Bekijk het origineel

Begroting van Oorlog en Marine

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Begroting van Oorlog en Marine

26 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Recfe van Ds Zandi

Het zijn voor heel ons volk hoogst belangrijke onderwerpen, welke Ds Zandt bij de behandehng van de begroting van Oorlog en Marine ter sprake gebracht heeft.

In het begin zijner rede sprak hij zijn grote ongerustheid over de gang van zaken bij onze strijdmacht uit. Daarbij stond hij niet alleen. Door verschillende Kamerleden immers werd zuUcs ook al gedaan, zodat het naar waarheid is weer­ gegeven, indien wij schrijven, dat deze ongerustheid door vele Kamerleden met hem gedeeld werd.

Het geldt hier geen onbetekenende zaak. Milliarden moeten er voor onze krijgsmacht worden opgebracht. Op zichzelf genomen achten wij dit voor de verdediging van ons land noodzakelijk. Ook ten deze zijn wij aan de middelen gebonden. Doch het is daarbij een eerste vereiste, dat er dan ook een deugdelijke weermacht komt. En daaraan mag wel met recht onder de huidige gang van zaken getwijfeld worden, alsook daaraan.

of bij een eventuele oorlog ons eigen grondgebied verdedigd zal worden en onze militairen alsdan niet onder vreemd commando ver buiten onze landsgrenzen zullen worden ingezet.

Ds Zandt heeft er bij de minister sterk op aangedrongen, dat onze weermacht voor het eigen land en tenslotte niet voor een vreemd land zal worden gebruikt. Voorts is hij krachtig er voor opgekomen dat de militairen bij hun verlof des Maandagsmorgens met de eerste reisgelegenheid naar hun garnizoenen zouden kunnen terugkeren. De wijze, waarop de minister deze aandrang beantwoord heeft, stemt tot bittere teleurstelling. Men had billijkerwijze van een minister van Christelijk-Historische beginselen een gans ander antwoord mogen verwachten. Het antwoord van de minister was beslist afwijzend. Hij weigerde pertinent een regeling in het leven te roepen, waarbij de militairen in de gelegeïiheid werden gesteld om des Maandagsmorgens naar de kazerne terug te keren.

Ook ten aanzien van de legeroefeningen op de dag des Heeren, waarover Ds Zandt zijn ernstig bezwaar had kenbaar gemaakt ten aanzien van Repulse troepenbewegingen, was het antwoord van de minister allerminst bevredigend. Ook drong de afgevaardigde der S.G.P. er nogmaals met grote nadruk op aan, dat de dienstplichtige militairen in een garnizoen geplaatst zouden worden, dat dichtbij hun woonsteden gelegen is. Verder heeft hij nog verschillende onderwerpen besproken, welke wij niet stuk voor stuk bij name zullen noemen; hetgeen wij niet noodzakelijk achten, dewijl de rede in haar geheel in „De Banier" wordt weergegeven.

D s Z a n d t sprak dan als volgt: Mijnheer de Voorzitter! Het valt ons hoogst moeilijk een gevoel van ongerustlieid en onvoldaanheid ten aanzien van de gang van zaksn bij onze defensie van ons af te zetten. Wat wij daarover meemaken, geeft ons helaas daartoe maar al te zeer reden.

In Februari 1952 werd door de leden, die zich bij het Noord-Atlantisch Pact aansloten, tot de opbouw van de verdediging van West-Europa op de conferentie te Lissabon besloten. Doch het bleek al heel spoedig, dat er landen waren, die zich aan de op de genoemde conferentie aangegane verplichtingen onttrokken.

Engeland deed zulks, en Frankrijk en België al eveneens, doordat zij per jaar minder aan de defensie gingen besteden dan zij op zich genomen hadden. Daarbij komt nog, dat het wel als zeker kan worden aangenomen, dat Amerika na 1 Juli 1954 aanzienlijk minder hulp aan de Westeuropese verdediging zal bieden.

Werken deze dingen een gevoel van ongerustheid en onvoldaanheid in de hand, vooral niet minder is dit het geval met wat er in het eigen land is voorgevallen. Daarin heeft de regering het oorspronkelijke plan van de opbouw van vijf divisies prijsgegeven, hetgeen er allerminst op wijst, dat zij met een weldoordacht en alleszins gefundeerd plan voor de dag was gekomen. In zekere zin kan deze veranderde houding niet zo zeer op rekening der regering worden gesteld, daar het zeer wel mogelijk is, dat de opperste legerleiding van 't Noord-Atlantisch Pact tot deze verandering had besloten, welke de regering van haar heeft overgenomen. Dit wijst er wel op, dat er, wat wij als een bezwaar gevoelen, feitelijk door een vreemde macht over ons beslist is. De ongerustheid en de on­ voldaanheid zijn bij ons na kennisneming van de Memorie van Antwoord nog toegenomen. Daaruit is vast komen te staan dat de regering bij de indiening van de Memorie van Toelichting de plannen aangaande onze defensie nog in beraad had. Na het inmiddels gehouden beraad zijn de plannen vastgesteld, waarvan in de Memorie van Antwoord mededeling gedaan wordt. Wat die plannen aangaat, die zijn zeker niet in staat om ons gerust te stellen.

In het Voorlopig Verslag is aan de geachte bewindsman de vraag gesteld, wat de hogere kosten zijn van deze plannen in verhouding tot de ramingen van het 6 milliardplan. Zijne Excellentie antwoordde op die vraag, dat hij dienaangaande geen bedrag kon noemen, waarbij hij verwees naar de wijziging van het oorspronkelijke plan van de vorming van vijf divisies in één legerkorps plus twee divisies. Wij varen dus in dezen in de mist, daar wij niet wetsn, waar wij financieel aan toe zijn. Wel heeft de minister verklaard, dat van 1 Januari ]955 tot 1 Januari 1958 een bedrag van 4 milliard nodig zal zijn, rekening houdende met de overloop van 1350 millioen van 1954 naar 1955 en de normale overloop van gebonden gelden van het begrotingsjaar 1957 naar 1958 van 400 millioen.

Dat alles komt nog op losser schroeven te staan, als wij in de Memorie van Antwoord lezen: „Uitgaande van de veronderstelling, dat voor het jaar 1955 bij een toedeling van één derde deel van het bedrag van 4400 millioen gulden, met inachtneming van de toezeggingen van de Amerikaanse regering met betrekking tot verdere hulpverlening gedurende dat jaar, de verdere uitbouw, het onderhoud en de exploitatie van de strijdkrachten geen bijzondere moeilijkheden zullen baren, rijst ten rechte de vraag of het overblijvende tweederde deel van 4400 millioen gulden de behoeften, welke een gevolg zijn van de dan na 1 Januari 1956 optredende situatie, zal kunnen dekken".

Bovendien werkt het de ongerustheid zeer in de hand, dat het in het voornemen van de minister ligt na 1955 over te gaan tot het vormen van vijf divisies, en dit terwijl geen zekerheid bestaat, dat de oude legerplannen zijn voltooid, gezien o.m. de personeelsbehoefte en de onzekerheid, dat er voldoende materieel zal zijn, waaraan het nu al te zeer ontbreekt. Ons is toch medegedeeld, dat bij een bejraald regiment 100 man, die binnen twee maanden moesten worden opgeleid, slechts over één vuurmond de beschikking hadden. Ook is het de grote vraag, of er verbetering in zal treden, dat, wat thans niet het geval is, het Amerikaanse materieel tijdig binnenkomt, terwijl het bovendien vrij zeker is, dat de Amerikaanse hulpverlening na twee jaar zal ophouden, en ook vrijwel vaststaat, dat door uMterstofbommen een gehele ommekeer komt in de oorlogsvoering, terwijl daarenboven nog stellig met de mogelijkheid gerekend moet worden, dat de Amerikaanse troepen of geheel, of voor een groot deel uit Europa zullen worden teruggetrokken. Hierbij rijst als vanzelf de vraag, of de na 1954 per jaar uitgetrokken 1350 millioen wel toereikend zullen zijn. Ook bestaat er bij ons grote beduchtheid, dat ons eigen landgebied, onze havens en onze vliegvelden niet naar behoren verdedigd zullen kunnen worden bij een eventuele aanval. Wij dringen er dan ook ten krachtigste op aan, dat alle zorg aan onze eigen verdediging zal worden besteed. Hierbij komt, dat bij al de bestaande onzekerheid en de zo hoge kosten van onze defensie de Minister zelf spreekt over een vicieuse cirkel. Wanneer de eigen inspanning te groot is, zo luidt het zo kort mogelijk weergegeven in de Memorie van Antwoord, kan de Amerikaanse hulp weleens sterk verminderen, en wanneer onze krachtsinspanning te gering is, dreigt het gevaar, dat de buitenlandse hulp ook geringer zal worden. Dat wijst er wel heel sterk op, dat de feitelijke toestand ten aanzien van onze defensie al zeer onzeker is, en dat het de leiding van het Noord-Atlantisch Pact aan een vaste hand, een vaststaand, deugdelijk plan ontbreekt, alsook dat men op de Amerikaanse hulpverlening geen vaste staat kan maken.

Dit steekt wel heel schrijnend af tegen de communique's en de voorlichting, die over deze aangelegenheid werden gegeven. Daarin toch valt een geruststellende toon te beluisteren, ja, klinks soms een toon door, alsof met de Europese verdediging alles op rolletjes loopt. Wanneer — zo mag men wel vragen — zullen die schoonklinkende en misleidende phrases eens door werkelijke daden verwisseld worden en wanneer zal er nu eens een beleid komen, dat alleszins verantwoord is en zich niet door fraaie phraseologie, maar door wezenlijke daden kenmerkt?

Zoals het thans gesteld is, ontbreekt toch ten enenmale een deugdelijke grondslag voor een defensieplan. Wanneer er geen afdoende zekerheid bestaat, ook al ten aanzien van de Amerikaanse hulpverlening, dan geeft de leiding in het Noord-Atlantisch Pact stellig reden tot grote ongerustheid en bestaat er dientengevolge ook al een gegronde ongerustheid en onvoldaanheid over de defensie van ons land.

Dit is toch voorzeker geen luttele zaak. Miüiarden worden uitgegeven, en dan geen zekerheid te hebben, dat onze defensie in een behoorlijke staat verkeert, is toch wel iets zeer teleurstellends, om geen ander woord te gebruiken, dat misschien nog beter het verontrustende betreffende onze defensie uitdrukt. Dit klemt te meer, daar er geen afdoende zekerheid bestaat, niet alleen, dat onze strijdkrachten ons grondgebied zullen kunnen verdedigen, maar ook, of zij daartoe wel ingezet zullen worden. Ten opzichte van het laatste zouden wij gaarne een definitieve verzekering van de Regering ontvangen, want bij ons bestaat nog altijd de beduchtheid, dat onze strijdkrachten ver van het eigen vaderland — en dat onder vreemd commando — zullen worden ingezet bij een mogelijke aanval.

Ook de trage gang van zaken verontrust ons. Het klinkt enigermate geruststellend, als in de Memorie van Antwoord wordt medegedeeld, dat eind 1954 het drie-divisieplan met bijbehorende verzorgings-en ondersteunings­ eenheden zal zijn voltooid en dat het materieel voor drie divisies in grote trekken aanwezig is, doch het heeft in dezen wel heel veel te zeggen, dat aan deze mededeling wordt toegevoegd, dat er tekorten bestaan op het gebied van voertuigen en zwaar geniematerieel. Niet minder heeft het ons veel te zeggen, dat de verdediging in de lucht nog alles te wensen overlaat. Het is wel heel erg, dat wij te dien aanzien slechts beschikken over vrijwel waardeloze radar, goeddeels verouderde vliegtuigen en veel te weinig luchtdoelartillerie. De geachte bewindsman moge in de Memorie van Antwoord wel opmerken, dat de opbouw van de Koninklijke luchtmacht zeer bevredigend verloopt, maar hier staat tegenover, dat uit de uitlatingen van generaal Ridgway in zijn jaarrapport over de periode van Mei 1952 tot Mei 1953 en uit de redevoeringen van generaal Gruenther blijkt, dat de luchtstrijdkrachten in het Westerse verdedigingssysteem een wel zeer zwakke plek vormen, hetgeen de Minister ten aanzien van de Nederlandse luchtmacht niet met gegronde redenen heeft kunnen weerspreken. Alles bijeengenomen, is er wel terdege reden voor, dat men zich ten opzichte van onze defensie alleirmihst gerust gevoelt, zoals ook uit onderscheidene artikelen in de pers herhaaldelijk is gebleken.

Dit heeft te meer reden van bestaan, waar de uitgaven voor defensie z o schrikbarend hoog zijn. In de jaren 1951 tot 1954 is daardoor 6 milliard op de begroting uitgetrokken en hetjigt in het voornemen van de Regering in 1955, 1956 en 1957 nog circa 4, 5 milhard aan te vragen. Dit betekent dus over zeven jaren ten naaste bij 10 milliard of mogelijk nog meer dan 10 milliard. In verband hiermede is de vraag ten zeerste gewettigd, of, waar Engeland, Frankrijk en België en ook Amerika hun militaire uitgaven over meer jaren uitspreiden, ook Nederland zulks niet behoort te doen. Naar ons gevoelen is dit zeer wenselijk, doch tot op dit ogenblik blijft onze Regering in dezen weigerachtig. Wij kunen met deze weigerachtigheid niet instemmen, daar de voorgestelde uitgaven boven onze financiële krachten gaan en de enorme sommen slechts tot schade van het algemeen welzijn opgebracht worden, doordat de Regering zulke hoge lasten en belastingen ons volk oplegt.

Mijnheer de Voorzitter! Het behoeft nauwelijks gezegd, dat wij de spreiding der defensiekosten over meerdere jaren een geboden zaak achten. Daaraan knopen wij de vraag vast, of er niet op een goedkopere wijze aan het benodigde materieel kan worden gekomen en ook of aan onze eigen bedrijven — dit zouden wij wenselijk achten — geen grotere opdrachten kunnen worden verstrekt. Voorts, Mijnheer de Voorzitter, dringen wij nogmaals aan op betrachting van meer zuinigheid. Wij zijn er allerminst van overtuigd, dat bij onze strijdkrachten de nodige zuinigheid wordt betracht, en wij zijn er evenmin van overtuigd, dat het materieel altijd wordt gebruikt, zoals zulks tot instandhouding er van nodig is. Wij zijn in dit ons gevoelen versterkt, doordat \\olgens het Voorlopig Verslag bij de School Technische Dienst een affiche hangt, waarop staat:75 percent van de reparaties is een gevolg van verwaarlo- lozing niet streng worden opgetreden? Dit is toch wel gewenst niet alleen, maar zelfs noodzakelijk. Het is niet minder dan een gruwel, indien de verwaarlozing maar ongestraft kan doorgaan, waar zovelen met de grootste moeite vaak hun belastingpenningen opbrengen.

In verband hiermede wensen wi] een enkel woord te spreken over de fraudes bij de leveranties aan de strijdkrachten. Het moge dan waar zijn, volgens de verklaring van de Minister, dat deze niet vermeerderen, dit neemt echter niet weg, dat zij voorkomen. De beste maatregel om het euvel van fraude te keren, acht de Minister esn constant en streng toezicht op allen, die op 'enigerlei wijze bij de leveranties aan de strijdkrachten zijn betrokken. Dit is zeker nodig, alsook dat de knoeiers tot voorbeeld en afschrik voor anderen streng worden gestraft. Daarbij is het tevens een eerste vereiste, dat er streng op wordt gelet, dat het materieel, dat geleverd wordt, voldoet aan de aan de leveranciers gestelde eisen, opdat de strijdkrachten geen minderwaardig materieel geleverd zal worden. Ook zou het stellig grote onkosten kunnen besparen, indien er niet zovele overplaatsingen geschieden. Deze gaan toch met grote onkosten gepaard. Behalve dat de verhuizingen van personen en materieel zeer veel geld kosten, hebben wij ten aanzien van de kosten nog dit bezwaar, dat er bovendien veel heen en weer gereisd moet worden, hetgeen ook al de nodige kosten met zich brengt. Daarbij komt dan nog, dat somtijds voor langere of kortere tijd mannen gescheiden van hun gezinnen moeten leven. Kortom, gelet op de geweldige kapitalen, welke onze defensie vordert, kunnen wij niet nalaten, ten krachtigste tegen alle onnodige verspilling van de geldmiddelen en verwaarlozing en misbruik van materieel op te komen, en dit niet alleen om geldelijke redenen, maar ook om andere redenen.

Er wordt toch - en daarop dient zeker acht te worden gegeven - zoveel gevergd van de dienstplichtigen en ook van de gezinnen, waaruit zij voortkomen. Wat de diensptlichtigen aangaat, deze hebben twee volle jaren te dienen, en dat in een dienst, die veel van hun lichamelijke krachten eist. Het komt dan ook nogal eens voor, dat militairen, die bij de keuringsdienst worden goedgekeurd, wanneer zij langere of kortere tijd in dienst zijn, moeten worden afgekeurd, aangezien de dienst boven, hun krachten gaat. Wij vragen de Minister, of dit door een iets strengere keuring niet behoort te worden voorkomen; daar het in geen enkel opzicht gewenst is, dat zulks plaats vindt. Bovendien zijn er niet weinig dienstplichtige militairen, die in het bedrijf hoogst node gemist kunnen worden of die aangaande hun studie of in het leren van hun vaki grote hindernis en schade belopen. In één woord: zowel ten opzichte van de gezinnen, waar zij uit voortkomen, als ten opzichte van hen zelf hebben de dienstplichtige militairen zich voorwaar geen kleine offers te getroosten. Daarom hebben zij er een zeker recht op, dat hun diensttijd zo aangenaam mogelijk gemaakt wordt, en dit zal voor velen hunner ongetwijfeld het geval zijn, indien zij in een garnizoen dicht bij hun eigenlijke tvoonplaats worden ondergebracht.

rig, waaruit blijkt, dat door zeer vele dienstplichtigen alsmede door hun ouders er hoge prijs op wordt gesteld, dat zij in een gamizoensplaats, in de naaste omgeving van hun woonstede gelegen, worden geplaatst! Sommige militairen leiden zelfs aan een soms hooggaand heimwee, omdat zij maar zo weinig thuis kunnen zijn en zich zo ver van hun geliefde betrekkingen verwijderd bevinden, hetgeen zeer verergerd wordt, indien zij zich in een gamizoensplaats bevinden, waar zij in 't geheel niet ter kerke kunnen gaan. Alles pleit er dus ook voor, dat zij dicht bij hun huis hun dienstplicht kunnen vervullen. Alsdan hebben zij, indien zij op eigen gelegenheid na? (r huis gaan, rüet zulke grote onkosten te maken en kunnen zij in hun vrije tijd des avonds hunne ouders, vrouw of verloofde bezoeken, soms zelfs nog een handje meehelpen in het bedrijf of in de huishoudelijke verrichtingen, wat weleens, bij geval van ziekte of bij geringe inkomsten, hard nodig is.

Wij dringen er dan ook nogmaals ten zeerste bij de Minister op aan — wat bovendien voor de goede geest in het leger al zeer bevorderlijk zal zijn —, de mUitairen in de naaste omgeving van hun woonplaats in garnizoen te plaatsen, ook al omdat dit uit moreel oogpunt zijn goede zijde heeft.

In verband hiermede bepleiten wij ten kractitigste, dat aan de miUtairen in het algemeen en aan de mihtairen in het bijzonder, die de eerste acht weken van hun diensttijd vervullen, meer gelegenheid geboden zal worden om des Maandagsmorgens met de eerste reisgelegenheid naar hun garnizoen terug te kunnen keren. Dit zou steUig door vrijwel alle militairen op hoge prijs worden gesteld, ook door degenen, die er geen bezwaar tegen hebben om op des Heeren dag te reizen, doch, gelijk uit de aard der zaak wel heel duidelijk is, het meest door hen, die op Gods dag Gods gebod niet willen overtreden.

Nu zijn er korpscommandanten, die wij van deze plaats gaarne een woord van zeer erkentelijke hulde brengen, die de gewetensbezwaarden zeer ter wille zijn en toestaan, dat deze mihtairen des Maandagsmorgens naar hun garnizoen terugkeren, doch er zijn ook anderen, die dit pertinent weigeren.

Ons zijn gevallen bekend, dat er gewetensbezwaarden zijn, die des Maandagsmorgens om vier uur op willen staan, zich per auto naar het naaste station willen laten brengen en dan per trein naar hun garnizoen zullen reizen, maar wie zulks door hun korpscommandant wordt geweigerd, omdat zij niet toestaan, dat deze militairen zegge een kwartier of een halfuur na de aanvang van de dienst in hun kazerne aankomen.

Wij kunnen de gedragslijn dezer corpscommandanten onmogelijk goedkeuren. Als motief voor zulk een weigering gelden gewoonlijk de dienstbelangen Het wü er bij ons niet in - en niet alleen bij ons niet, maar ook bij tal van hooggeplaatste militairen niet -, dat hiermede de dienstbelangen geschaad worden. In tal van gevallen zou de dienst des Maandagsmorgens geredelijk iets later kunnen beginnen en iets later kunnen eindigen, waardoor men voor veel militairen de diensttijd zeer zou veraangenamen. Het goede moreel on­ eerste plaats een zaak van uitnemend gewicht. Bovendien zou daardoor worden bewerkt, dat Gods gebod ten aanzien van Zijn dag meer geëerbiedigd werd, waarop Gods zegen te wachten zou zijn, wat ook voor onze strijdkrachten wel van het hoogste belang is.

Wij doen nogmaals een zeer ernstig beroep op de Minister, dat hij de terugkeer naar de gamizoensplaats op Maandagmorgen mogelijk maakt. Dit behoeft de dienstbelangen niet te schaden, indien de militairen des Maandagsmorgens vroeg opstaan en zich per eerste reisgelegenheid naar hun militaire verblijfplaats begeven.

De reisgelegenheden zijn in Nederland thans wel van dien aard, dat men in betrekkelijk korte tijd de plaats der bestemming kan bereiken. Daar is nog te meer reden voor, omdat tal van militairen zich in gamizoensplaatsen bevinden, waar zij niet overeenkomstig hun godsdienstige gezindheid ter kerk kunnen gaan. Sommigen hunner verblijven de gehele Zondag als een soort van gevangenen in de kazerne; anderen gaan langs de straat slenteren, waarvan meestal niet veel goeds komt. Wat zou het tal van ouders, vrouwen en verloofden verblijden, wat ook zou het tal van militairen de dienstplicht veel aangenamer maken, indien de Minister ons en ons verzoek ter wille was! Ook al is er thans een nieuwe regeling getroffen, waarbij de afgerichte troepen bij de landmacht van Zaterdag 13 tot Maandag 24 uur om de veertien dagen met verlof kunnen gaan, nochtans is dit voor ons geen reden om ons pleidooi voor de terugkeer op Maandagmorgen naar de garnizoenen niet onverzwakt te handhaven, te meer, daar bij de nieuwe verlofregeling uitzonderingen zijn gemaakt ten aanzien van militairen bij de opleidingsdepots en voor de militairen betreffende de eerste acht weken van hun diensttijd. Tevens zouden wij gaarne nader door de minister worden ingelicht hoe het met de verlofsregeling aangaande de dag des Heeren bij de marine en bij de luchtmacht is gesteld.

Stellig is er wel iets mee gewonnen, dat bij de nieuwe verlofregeling aan het einde van iedere twee-maandelijkse een periode bewegingsvrijheid van vier aaneensluitende dagen wordt toegekend, binnen welke vier dagen een Zondag behoort te vallen. Wij zijn de Minister daar erkentelijk voor, maar zouden hem nog veel erkentelijker zijn, indien hij het door ons gedane verzoek zou willen inwilhgen en, zo niet, dat er dan aan hen, die gewetensbezwaren hebben om op de dag des Heeren te reizen, in een tijdperk van twee maanden om de veertien dagen driemaal bewegingsvrijheid werd verleend van Zaterdag tot Maandagavond en éénmaal van Zaterdag tot Maandagmorgen om dan met de vroegste gelegenheid terug te komen, hetgeen mogehjk zou maken, dat de gewetensbezwaarden ten minste éénmaal in de veertien dagen thuis zouden kunnen zijn.

Voorts wensen wij er met alle klem tegen op te komen, dat militairen, die in dienst komen, gedwongen worden om des Zondags naar de fotograaf te gaan, ten einde pasfoto's te laten maken, zoals onlangs in de legerplaats Ossendrecht is voorgekomen. Het moge al waar zijn, Antwoord opmerkt, dat de commandant tevoren met de geestelijke verzorgers deze aangelegenheid heeft besproken, die tegen het fotograferen geen bezwaar hebben gemaakt, dat er geen verzoeken van dienstplichtigen zijn ontvangen om vair het fotograferen op Zondag te worden vrijgesteld en dat er na afloop geen klachten zijn geuit, noch tegenover de commandant, noch tegenover de geestelijke verzorgers, nochtans dient zo iets op Gods dag niet plaats te vinden. Wij doen een beroep op de Minister, dat hij er zijn medewerking toe zal verlenen, dat zulks in het vervolg niet meer geschiedt.

In nauw verband hiennede spreken wij ons ernstig beklag er over uit, dat bij de oefeningen van Repulse troepenbewegingen op grote schaal des Zondags hebben plaats gevonden, waardoor Gods gebod geschonden is geworden. Wij hadden gehoopt, dat de Minister daar krachtiger tegen opgetreden zou zijn dan hij er tegen opgetreden is. De Minister heeft verklaard, dat hij er met aandrang op gewezen heeft, dat bij een groot deel van ons volk de wens bestaat, dat de Zondag bij de legenoefeningen geëerbiedigd zal worden. In weerwil van die aandrang is Gods gebod aangaande Gods dag ergerlijk geschonden, hetgeen er op wijst, dat de aandrang van de Minister feitelijk voor kennisgeving is aangenomen. Wij hadden billijkerwijs mogen verwachten, dat de Minister als man van Christelijk-h istorische beginselen, waar de Christelijk-historischen gedurig, vooral in de dagen van de verkiezingen, het „Er staat geschreven" poneren, dit in dezen ook geponeerd had. Het geldt hier toch een oeroud Christelijk beginsel. Reeds Constantijn de Grote verbood het leger, oefeningen op de dag des Heeren te houden. Het geldt ook voor deze Minister, dat hij Gode meer gehoorzaam dient te zijn dan mensen. Waar Gods gebod bij legeroefeningen geschonden is geworden, had de Minister deelneming van Nederlandse troepen aan deze oefening beslist moeten verbieden.

Hierbij aansluitend wensen wij een uitdrukkelijk beroep pp de minister te doen in verband » met het misbruiken van Gods naam, nl. het vloeken, dat bij de strijdkrachten maar al te veel voorkomt. Wij spreken onze voldoening er over uit, dat de Minister de chefs van staven nogmaals uitdrukkelijk heeft gewezen op de eis, krachtig op te treden tegen het vloeken in de krijgsmacht. Wij bepleiten, dat de Minister zijn volle aandacht er aan zal blijven schenken om het misbruik van Gods naam in de krijgsmacht tegen te gaan. Het misbruiken van Gods naam is toch een hoogst ernstige zonde. Daarbij komt, dat van een vloekend leger geen heil te verwachten is, omdat Gods toom daarop rust.

Mijnheer de Voorzitter! Ons thans beperkende tot een ander onderwerp, wil ik iets in het midden brengen ten aanzien van de loodsen. Uit zeer betrouwbare bron is ons medegedeeld, dat er onder de loodsen een grote ontevredenheid bestaat over de arbeidstijden, alsook over het feit, dat zij op Zondag te weinig vrij zijn. Volgens bij ons ingekomen berichten zijn verleden jaar in Hoek van Holland zes loodsen door oververmoeidheid in elkaar gezakt.

Wat de salariëring betreft: deze is in vergelijking met het buitenland, met na- me Engeland, wel zeer laag. Het werk der loodsen is volstrekt niet zonder gevaar en hoogst verantwoordelijk. Een geringe botsing kan enorme schade veroorzaken, zodat het alleszins billijk is, dat deze mensen geen te lange diensttijd hebben, dat zij een behoorlijk salaris ontvangen en dat hun diensttijden zo zijn, dat zij 's Zondags ter kerke kunnen gaan, hetgeen ook al door oververmoeidheid thans menigmaal niet het geval is.

Nu heeft de Minister in de Memorie van Antwoord verklaard, dat wanneer het loodsenkorps zeer binnenkort op sterkte zal zijn, een verdere verbetering van de arbeidsvoorwaarden het gevolg zal zijn. Wij staan voor, dat deze verbetering bepaald afdoende ook ten aanzien van het salaris zal zijn, zodat de vele grieven daardoor zullen worden weggenomen, te meer, daar de Minister zelf heeft verklaard, dat de dienst van de zee-en rivierloodsen in de laatste jaren zwaar is geweest.

Ook de belangen van de lichtwachters op onze kust bevelen wij bij de Minister ten zeerste aan, omdat ook bij hen soortgelijke grieven bestaan als bij de loodsen. Wegens hun lange diensttijden kunnen ook aj heel slecht ter kerke gaan.

Voorts breken wij er bij de Minister een lans voor, dat de onderofficieren, difi getoond hebben daarvoor geschikt te zijn, tot officier of tot een nog hogere rang worden bevorderd. Dit was onder meer in het leger van Napoleon het geval, waar gewone onderofficieren tot de hoogste rang zijn opgeklommen. Dezen hebben in die rangen zelfs uitgemunt en hebben dat leger grote diensten bewezen. Dit zou er stellig aan medewerken, dat het gebrek aan luitetuints en onderofficieren werd verholpen. Ook zou het verlenen van een goede huisvesting aan de gehuwde beroepsmilitairen, ook aan sergeants, daartoe beslist medew, erken. Het is een hoogst ongewenste toestand, dat gehuwde beroepsmilitairen thans vaak gescheiden van hun gezinnen moeten leven. Ook geldt dit voor jonggehuwden, die tot dusverre niet op voorrangslijsten van woningzoekenden zijn geplaatst, maar die op de gewone wijze, via de burgerlijke instanties een woning zoeken te verkrijgen.

Hierbij is het gewis van belang, dat de beroepsmilitairen geen woning wordt toegewezen, welke boven hun financiële draagkracht gaat, gelijk ook al is geschied, dat de mensen aan de • hun toegewezen woning niets hebben, dewijl zij de gevraagde huur niet konden betalen. Het is toch wel dringend nodig, dat in een goede huisvesting voor de beroepsmilitairen wordt voorzien, ook al omdat, gelijk de Minister in de Memorie van Antwoord meedeelt, er thans niet minder dan 8195 beroepsmilitairen gescheiden van hun gezin leven. De Minister stelle alles in het werk om aan deze zo hoogst ongewenste toestand zo spoedig mogelijk een einde te maken. Hij bevordere om zoveel mogelijk woningen voor de beroepsmilitairen te verkrijgen, ook door de bouw van nieuwe woningen, en dat op zulk een wijze, dat de beroepsmilitairen tussen de overige burgers komen te wonen. Deze militairen zouden zulks op bijzonder hoge prijs stellen, daar zij er sterk tegen gekant zijn, dat zij na afloop van hun diensttijd in een ander soort van kazerne terechtkomen.

Verder bepleiten wdj bij de Minister, dat tegemoetkomingen in uürustingskosten worden verstrekt en dit op de grondslag, zoals bij de Rijks-en gemeentepolitie is bepaald, in de vorm van een jaarlijks terugkerende tegemoetkoming. Zo ook zagen korporaals, die niet tot sergeant worden bevorderd, zich gaarne een tweede tegemoetkoming toegekend in zake kleding en uitrusting, alsmede, dat zij een afzonderlijke slaapen eetgelegenheid bekomen, hetgeen met het oog op de handhaving van het gezag stellig wel wenselijk is. Wat de slaapgelegenheden der militairen in het algemeen aangaat, daarover wordt geklaagd, dat zij te klein zijn, zodat men nu met 30 man in een slaapzaal moet liggen, waar vroeger 20 man sliepen. Ook moet het niet voorkomen, dat in de herfst de manschappen des nachts in tenten moeten slapen.

Wat de mobilisatieslachtoffers 1914—1918 betreft — wij kunnen daarop om des tijds wille niet nader ingaan —, sluiten wij ons aan bij die leden, die op esii betere regeling te dezer zake hebben aangedrongen.

Voorts, Mijnheer de Voorzitter, een enkel woord over een geval, waarbij een militair bij een oefening met gas, waarbij extra-onverantwoordelijk gehandeld is, invalide is geword^'n. Ik heb het geval de Minister reeds bekendgemaakt en een voorloprg antwoord gekregen, maar het definitieve antwoord, dat de Mtaister mij heeft, toegezegd, heb iK nog steeds niet ontvangen, hoewel hec reeds geruime tijd geleden werd toegezegd. Ik zou met de Minister nog gaarne over dit geval een nader onderhoud willen hebben, daar ik de vorige week nog opnieuw aangaande dit geval ben ingelicht.

Vervolgens, Mijnheer de V< 'Orzitter, beifelen wij de belangen van het voormalige K.N.I.L.-personeel bij de Minister ten zeerste aan, daar er onder hen zeer zeker zijn, die in uiterst zorgvolle financiële omstandigheden verkeren. Deze mensen dienen nodig, en liefst op korte termijn, geholpen te worden. Ook bepleiten wij ten sterkste bij de Minister, dat bij ambtsjubilea aan militairen dezelfde handelingen ten deel valt, welke bij het burgerlijk personeel gebruikelijk is. Tevens achten wij het alleszins billijk, dat een behoorlijke kostwinnersvergoeding wordt verschaft, daar vele gezinnen door het ontberen van de inkomsten van de dienstplichtigen menigwerf in benarde omstandigheden verkeren.

Wat de gewezen sergeanten-capitulant betreft, die nog in müitaire dienst zijn, beschouwen wij het als billijk, dat deze verbintenis bij het beroepspersoneel geacht wordt te zijn ingegaan op een datum, liggende vóór 15 Juli 1940. Moge de Minister daaraan zijn volle medewerking verlenen.

Voorts bepleiten wij bij de Minister, dat grotere steun aan Protestants-Christelijke militaire tehuizen zal worden verleend; wij achten dat in het belang van het leger uiterst gewenst. Wat subsidie aan andere militaire tehuizen betreft, daartegen hebben wij krachtens onze beginselen bezwaar.

Voorts bevordere de Minister, dat gelegenheid geboden zal worden aan de militairen om tijdens hun diensttijd hun studie bij te houden en zich in hun vak te bekwamen.

Ook achten wij het van belang, dat bij het huidige cafetaria-systeem het voorschrift tot het inachtnemen van enige ogenblikken stilte voor en na de maaltij­ den strikt nageleefd zal worden, opdat gelegenheid zal worden geboden tot gebed en dankzegging. Nogmaals verzoeken wij de minister, dat onderofficieren bij de verpleging. niet achtergesteld zullen worden bij de vrouwelijke verplegenden en apothekersassistenten, wat wel zeer onbOlijk is, daar de onderofficieren dezelfde be­ voegdheid bezitten. De Minister bevordere het, dat deze achterstelling wordt opgeheven. Tenslotte achten wij het, wat ook voor onze krijgsmacht van belang is, van grote betekenis, dat op alle scholen de vaderlandsliefde wordt aangekweekt, waaraan thans aogal het één en ander ontbreekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1953

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Oorlog en Marine

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1953

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken