Bekijk het origineel

Uit het eigen land

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het eigen land

5 minuten leestijd

De terugkeer van de militairen naar de garnizoenen

In de laatste tijd hebben ons onderscheidene brieven bereikt, waarin de vraag gesteld werd, of er niets aan te doen is, dat de militairen des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen zouden kunnen terugkeren.

Uit deze vragen, en ook uit zo vele andere vragen, die in de loop der jaren over dezelfde aangelegenheid tot ons gericht zijn, bhjkt, dat deze aangelegenheid bij velen in ons land sterk de aandacht getrokken heeft en nog heeft. Dit is zeer wel te verstaan, want het geldt hier geen onbelangrijke zaak. De eerbiediging van Gods dag en Gods wet is hierbij nauw betrokken.

Bij het korte verlof, dat vele militairen hebben, zou het hun hoogst aangenaam zijn, indien zij des Maandagsmorgens met de eerste gelegenheid zich naar hun garnizoenen zouden kunnen begeven.

Mede zou dit van grote betekenis zijn, omdat, waar nu vele militairen zich des Zondagsavonds naar hun gai"nizoenen 'begeven, indien toegestaan werd, dat de militairen des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen konden terugkeren, veel ontheiliging van des Heeren dag en overtreding van Gods gebod voorkomen werd.

Bij voortduring is er dan ook door de S.G.P.-Kamerleden bij de achtereenvolgende ministers van Oorlog en Marine op aangedrongen, dat de militairen des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen zullen kunnen terugkeren.

Echter helaas immer tevergeefs. Ook in het najaar van 1954 is bij de behandeling van de begroting van Oorlog en Marine door Ds. Zandt weer bij vernieuwing er bij minister Staf op aangedrongen, dat de militairen zich des Maandagsmorgens naar hun kazernes zullen kunnen begeven. En ook toen weder, zoals nu al zo vele jaren tevoren, wilde de minister dit niet toestaan. Volgens zijn verklaring lieten de dienstbelangen dit niet toe. Dat is het argument, dat de minister, evenals ook de hem voorafgaande ministers, aanvoerde ter verdediging van zijn houding. Nu is ons door vele militairen, zelfs hooggeplaatste, verzekerd, dat de dienstbelangen dit zeer wel toelaten; hetgeen ook deze minister en de hem voorafgaande ministers door Ds. Zandt met nog zo veel meer, dat wij hier thans niet zullen gaan herhalen, dewijl het in de in „De Banier" afgedrukte redevoeringen van Ds. Zandt vermeld staat, is tegengevoerd. Doch dit alles mocht niet baten. D© minister bleef stokstijf op zijn standpunt staan. Hij verklaarde daarbij, dat het aan garnizoenscommandanten is overgelaten al dan niet toe te staan, dat de militairen des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen terugkeren.

Nu zijn er garnizoenscommandanten, die — wat zeer prijselijk is — de militairen, die gewetensbezwaren hebben om op Gods dag te reizen, toestaan, dat zij zich des Maandagsmorgens met de eerste reisgelegenheid naar hun garnizoenen begeven.

Er zijn ook garnizoenscommandanten, die, bi] wijze van spreken, de kat eerst uit de boom kijken, daar er in deze al geen geringe veinzerij is. Er zijn toch militairen, die voorgeven, dat zij gewetensbezwaren hebben om op des Heeren dag te reizen, die deze in werkelijkheid niet hebben, maar deze maar voorwenden om des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen te kunnen afreizen. Blijkt het nu aan deze commandanten, dat de gewetensbezwaren echt zijn, omdat de militairen des Zondags niet gereisd hebben, dan komen deze commandanten op hun aanvankelijke weigering tenig en staan de militairen, die wezenlijk gewetensbezwaren hebben om op Gods dag te reizen, toe, dat zij des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen terugkeren. Wie echter ook maar eenmaal des Zondags gereisd heeft, behoeft bij deze commandanten niet aan te komen met gewetensbezwaren. Deze krijgt bij zijn vragen, hoe hij ze ook in mag kleden, nul op het request.

Er zijn ook commandanten, die de militairen, die wezenlijk gewetensbezwaren om op Gods dag te reizen, hardnekkig weigeren om des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen te mogen terugkeren. Ons zijn gevallen bekend, dat deze militairen, wanneer zij des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen terugkeerden, en dan ook maar een kwartier te laat voor het bepaalde uur van terugkomst aankwamen, nochtans de terugkeer op Maandagmorgen door deze commandant geweigerd werd.

Het oude spreekwoord gaat in deze wel geheel op, dat het met onwülige honden slecht hazen vangen is. Zonder dat vwj nu enig mens, wie dan ook, met een hond te willen vergelijken, staat het nochtans voor ons vast, dat in deze van een kennelijke onwil alleszins sprake is.

Wij willen de bespreking van deze aangelegenheid besluiten met een raad te geven aan de ouders van de gewetensbezwaarde militairen, en wel deze, dat zij een verzoek tot de korpscommandanten richten, dat hun zonen des Maan­ dagsmorgens zullen kunnen terugkeren; en ook aan de militairen zelf, om in alles door een voorbeeldig gedrag te betonen, dat het bij hen waarlijk ernst is om zich naar Gods gebod te gedragen; en tevens besluiten met de verzekering, dat de Kamerleden van de S.G.P. bij leven en welzijn alles in het werk zullen stellen, dat het mogehjk wordt, dat de militairen des Maandagsmorgens naar hun garnizoenen zullen kunnen terugkeren, in de hoop, dat de minister tenslotte toch nog van standpunt zal veranderen.

Uitstel van dienst voor Onderwijzers

Ook ten aanzien van dit punt zijn tot ons in de laatste tijd vragen gericht. Wij achten het daarom wenselijk, het standpunt van de minister van Oorlog en Marine in deze aan onze lezers weer te geven in dit nummer van „De Banier".

De minister heeft verklaard, dat leerlingen van kweekscholen voor onderwijzers, die op het ogenbhk eindexamen doen of gedaan hebben, inderdaad zijn opgeroepen, omdat zij al één of meer jaar uitstel gekregen hebben tijdens hun studie. Hij betreurt het, dat bij het huidige onderwijzerstekort het onderwijs niet onmiddellijk over al de afgestudeerden kan beschikken, doch verklaarde daarbij tevens, dat het niet alleen om het belang van het onderwijs, maar ook om dat van een goede verdediging gaat.

Hij heeft enige maatregelen genomen, waardoor onder meer aan degenen, dié voor 1954—1955 uitstel hebben gekregen, ook voor 1955—1956 uitstel zal worden verleend. Het gaat hierbij om omstreeks 70 jonge onderwijzers, die vóór 15 September 1955 een onderwijsbetrekking bij een twee-of driemansschool hebben aanvaard. Dit uitstel geldt dan voor 1955-1956.

In andere gevallen zal een verzoek om uitstel alleen dan in gunstige overweging kunnen worden genomen, indien het vertrek van een onderwijzer werkelijk een noodtoestand zou kunnen verwekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1955

De Banier | 8 Pagina's

Uit het eigen land

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1955

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken