Bekijk het origineel

Begrotingen van Oorlog en Marine

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Begrotingen van Oorlog en Marine

28 minuten leestijd

T'WEEDE KAMER

Rede van Ir van Dis

De vorige week had in de Tweede Kamer de behandeling van de begrotingen van Oorlog en Marine plaats. Door een veertiental sprekers werd hierbij het woord gevoerd. Voor de fractie der S.G.P. werd dit gedaan door Ir. van Dis, wiens rede duidehjk genoeg is, zodat wij haar direct, zonder nadere toelichtmg, plaats kunnen geven. Ir. van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

Hoewel ook wij waardering kunnen hebben voor veel van wat door de Minister en de beide Staatssecretarissen in het afgelopen jaar op het gebied van 's Rijks defensie is tot stand gebracht, kunnen en mogen wij niet verhelen, dat er voor ons ook verscheidene punten in het defensiebeleid zijn, die onze instemming

allerminst

kunnen hebben, ja die ons en velen met ons met leedwezen vervullen. In het vervolg zullen wij deze punten nader bespreken. Het was ons er nu slechts om te doen, kenbaar te maken, dat de waardering, die in de aanhef van het Voorlopig Verslag aangaande het defensiebeleid wordt uitgesproken, voor wat ons betreft,

niet in alle opzichten

zo onverdeeld gunstig kan zijn als dit bij de overgrote meerderheid van de Kamer het geval blijkt te zijn. Wij heb- ben hierbij geenszins het oog op de verdediging van ons land op zich zelf, gelijk er in ons land zijn, die daarvan besliste tegenstanders zijn. Integendeel, wij achten een goede defensie beslist noodzakelijk, ja, een ons van

Godswege opgelegde plicht.

Ook hebben wij ons nimmer verzet tegen een bondgenootschappelijke overeenkomst en een gezamenlijk optrekken met andere volkeren, gelijk dit in N.A.V.O.verband plaats heeft. Wij hebben zulk een samenwerking met het oog op een steeds dreigend oorlogsgevaar zelfs dringend noodzakelijk geacht. Wij staan dus voor wat de verdediging van ons land tegen een buitenlandse indringer betreft, geheel achter de Minister, gelijk wij in het verleden ten deze ons steeds

achter de Regering

gesteld hebben. Reeds vóór de laatste wereldoorlog, in de tijd toen de socialistische en vrijzinnig-democratische leden dezer Kamer, jaar in jaar uit tegen de Oorlogsbegroting stemden en er van hun partijgenoten triomfantelijk met een gebroken geweertje op hun borst rondliepen, bouwend en vertrouwend op de

riel'staven

Volkenbond en ontwapeningsconferentie, hebben wij de Regering met woord en daad gesteund door enerzijds de noodzakelijkheid van een goede weermacht voor te staan en anderzijds door middel van onze s'tem de Regering aan de benodigde gelden te helpen. Wij hebben dit evenzeer na de bevrijding gedaan, ook toen de sterke oorlogstoerusting van Rusland noopte tot een verhoogde defensie-inspanning, die voor de jaren 1951 tot en met 1954 op 1500 miljoen gulden per jaar was bepaald en voor de jaren 1955 tot en met 1957 op 1350 miljoen. Dit zijn voorwaar enorme bedragen, die van ons volk

zeer grote offers

vragen. Zij houden toch niet minder in, dan dat 20.4 pet. van de totale begroting alleen voor de uitgaven ten behoeve van de defensie bestemd zijn. De begroting van Oorlog en Marine staan ten deze dan ook aan de top.

Zij verslinden van alle Departementen het grootste percentage. Gezien het feit, dat ons volk deze buitengewoon hoge lasten in de vorm van belastingen moet opbrengen, is het van het allergrootste belang, dat deze gelden op doelmatige vwjze worden besteed en tevens, dat daarbij de

grootste zuinigheid

wordt betracht. Hiermede v/illen wij allerminst zeggen, dat er op het aanschaffen of vernieuwen van materiaal zodanig moet bezuinigd worden, dat daaronder de bruikbaarheid en de deugdelijkheid lijden. Zulk een zuinigheid zou de vvdjsheid bedriegen en is door ons dan ook nooit bepleit. Integendeel, wij hebben er steeds op aangedrongen, dat de uitrusting en de bewapening van onze weermacht, zowel die van de landmacht als van de zeemacht alsook die van de luchtmacht aan alle eisen, die daaraan in onze tijd gesteld worden, zuUen voldoen. Het mag mensehjkerwijs gesproken niet meer voorkomen, gelijk dat bij het uitbreken van de laatste wereldoorlog het geval was, dat onze mannen met

totaal verouderde wapens

tegen een modem bewapende vijand moeten optrekken.

Wanneer wij dan nochtans tot een zuinig beheer aansporen, hebben vnj daar­ bij het oog hierop, dat er geen roekeloze inkopen zullen worden gedaan van materialen, die niet of niet geheel aan het doel bUjken te beantwoorden. Bij iedere aankoop zal dus terdege behoren te worden nagegaan of deze verantwoord is. Dit is wel zeer duidelijk weer gebleken uit het verloop met het aanschaffen van raketten. In de Memorie van Toelichting verklaarde de Minister, dat door hem besloten was om, hoewel het bereik van de

Zwitserse raketten

niet in alle opzichten bevredigend is, één eenheid er van aan te schaffen, aangezien deze in ieder geval geschikt zou zijn om te dienen voor opleiding van instructief kader en het technisch personeel voor de toekomstige raketeenheden. In de Memorie van Antwoord deelt de Minister echter mede, dat na het bekomen van zeer belangrijke inlichtingen van de Engelse Minister van Oorlog, daarin aanleiding heeft gevonden, de aangekondigde aankoop van één eenheid Zwitserse raketten in beraad te houden. Voorts verstaan wij onder een zuinig beheer onder meer ook, dat er bij het gebruik van krijgsmaterieel naar een

zorgvuldige behandeling

daarvan zal worden gestreefd. Afgaande op ons vers'trekte inlichtingen schijnt het namelijk, dat dit nog al te wensen overlaat, doordat er menigmaal ruw mee wordt omgesprongen, waardoor veel shjtage ontstaat en het materiaal veel te lijden heeft, zodat het al spoedig onbruikbaar wordt of zich gebreken gaan voordoen, die bij een zorgvuldig gebruik eerst later zouden optreden. Zulk een roekeloos gebruik van het krijgsmaterieel zal de kosten van vervanging wegens slijtage aanmerkelijk doen stijgen. Sprekende over de

kosten van vervanging,

Mijnheer de Voorzitter, heeft het ons t'n zeerste getroffen, dat deze kosten en de onderhoudskosten nog meer zullen vragen dan in het 3-jarenplan voor de opbouw werd voorzien. Ook wat de militaire kasuitgaven betreft, valt er een aanmerkelijke stijging te constateren. Beliepen deze in het eerste halfjaar 1954 722 miljoen, in het overeenkomstige tijdvak van 1955 stegen zij tot 877 miljoen. Het wil ons voorkomen, dat dit voor een belangrijk deel zijn oorzaak mede vindt in het

sterk gestegen

aantal burgerlijke ambtenaren bij de Departementen van Oorlog en Marine. Bedroeg dit aantal in 1954:9449, voor 1956 is het gestegen tot 20.610, alzo in twee jaar tijd een stijging van meer dan 100 pet. Ook al neemt men in aanmerking, dat in deze stijging een aantal personen begrepen is, dat van arbeidscontractant in vaste dienst is overgegaan, dan is de stijging in twee jaar tijd toch nog altijd zeer belangrijk. Dat er

burgerlijk personeel

nodig is, wordt door ons allerminst ontkend. De Memorie van Toelichting geeft een opsomming van de taken, die door dit burgerlijk personeel worden verricht, welke de noodzakelijkheid van het burgerlijk personeel alleszins aannemeUjk maakt. Onze bedenking gaat dan ook niet, gelijk reeds is opgemerkt, tegen het feit, dat er burgerlijk personeel bij de Departementen van Oorlog en Marine in dienst is, doch tegen het zoeven genoemde feit, dat dit aantal in twee jaren tijd zó sterk gestegen is, dat er thans in totaal 34.064 burgerhjke ambtenaren bij genoemde Departementen werkzaam zijn, wat neerkomt op twee divisies tegenover slechts één parate militaire divisie.

Mijnheer de Voorzitter! Wat voorts de verdediging van ons land aangaat, zijn wij van oordeel, dat daarin

geen verslapping

mag optreden. Dit behoorde niet te geschieden, toen er, zoals de Minister in de Memorie van Toelichting heeft opgemerkt, een zekere verbetering in de houding der Sovjetregering tegenover het Westen viel te constateren — een verbetering, die wij immer als een schijnbare verbetering hebben gezien — dit behoort zeker niet te geschieden na de onlangs te Geneve opgedane ervaringen, waaruit wel zonneklaar is komen vast te staan, dat er van een

wezenlijke ontspanning

tussen de Sovjet-Unie en de Westelijke wereld geen sprake is. Ook van ontwapeningsonderhandelingen hebben wij niet de minste verwachting. Het heeft ons dan ook niet verwonderd, dat het aanbod van president Eisenhower over de uitwisseling van militaire gegevens en het maken van luchtfoto's boven elkaars grondgebied — een aanbod, dat velen zich heeft doen afvragen, of de president daarmede niet veel te ver gegaan is — van Russische zijde is afgewezen.

Gezien het feit, dat Rusland steeds doorgaat met het

versterken van al zijn slrijdkrachten,

wat wel met name geldt voor de versterking van zijn vloot, en de beschikking heeft over atoom-en waterstofbom, dringt de nood de Westelijke landen, zich tegen een eventuele agressie uit het Oosten te bewapenen.

Wij zijn daarbij met de Minister van oordeel, dat Nederland zijn in gemeen overleg in de N.A.V.O. aanvaarde bijdragen aan de defensie-inspanning vooralsnog onverkort behoort te handhaven. Daarbij moet echter vaststaan, dat ook de andere N.A.V.O.-landen dit zullen doen.

In het Voorlopig Verslag is hieromtrent echter enige

ongerustheid

uitgesproken, daar enkele N.A.V.O.landen, blijkens persberichten, maa'tregelen beraamd of reeds getroffen hebben, welke vermindering van hun contingent en vermindering van de diensttijd ten doel hebben. De Minister heeft hierop in de Memorie van Antwoord geantwoord, doch heeft daarbij alleen Engeland ter sprake gebracht. Volgens de Minister heeft de onlangs door de Engelse Regering aangekondigde geleidelijke vermindering van haar totale sterkte aan militair personeel onder de wapenen geen betrekking op de eenheden en het personeel, die voor de gezamenlijke verdediging bestemd zijn. Van

andere N.A.V.O.-landen

wordt te dezer zake in de Memorie van Antwoord niets vermeld, en evenmin gaat de Minister in op de in het Voorlopig Verslag gemaakte opmerking over het verkorten van de diensttijd door enkele N.A.V.O.-landen.

Wij zouden hieromtrent gaarne nadere inlichtingen van de Minister willen ontvangen, want als het juist is, dat andere N.A.V.O.-landen hun contingent zouden gaan verminderen en de diensttijd zouden gaan verkorten, dan behoeft ook Nederland onzes inziens niet langer zijn aangegane verplichting na te komen. Voorts is het een

zeer urgente vraag

of ons land zal kunnen blijven voortgaan met het leveren van de toegezegde

bijdrage, die van ons volk zulke grote offers vergt. Deze vraag zou nog te dringender klemmen, indien de conjunctuur zou omslaan, wat geenszins denkbeeldig is. Wanneer bijvoorbeeld onze export door het buitenland eens bemoeilijkt zou worden — gehjk dit onlangs door de Regering van West-Duitsland ten aanzien van de invoer van Nederlands vee is gedaan — dan zou dit een

niet geringe omslag

in de conjunctuur veroorzaken.

Mijnheer de Voorzitter! In het Voorlopig Verslag wordt voorts de aandacht gevestigd op het tekort aan officieren, zulks naar aanleiding van een mededeling in de Memorie van Toelichting, dat de aanvulling van dit tekort een ernstig probleem is. Met betrekking tot deze op. merking wensen wij ook thans — gelijk wij dit bij vorige begrotingen gedaan hebben — bij de Minister te bepleiten, dat

beroepsonderofficieren,

die op grond van hun toewijding aan de militaire dienst, hun leidersg& ven, hun karakter, hun ontwikkeling en hun intelligentie daarvoor in aanmerking komen, de gelegenheid zullen krijgen een opleiding tot beroepsofficier te volgen. Dit zou heel goed kunnen geschieden door middel van een opleiding, zoals die vroeger

te Kampen

werd gegeven. Uit de leerlingen van bedoelde hoofdcursus te Kampen zijn toch meermalen hooggeplaatste militairen voortgekomen.

Overgaande tot een volgend onderwerp, wensen wij ons thans te bepalen tot de verdediging van de Rijksdelen over zee en te verklaren, dat wij van oordeel zijn, dat ook deze

Rijksdelen

met alle ten dienste staande middelen tegen een aanvaller behoren te worden verdedigd. Hierbij rekenen wij dus ook Nieuw-Guiaea. Te dien aanzien hebben wij met instemming uit de Memorie van Antwoord vernomen, dat de Minister — hoewel het landsbelang hem niet toestaat ten deze nadere bijzonderheden omtrent de aldaar beschikbare strijdkrachten aan de Kamer te verstrekken — de verzekering kan geven, dat de defensie van de overzeese Rijksdelen en in het bijzonder die van

Nederlands Nieuw-Guinea

zijn voortdurende en volle aandacht heeft. Zulks achten wij ook beslist noodzakelijk. De Minister zal op alle eventualiteiten voorbereid moeten zijn, daar het gevaar van overrompeling van Nederlands Nieuw-Guinea door Indonesië, gelijk dit uit de laatste redevoeringen van Soekamo wel zeer duidelijk is gelileken, nog steeds urgent is. Nieuw-Guinea zal daarom in staat van weerbaarheid dienen te worden gebracht en gehouden. Daarbij zal de marine in verband met de lange kustlijn en ook de luchtmacht een belangrijke taak te vervullen hebben, opdat het

infiltranten

onmogelijk zal worden gemaakt, het binnenland binnen te dringen om daar met allerlei middelen de bevolking tegen het Nederlands bestuur op te zetten en zich zelfs, indien mogelijk, van het bestuur meester te maken. Ook de Papoea's zelf zullen bij de verdediging behoren te worden ingeschakeld, en wel diegenen onder hen, waarvan vaststaat, dat zij niet onder Indonesisch bes'tuur wensen te staan, gelijk bij het merendeel van hen het geval blijkt te zijn. Voorts is het onzes inziens zeer aan te bevelen om voor de verdediging van Nieuw-Guinea de oud-militairen van het voormalige

Koninklijk Leger Nederlandsch-Indisch

in te zetten, terwijl wij er ook sterk voor zijn om de hier te lande verblijvende

Ambonezen

naar Nieuw-Guinea over te brengen en ze aan de verdediging van dit overzeese gebiedsdeel te doen deelnemen. En dit te meer, omdat zij reeds herhaaldelijk te kennen gegeven hebben, dat zij zulks wensen, want ook ten deze behoort generlei dwang te worden toegepast.

Mijnheer de Voorzitter! Wij wensen thans over te gaan tot het behandelen van de pimten, waarop wij in de aanhef onzer rede doelden. Zij hebben betrekking op de onderwerpen, die wij hier reeds meerdere malen ter sprake gebracht hebben, maar waarvoor wij

om des beginsels wil

en ook, omdat ons ten aanzien van dit onderwerp voortdurend vragen gesteld worden, ons verplicht achten daarvoor opnieuw de aandacht van de Minister te vragen. Wij hebben hier allereerst het oog op de eerbiediging van de

dag des Heeren.

Zoals wij reeds opmerkten, beireiken ons herhaaldelijk klachten, dat militairen, die des Zaterdags met verlof gaan, des Zondagsavonds naar hun garnizoen moeten terugkeren om 's Maandagsmorgens op het appèl te kunnen zijn of, indien zij dit om principiële, godsdienstige reden niet willen doen, dan niet met verlof kimnen gaan, zodat zij dan pas oni de drie weken of, zoals ons in het laatst van 1954 door een drietal militairen bericht werd, slechts

eenmaal per maand

hun ouders kunnen bezoeken. Dit is niet alleen voor de militairen zelf, doch ook voor de ouders en andere betrekkingen uiterst onaangenaam. En bepaald grievend is dit voor hen en hun ouders, wanneer zij zien, dat

rooms-katholieke militairen

op 15 Augustus en ook op 1 November de gehele dag verlof krijgen. Dan wordt dit deze militairen niet geweigerd op grond van dienstbelangen, doch worden de dienstbelangen voor hen op zij gezet. Geheel ten rechte werd dan ook door de vader van een militair in een schrijveii aan ons opgemerkt, dat ten deze

met twee maten

gemeten wordt. Zijn zoon was op 20 Augustus 1.1. al in geen 3 weken thuis geweest en, terwijl de r.-k. militairen op Maandag 15 Augustus verlof hadden, werd het zijn zoon en andere militairen niet vergund om op die Maandag naar de kazerne te 's-Hertogenbosch terug te keren.

Deze militair schreef dienaangaande:

„Maandag 1.1. was er een rooms-katholieke feestdag. De rooms-katholieken mochten die Maandag thuisblijven, maar wij mochten toch niet naar huis om op Maandagmorgen terug te keren. Wij hebben heel de dag niets gedaan, 's morgens om negen uur was het eerste appèl pas. Dan had ik al • weer in de kazerne kunnen zijn".

Een andere vader, wiens zoon bij het garnizoen te Ede is ingedeeld, schreef ons kortgeleden:

„Mijn zoon, die momenteel ook in militaire dienst is, krijgt geen toestemming om zelfs om de 14 dagen tot Maandagochtend weg te blijven. Hij zou reeds met een bus, die arbeiders vervoert, mee kunnen rijden naar Rotterdam en dan om circa 7 uur in Ede kunnen zijn. Dit mag ook niet, want dan krijgt hij meer verlof dan de andere manschappen. Het heet daar: gelijke soldaten, gelijke veldmutsen, maar de rooms-katholieke militairen krijgen met Allerheiligen wel verlof. De spoorkaartjes hadden zij reeds Zaterdag 1.1. daarvoor in hun bezit".

Tot zover de passage uit de brief van deze vader, die, gelijk ons bekend is,

beslist principiële godsdienstige bezwaren

heeft tegen het reizen op Zondag, evenals zijn zoon die heeft. Uit deze en de vorige door ons vermelde passages blijkt wel overduidelijk, dat het door ons geenszins overdreven is voorgesteld, als wij opmerkten, dat het als uiterst grievend wordt aangevoeld, dat roomska'fcholieke militairen

hele dagen verlof

krijgen, en wel op dagen, die niet alleen ver beneden de door God Zelf ingestelde rustdag staan, maar zelfs ook geen algemeen erkende christelijke feestdagen zijn.

Het antwoord, dat de Minister in de Memorie van Antwoord gegeven heeft op de hem in het Voorlopig Verslag gestelde vraag om de militairen toe te staan, dat zij des Maandagsmorgens met de eerste gelegenheid in hun garnizoen mogen terugkeren, ook al komen zij dan na het appèl, is dan ook wel

uitermate teleurstellend.

De Minister toch verklaart:

„De ondergetekende is niet bereid verdere uitbreiding te geven aan de bestaande mogelijkheden om des Maandags van verlof of bewegingsvrijheid terug te keren. Reeds thans wordt in vele gevallen gelegenheid gegeven des Maandags per eerste reisgelegenheid terug te keren (voor de parate troepen 1 maal per 14 dagen), terwijl overigens de militairen eveneens gelegenheid hebben des Maandags terug te keren doch dan bij de aanvang van de dienst aanwezig moeten zijn".

Mijnheer de Voorzitter! Dit antwoord van deze Minister van christelijk-historischen huize valt ons en de belanghebbenden — wij herhalen het —

geducht tegen.

Het houdt toch in, dat de Minister ons verzoek andermaal afwijst. Is dit voor de militairen, die geen principiële, godsdienstige" bezwaren om op Zondag te reizen hebben, al zeer onaangenaam, daar ook zij het zeer op prijs zouden stellen, als zij des Maandagsmorgens naar hun garnizoen of kazerne zouden kunnen terugkeren, voor hen, die deze bezwaren wel hebben, is deze afwijzing wel

bijzonder onaangenaam.

Het komt er toch op neer, dat deze militairen, die niet krachtens een menselijk maar krachtens een goddelijk gebod des Zondags niet kunnen en niet willen reizen, niet met verlof kunnen gaan en alzo gedurende weken hun ouders niet kunnen bezoeken. Ten deze zijn zij geheel afhankelijk van hun commandanten, onder wie er zijn, en dit wensen wij met alle waardering te vermelden, die aan deze militairen verlof geven om des Maandagsmorgens per eerste gelegenheid terug te keren, maar onder wie er ook zijn, die dit

pertinent weigeren.

Deze afwijzende houding van de Minister vervult dan ook niet alleen ons met groot leedwezen, doch ook de ouders der betrokken militairen en de

kerkeraden

van de kerken of gemeenten, waartoe deze müitairen behoren. Behalve toch, dat deze nog jeugdige militairen daardoor verscheidene weken van het gezin, waartoe zij behoren, geïsoleerd worden, zijn zij bovendien veelal verstoken van het bezoeken van godsdienstoefeningen overeenkomstig de overtuiging van hen zelf of van

hun ouders.

Het kan de Minister uit verzoekschriften, van kerkelijke zijde tot hem gericht, zeer goed bekend zijn, dat zijn afwijzende houding op dit punt onder ons volk grote ontstemming heeft verwekt en nog verwekt. In dit verband wensen wij hier een \^'oord van grote v/aardering uit te spreken voor het kloeke .getuigenis van de

Nationale Christen Onderofficiers Vereniging,

vertolkt in haar memorandum van 15 December 1954.

Hierin wordt eveneens met klem en nadruk ertegen opgekomen, dat het militairen niet vergund wordt des Maandagsmorgens naar him garnizoen of kazernes terug te keren, terwijl dit volgens het memorandum

zeer wel mogelijk

zou zijn zonder aan de eigenlijke opleiding der dienstplichtigen afbreuk te doen.

Evenzo wordt in het memorandum een lans ervoor gebroken, dat er een einde zal gemaakt worden aan het houden van

oefeningen in internationaal verband

op Gods dag. Ook hiertegen zijn wij reeds herhaaldelijk opgekomen, ons daarbij naast Gods wet onder meer beroepende op de eerste christenkeizer Constantijn de Grote, die het houden van legeroefeningen op de dag des Heeren nadrukkelijk verbood. In het Voorlopig Verslag, behorend bij deze begroting, is

andermaal

bij de Minister bepleit te willen bevorderen, dat er geen oefeningen op Zondag in internationaal verband meer zullen plaatshebben. De Minister heeft daarop echter een antwoord gegeven, dat ons allerminst bevredigen kan. Zijne Excellentie beroept zich namelijk op de omstandigheden in Engeland, welke met zich brengen, dat bijv. de reservevliegers en de reserveparachutisten uitsluitend gedurende het weekeinde voor oefeningen beschikbaar zijn. Hierbij wordt alzo het

Goddelijk gebod

geheel ter zijde gesteld. Daarmee wordt in het geheel geen rekening gehouden, het wordt volkomen ondergeschikt gemaakt aan de menselijke belangen. Van zulk een standpunt, Mijnheer de Voorzitter, kunnen wij niet anders verklaren dan dat het ons met de Christen Onderofficieren Vereniging blijkens haar memorandum met droefheid vervult. Als de Engelsen menen

Gods wet

krachteloos te mogen maken, dan mag Nederland dit nog niet. Wij achten het dan ook dure plicht der Overheid om in het vei-volg medewerking aan internationale oefeningen op de dag des Hee­ ren met alle beslistheid te weigeren. Mijnheer de Voorzitter! Een ander onderwerp, waarover wij hier in de Kamer al meermalen gesproken hebben en niet kunnen nalaten thans weer te gaan spreken, betreft het

vloeken,

het ijdel gebruiken van Gods naam. Deze grote zonde mag de Overheid niet straffeloos toelaten, noch in de burgermaatschappij, noch in het leger. Om ons tot het leger te bepalen, zij vermeld, dat wij voortdurend klachten ontvangen, dat daarin Gods naam meermalen op de vreselijkste wijze misbruikt wordt. De Minister ontkent dit ook niet, In de Memorie van Antwoord merkt Zijne Excellentie hieromtrent op, dat ook hem' voortdurend klachten over het vloeken en het gebruik van onbehoorlijke taal bij de onderdelen der krijgsmacht bereiken. Desalniettemin blijven

krachtige maatregelen

tegen dit kwaad achterwege. Het kan niet anders of zulks moet uiterst nadelig werken voor het moreel en de geest in het leger. Menig militair heeft een sterke tegenzin tegen de militaire dienst, mede doordat hij voortdurend Gods naam hoort misbruiken. Het wil ons voorkomen, dat tegen dit

schrikkelijk kwaad

veel krachtiger kon worden opgetreden dan thans het geval is. En wat het bezigen van

onbehoorlijke taal

in de legeronderdelen betreft, zijn wij van oordeel, dat het gebruik daarvan in plaats van krachtig bestreden juist in geen geringe mate bevorderd wordt door degenen, die tot voorlichting der militaüen geroepen zijn. Zo zond ons een oud-Indië-militair, die voor herhalingsoefeningen moest opkomen, enige tijd geleden een blad

„De E.M.'er",

dat gratis onder de militairen wordt verspreid en geheel gratis door het leger bekostigd en geredigeerd wordt. Deze militair schreef ons, dat de inhoud van de nos. 1 tot en met 5 van dit geschrift reeds op een bedenkelijk peil stond, terwijl in het 6e nummer een zogenaamde mop voorkomt, die in strijd is met alle

christelijke levensstijl en bovendien de goede zeden onwaardig.

Vervolgens wijzen wij op het orgaan „Stella Maris", dat onder de redactie staat van een vlootaalmoezenier, dus — om in de taal der schriftelijke stukken te blijven — van een geestelijke verzorger. Ons werd een exemplaar van dit orgaan toegezonden, en wel no. 11 van de elfde jaargang, waarop degene, die het ons toezond, de volgende veelzeggende ontboezemingen schreef, namelijk:

„Schande; zie vuile inhoud; opvoeding bij onze Koninklijke? marine".

Wij zullen op al het fraais, dat er in staat, niet ingaan. Mijnheer de Voorzitter, doch volstaan met te verklaren, dat het in één woord

verbijsterend

is, dat r.-k. geestelijken de aan hun zorgen toevertrouwde militairen met zulke kost voeden. Als dit soort lectuur, dat zich zelf aandient als

„allemaal onzin",

tot de geestelijke verzorging gerekend wordt te behoren, dan is het hoognodig, dat er door de Minister eens ingegrepen en dergelijke soort lectuur, die niet anders dan uiterst verderfelijk

genoemd moet worden, voor de militairen verboden wordt. Wij kunnen dan ook allerminst instemmen met hetgeen de Minister aangaande de

geestelijke verzorging

in zijn Memorie van Antwoord opmerkt, wanneer hij daarin verklaart, dat dfl huidige gang van zaken ten aanzien van de geestelijke verzorging bij de militaire onderdelen alleszins bevredigend is. Ons kan deze gang van zaken

allerminst bevredigen,

gelijk wij het ook ten sterkste moeten afkeuren, wanneer een legerpredikant de gereformeerd-godsdienstige overtuiging van een müitair niet eerbiedigt en — gelijk wij dit verleden week in een kerkelijk blad lazen — een militair, die des Zondags niet wenste te reizen, toevoegt, dat hij zijn overtuiging maar

op zij

moest zetten. Wij achten het wel verregaand. Mijnheer de Voorzitter, dat een legerpredikant zich op zulk een wijze gedraagt. Van hem had toch veeleer verwacht mogen worden, dat hij, de overtuiging van deze militair eerbiedigend, alle moeite voor hem had gedaan, dat hij van de commandant verlof zou krijgen om op Maandagmorgen te mogen terugkeren.

Mijnheer de Voorzitter! Overgaande tot een volgend punt, wensen wij opnieuw te tepleiten, dat de Minister afstappe van het

cafetariasysteem,

hoewel de Minister in de Memorie van Antwoord het hem gedane verzoek om dit systeem uit te bannen, heeft afgewezen. Dit systeem is toch een sterke belemmering voor het gebed, enerzijds door de herrie, die er in de eetzaal heerst, en anderzijds doordat alles in een gejaagd tempo geschiedt. Zeer terecht wordt dienaangaande in het meergetnoemde

Memorandum

der Nationale Christen Onderofficieren Vereniging dan ook opgemerkt, dat de Overheid door de gelegenheid tot bidden en danken te belemmeren door de invoering van het cafetariasysteem, daarmede te kort doet aan de eisen, die voor een christelijk leven als norm gelden. Gezien de ernstige bezwaren, die tegen dit systeem bij de militairen, zowel lagere als hogere, bestaan, doen wij nogmaals een

ernstig beroep

op de Minister om met dit systeem niet voort te gaan en het, waar dit reeds is ingevoerd, te vervangen door een andere methode, waarbij het bestaande voorschrift tot het in acht nemen van enige ogenblikken stilte vóór en na de maaltijd strikt in acht genomen zal worden.

Mijnheer de Voorzitter. Thans wensen wij enkele opmerkingen te maken over de

koslwinnersvergoeding.

Meermalen toch ontvangen wij klachten van ouders, dat zij in moeilijke financiële omstandigheden zijn geraakt, daardat hmi zoons him dienstplicht moeten vervullen. Wel kregen zij kostwinnersvergoeding, doch deze bedroeg zo weinig, dat zij ten enenmale ontoereikend was om in de noden te voorzien. Het doet ons dan ook een groot genoegen — al hadden vdj liever gezien, dat de Minister zijn toezegging eerder van kracht had doen worden — dat door hem blijkens de Memorie van Antwoord is toegezegd, dat het in zijn voornemen ligt, voor het volgend jaar voor dit doel een bedrag van 10 miljoen beschikbaar te stellen, waardoor deze vergoeding alsdan van 14 pet. tot ongeveer 40 pet. zal stijgen.

Mijnheer de Voorzitter! Wij zouden vervolgens nog bij de Minister willen bepleiten, dat aan de

oudste zoon

van een groot gezin vrijstelling van militaire dienst werd verleend. In de Memorie van Antwoord is een des betreffend verzoek uit het Voorlopig Verslag wel afgewezen, doch het wil ons voorkomen, dat er alle reden voor is, dat de Minister op zijn besluit terugkomt, daar er zeer vele gevallen bestaan, waarin de oudste zoon zeer moeilijk kan worden gemist.

Voorts wensen wij bij de Minister voor te staan, dat het

overplaatsen van het beroepspersoneel,

dat nog immer veelvuldig voorkomt, sterk beperkt zal worden. Vooral bij de landmacht is het aantal overplaatsingen zeer groot, gelijk uit de Memorie van Antwoord blijkt, namelijk voor het eerste halfjaar 1955 in totaal 1927, waarvan 1034 alleen betreffende beroepsonderofficieren. Bij de luchtmacht zijn deze aantallen kleiner, maar in totaal toch ook nog 875.

Tevens achten wij het billijk, dat artikel 4 van het

Verplaatsingsbesluit

zodanig wordt gewijzigd, dat als jaarwedde niet in aanmerking wordt genomen de jaarwedde, welke de belanghebbenden vóór hun overplaatsing genoten, maar de jaarwedde op de dag van hun verhuizing, omdat er tussen de datum, waarop toestemming voor verhuizing is verleend, en de datum, waarop de verhuizing plaats heeft, vaak een geruime tijd ligt, waarin een bevordering heeft plaats gehad of een periodieke verhoging is toegekend. Bovendien achten wij het aan te bevelen, het bedrag der vaste vergoeding aan verplaatsingskosten van 5 tot 10 pet. te verhogen, daar vrijwel niemand met 5 pet. toekomt en de kosten, aan een verhuizing verbonden, gewoonlijk 10 pet. van het jaarlijks inkomen bedragen. Nu is het wel zo, dat in nagenoeg alle gevallen circa 10 pet. wordt toegekend, doch het zou beter zijn de vaste vergoeding op 10 pet. te stellen, daar hierdoor de administratie aanmerkelijk zou verminderen.

Vervolgens achten wij het alleszins billijk. Mijnheer de Voorzitter, wanneer voor hen, die als dienstplichtige of kortverbander bij het voormalige

K.N.I.L.

dan wel als schutterplichtige bij de troepenmacht in West-Indjë gediend hebben, deze diensttijd voor het toekennen van pensioen medetelt, indien zij geen verbintenis bij het voormalige K.N.I.L. gesloten hebben, doch dit later, na opheffing van het K.N.I.L., wel deden bij de Koninklijke landmacht. Dit wordt thans niet gedaan, doch wij zijn van gevoelen, dat, al moge dit formeel juist zijn, hiertegen gewichtige bedenkingen zijn in te brengen.

Uit de Memorie van Antwoord blijkt echter, dat deze zaak nog in onderzoek is en dat de Minister in dezen thans dus nog geen definitief antwoord kan geven. Wij volstaan derhalve met deze aangelegenheid ten zeerste in de aandacht van de Minister aan te bevelen en bij hem een zodanige beslissing te bepleiten, dat voor de hier bedoelde dienstplichtigen de in de tropen doorgebrachte diensttijd voor pensioen zal medetellen.

Daar de minister in zijn afwijzende houding ten aanzien van het toestaan aan de militairen om van hun verlof op Maan­dagmorgen te mogen terugkeren, bleef volharden, kwam Ir. van Dis op dit belangrijke onderwerp bij de replieken terug. Daar er slechts tien minuten voor repliek werden toegestaan, kon de heer van Dis op andere onderwerpen niet ingaan, daar hij ook nog twee sprekers van repliek moest dienen. Ook deze

Replêekrede

behoeft geen nadere toelichting. Wij kunnen ze dus zonder thans laten volgen.

Mijnheer de Voorzitter!

De 'beantwoording door de minister van de door mij te berde gebrachte onderwerpen heeft mij, en dit geldt wel in het bijzonder voor de principiële aangelegenheden, allerminst kunnen bevredigen. De minister heeft toch verklaard, dat hij betreffende het op Maandagmorgen mogen terugkeren niet verder wenst te gaan dan tot op heden het geval is. Dit betreft dus alle militairen, ook diegenen onder hen, die ernstige

godsdienstige bezwaren

tegen het reizen op "Zondag hebben en van hun commandant geen verlof bekomen om des Maandagsmorgens per eerste gelegenheid naar hun garnizoen of kazerne terug te keren.

Deze vernieuwde afwijzing zal de belanghebbende militairen en hun ouders, alsook hun kerkeraden, ongetwijfeld

met grote droefheid

vervullen. En dit te meer, omdat de minister, zoals uit zijn rede bleek, wel een beschikking htïeft uitgevaardigd, waarbij het mogelijk werd gemaakt, dat aan rooms-katholieke dienstplichtige miHtairen op specifiek rooms-katholieke feestdagen

bewegingsvrijheid

wordt verleend. Wij moeten dit beleid. Mijnheer de Voorzitter, met alle beslistheid afkeuren. Er blijkt toch uit, dat de minister, zij het niet met woorden, dan toch met de daad bewijst, dat de godsdienstige overtuiging der rooms-katholieke dienstplichtige militairen door hem wel, die der protestants christelijke dienstplichtige militairen

ten deze

niet ontzien wordt, dat hij bereid is aan die der eerstgenoemden tegemoet te komen, aan die der laatstgenoemden niet. Het gevolg van 's ministers afwijzende houding is, dat de bestaande toestand blijft bestaan, dat er dus militairen zijn, die van hun commandant

wel verlof

krijgen om des Maandagsmorgens terug te keren, tenvijl andere militairen dit verlof van hun commandant

niet

verkrijgen. Het is zeer begrijpelijk. Mijnheer de Voorzitter, dat dit voor laatstbedoelde militairen zeer schrijnend is, al misgunnen zij het de anderen niet. Daarom zouden wij alsnog op de minister een

beroep

willen doen en hem verzoeken te willen bevorderen, dat niet slechts enkele, doch dat alle commandanten verlof tot het terugkeren op Maandag zullen verlenen aan militairen, van wie blijkt, dat zij godsdienstige bezwaren hebben tegen het reizen op Zk> ndag, al gevoelen wij ons, om alle misverstand te voorkomen, verplicht met alle nadruk te verklaren, dat de inwilliging van dit verzoek ons nog allerminst zou voldoen, daar naar onze overtuiging — die tot onze grote voldoening voor vele militairen van onderscheidene kerkelijke richtingen wordt ge­ deeld, gelijk uit het principiële memorandum der Nationale Christen Onderoffieieren Vereniging wel zeer duidelijk aan hét licht gekomen is — alle mihtairen op Maandag zouden behoren te mogen terugkeren.

Enkele andere punten, Mijnheer de Voorzitter, zoals onder meer het

vloeken en de lectuurverspreiding

onder de, mihtairen, waarop de minister met geen woord is ing^aan, moet ik om des tijds wü verder laten rusten, evenals het cafetariasysteem, daar ik mij genoodzaakt zie mij te moeten verweren tegen hetgeen de geachte afgevaardigden, de heren Ritmeester en Blom, eergisteravond tegen mij hebben ingebracht.

Beiden hebben mij kwalijk genomen, wat door mij met betrekking tot de

socialisten en vrijzinnig-democraten

van vóór de oorlog is opgemerkt. Dit betreft niet mijn opmerking, dat deze beide groepen vóór de laatste wereldoorlog door middel van hun Kamerleden jaar in jaar uit tegen de oorlogsbegroting steraden. Dit te betwisten zou ook onmogelijk zijn, daar de Handelingen der Kamer ten deze de feiten onwedersprekehjk vermelden. De grieven van de heren Ritmeester en Blom waren dan ook voornamelijk gericht tegen mijn opmerking, dat in de voor-oorlogse tijd er onder de partijgenoten van de Kamerleden der S.D.A.P. en V.D.B, zijn geweest, die met een

gebroken geweertje

op hun borst rondliepen. Beide heren kwamen daar tegenop en ontkenden het pertinent. De heer Ritmeester, indien ik hem goed beluisterd heb, ten aanzien van de vrijziimig-democraten, de heer Blom bovendien ten aanzien van de soeiaal-democraten, hetgeen deze afgevaardigde voorts meende té kunnen ontzenuwen door er op te wijzen, dat het „gebroken geweertje" het symbool was der

anti-militairislen.

Dit laatste. Mijnheer de Voorzitter, wordt door mij geenszins betwist, maar het kan absoluut niet dienen om hetgeen door mij in mijn rede te dezer zake is opgemerkt te ontzenuwen. De anti-mUitairisten toch vormden geen eigen staatkundige partij. Zij vertoonden allerlei schakeringen. Er waren er, die er niet voor terugdeinsden om tot openlijk verzet tegen het gezag op te hitsen; er waren er ook, die gematigder, optraden, gelijk de

„Kerk en Vrede"-gi"oep

van prof. Heering, waartoe ook bijvoorbeeld de anti-mihtairist Fedde Schurer 'behoorde. Bij de anti-militairisten werden echter ook ingedeeld zij, die voor ons land eenzijdige nationale ontwapening voorstonden, omdat volgens hen onder meer het handhaven van een krijgsmacht practisch zonder nut zou zijn. Anti-militairisten werden dan ook in

onderscheidene partijen

aangetroffen, zelfs ook in de C.D.U., die in 1929 bij de Tweede Kamerverkiezing de zo even genoemde anti-militairistische heer Fedde Schurer als no. 1 op haar lijst in de kieskringen Assen, Groningen en Leeuwarden plaatste, hetgeen kon, omdat genoemdfe heer lid was der C.D.U., die nationale ontwapening voorstond. Het behoeft dus

allerminst

te verwonderen, dat er onder de socialisten en vrijzinnig-democraten van vóór de oorlog geweest zijn, die zich met het insigne, voorstellende een gebroken geweer, tooiden. Er is ook door mij voorts niet beweerd, dat de sociaal-en vrijzin-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1955

De Banier | 8 Pagina's

Begrotingen van Oorlog en Marine

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1955

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken