaats aan de rede van Ir van Dis, die als volgt sprak: Mijnheer de Voorzitter! Daar wij bij de behandeling van het wetsontwerp in zake vergoeding der watersnoodschade reeds gelegenheid gehad hebben om over aangelegenheden, rakende het Departement van deze minister, met betrekking tot de watersnoodramp van gedachten te wisselen, en onzerzijds daarvan ook gebruik gemaakt is, zullen wij op de toen reeds door ons ter sprake gebrachte punten niet nader terugkomen. Alleen zouden wij de minister willen verzoeken om aan de behandeling der punten, welke wij te zijner kennis gebracht hebben, zo mogelijk enige spoed te willen bijzetten. Wij vragen dit, omdat ons dezer dagen van betrouwbare zijde werd medegedeeld, dat de nood onder de bejaarde zelfstandigen, die niet van de noodwet-Drees wensen te trekken, zeer groot is, daar zij nog steeds van steunverlening op andere wijze zijn uitgesloten en, om in hun levensonderhoud te voorzien het geld, dat zij straks nodig hebben voor hun bedrijf, aan het opteren zijn.

Wij begrijpen zeer goed, dat er met het onderzoek enige tijd gemoeid is, doch konden toch niet nalaten om deze aangelegenheid nog eens in de herinnering van de minister te brengen en bij hem op het betrachten van enige spoed aan te dringen. Voorts, Mijnheer de Voorzitter, wensen wij ons gaarne aan te sluiten bij die leden der Kamer, die hun waardering hebben uitgesproken voor het vele werk, dat door 's ministers departement verricht is ten behoeve van de slachtoffers van de watersnood en waarvan ons in korte trekken in de Memorie van Antwoord een overzicht gegeven is.

be­ Wat maatschappelijk opbouw^werk treft, bevelen wij de belangen der blinden en slechthorenden ten zeerste bij de minister aan. De voor deze mensen uitgetrokken subsidieposten op de begroting zijn onzes inziens veeleer te laag dan te hoog. Het verschil tussen de post voor de blinden en die der slechthorenden is al heel erg groot, al stemmen wij toe, dat de blinden zwaarder getroffen en nog veel hulpbehoevender dan de slechthorenden zijn. Wat de geleidehonden betreft, zijn wij er sterk voor, dat de minister het mogelijk maakt, dat er meer van deze honden voor de blinden verkrijgbaar worden gesteld, daar de prijs van deze honden zo hoog is, dat het voor vele blinden on­ mogelijk is om zich zulk een hond aan te schaffen.

Vervolgens, Mijnheer de Voorzitter, wensen wij enkele opmerkingen te maken met betrekking tot de Nederlanders, die zich in Indonesië bevinden. De positie, waarin deze mensen verkeren, is wel zeer droevig. Doordat zij Nederlanders wensen te blijven, wordt hun het leven daar steeds moeilijker gemaakt. Velen zijn al uit hun werk gestoten, zulks op aandrang van de Indonesische vakverenigingen, welker vertegenwoordigers bij herhaling de wens geuit, ja, zelfs de eist gesteld hebben, dat Indonesië zich binnen de kortst mogehjke tijd van deze groep buitenlandse werkers zal ontdoen. Velen hunner zijn reeds uit overheids-en particuliere diensten ontslagen, anderen hangt ontslag elk ogenblik boven het hoofd. Dit zijn de droevige gevolgen van de souvereiniteitsoverdrach t. Gevolgen, die te voorzien waren en waarop wij, vóórdat de souvereiniteitsoverdracht plaats vond, gedurig de aandacht der regering gevestigd hebben. Ten aanzien nu van deze Nederlanders, die door de Indonesiërs als vreemdelingen worden beschouwd, merkt de minister in de Memorie van Antwoord op, dat de regering de overtuiging heeft, dat de belangen van het overgrote deel dezer Indische Nederlanders het beste gediend zijn met een voortgezet verblijf in Indonesië. Dit standpunt der regering kan door ons allerminst gedeeld worden. Men heeft toch te bedenken, dat iedere Nederlander krachtens zijn Nederlanderschap het recht heeft zich in Nederland te vestigen.

Hierop ziende, alsook op het feit, dat de Nederlandse regering deze mensen door de souvereiniteitsoverdracht in zulk een allermoeilijkste toestand gebracht heeft, wil het ons voorkomen, dat de Nederlandse regering de dure plicht heeft om hun vestiging in Nederland mogelijk te maken en voor hun overtocht zorg te dragen, wanneer vanzelfsprekend hun ontslag uit overheidsof particuliere dienst niet aan eigen schuld of toedoen te wijten is. Dat dit geen geringe zaak is, stemmen wij onmiddellijk toe, zowel met het oog op de werkgelegenheid, alsook op dat van de huisvesting. Deze bezwaren moeten echter wijken voor de morele plicht die de Nederlandse regering ten aanzien van deze Nederlanders heeft. Aan die plicht mag de regering zich niet onttrekken en het zou ook op haar weg liggen om zich te dezer zake tot de Organisatie der Verenigde Naties te wenden. Deze toch heeft het gewild, dat Nederland de souvereiniteit over Indië prijsgaf aan Indonesië. Zij heeft er in niet geringe mate schuld aan, dat thans duizenden Indische Nederlanders in grote nood verkeren. Velen van deze mensen zijn in Indonesië achtergebleven toen hun ouders en/of andere familieleden repatrieerden, omdat zij toen een betrekking hadden en die niet prijs wensten te geven, Gaandeweg werden zij daar uitgestoten en moeten nu zien rond te komen van een wachtgeld, dat wegens de moordende inflatie ten enenmale onmogelijk is. Anderen trekken steungeld, waarvan het al evenzeer niet mogelijk is om enigszins behoorlijk te leven. Het behoeft niet te verwonderen, dat deze mensen op die manier geheel verpauperen, met alle vreselijke gevolgen, daaraan verbonden. Is dit voor de ouderen onder hen al heel erg, voor de jeugd zijn de gevolgen nog funester. Nu reeds is de verwildering der zeden onder de jeugd aldaar sterk toegenomen. Daarom zijn wij er ten sterkste voor, dat de regering haar standpunt herziet en bevordert, dat deze Indische Nederlanders naar Nederland kunnen terugkeren. Zij wende zich daartoe tot de U.N.O. en bepleite daar, dat de nodige financiële hulp daartoe geboden worde. Het gaat niet aan, Nederland van zijn gebiedsdelen in Indië los te scheuren en dan Nederland alleen de gevolgen te laten dragen. Te meer is er alle reden voor om deze Nederlanders uit Indonesië te verwijderen, als wij op de ontwikkeling der gebeurtenissen in Indonesië letten, waar de toestanden al rijper en rijper voor het communisme worden. En vs'at zal dan het lot van deze Nederlanders zijn? Zelfs de heer de Graaf, die deze mensen in Indonesië wil latsn blijven, ziet het gevaar daarvan in en heeft gezegd, dat Nederland de ontwikkeling van de toestand in Indonesië zal moeten blijven volgen. Het ligt echter voor de hand, dat als het zo ver is, dat het communisme in Indonesië de baas geworden is, het te laat zal zijn.

Dan zal, naar het zich laat aanzien, geen van deze Indische Nederlanders ooit meer de kans krijgen naar Nederland te kunnen gaan. Daarom zien wij slechts één weg, en dat is; het mogelijk maken, dat deze Indische Nederlanders, indien zij dit wensen, naar Nederland kunnen gaan, waarbij de Nederlandse regering er tevens alles op zal moeten zetten om de U.N.O. in deze op haar dure plicht te wijzen. Wat de reeds gerepatriëerden betreft, wensen wij bij de minister te bepleiten, dat alles in het werk zal worden gesteld om te voorkomen, dat deze mensen jarenlang in woonoorden en contractpensions moeten verblijven. Dit houdt de aanpassing aan de voor hen geheel nieuwe omgeving sterk tegen en maakt, dat zij zich hier als vreemden gevoelen. Het is daarom van groot gewicht, te zorgen, dat ook deze mensen een eigen woongelegenheid bekomen, waarin zij zich op hun gemak gevoelen en het gezinsleven tot ontplooiing kan komen. Tevens zouden wij de aandacht van de minister willen vestigen op de pensionprijzen, welke door de gerepatriëerden moeten worden betaald. Er wordt over geklaagd, dat deze in verband met de bekrompen woongelegenheid, waar verscheidene mensen het menigmaal met slechts één kamer moeten doen, veel te hoog zijn. Wij achten het noodzakelijk en dringen er daarom op aan, dat de minister naar deze klacht een onderzoek instelt en de nodige maatregelen neemt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1953

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Maatschappelijk Werk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1953

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken