Bekijk het origineel

Repliekrede

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Repliekrede

5 minuten leestijd

Mijnheer de VoorzitterI

Het antwoord van de Minister inzake de kwestie der gewetensbezwaarde veehouders heeft mij allerminst kunnen bevredigen. Het komt toch hierop neer, dat zal worden doorgegaan met het weghalen van vee, dat het eigendom is van deze veehouders, doorgegaan ook met het

afslachten

van dit vee en met het voor dit vee uitbetalen van bedragen, die veel lager liggen dan de waarde, zelfs al betreft het koeien, die in het geheel geen t.b.c. hebben. Wij achten deze hele zaak hoogs-t ergerlijk. Zelfs in kringen van boeren, die zelf het gewetensbezwaar van bedoelde veehouders niet delen, wordt de handelwijze der Regering ten zeerste afgekeurd. In

„De Boerderij"

van Woensdag 4 Mei 1955 kwam betreffende deze aangelegenheid een stuk voor over het in beslag nemen van het vee van gewetensbezwaarde boeren, waarin het volgende werd opgemerkt: „De afgelopen weken hebben we nogal eens gelezen over het in beslag nemen van veestapels. Eerst te Staphorst, later op de Veluwe en vermoe­ delijk nog wel hier en daar anders, b.v. te Kampen en Nieuwleusen. Dit betreft geen misdadigers. En het vee is niet gestolen, doch te zien als de vrucht van harde arbeid en een sobere levenswijze. Want als die twee niet samengaan, dan kan geen boer, en allerminst een kleine boer, het hoofd boven water houden. Maar deze mensen beroepen zich op gewetensbezwaren. Zij zijn er in gemoede van overtuigd, dat hier het woord geldt, dat men Gode boven alles en voor alles dient te gehoorzamen. En daarom vragen wij met aandrang of hier geen andere weg is? Wordt het mogelijke gedaan om aan de gewetensbezwaren van deze mensen tegemoet te komen? " Voorts wordt in datzelfde stuk uit „De Boerderij" nog de hoop uitgesproken, mede met het oog op de bekend geworden

boer Voortman,

die geen gewetensbezwaar tegen de inentiag op zich zelf heeft, integendeel zijn vee op t.b.c. vrijwillig heeft laten onderzoeken, maar die bezwaar heeft tegen het tekenen, terwijl de statuten van de Provinciale Gezondheidsdienst hem niet bekend zijn, dat zich voor deze kwes'tie

meer Kamerleden

zullen interesseren dan het tweetal, dat reeds jarenlang telkens voor de gewetensbezwaarden in de bres is gesprongen. Deze hoop, Mijnheer de Voorzitter, is helaas tot nu toe niet verwezenlijkt. Steeds heeft men ons in deze Kamer in deze zaak alleen laten staan en heeft men de Minister gesteund, ook van de zijde der

anti-revolutionnairen en christelijk-historischen.

Niet alleen in „De Boerderij", Mijnhéeïr de Voorzitter, werd een woord ten goede van de gewetensbezwaarde veehouders gedaan, doch ook in één der grote dagbladen, dat allerminst staatkundiggereformeerd is, n.l. in

„De Telegraaf'.

In het nummer van 21 November 1955 kwam namelijk een srtuk voor, waaraan ik de volgende passage ontleen: „Naar ik geloof, was er met een weinig soepelheid een oplossing te vinden. Zij wilden echter niet tot een bepaalde organisatie toetreden. Dan maar zonder, had ik als Overheid, ter vidlle van het geweten, gezegd". Vervolgens komt deze schrijver (Pasquino) er met alle nadruk tegen op, dat een procureur-generaal tegen gewetensbezwaarde boeren zeide: „Er was nog een andere mogelijkheid voor de verdachten dan een principiële weigering, n.l. óf voldoen aan de verplichting óf geen vee houden". Naar aanleiding van deze woorden merkte de schrijver in „De Telegraaf" op, dat hij liever

aan de kant

staat van de man, die zich door God laat gebieden, dan aan de kant van iemand, die brodeloosheid als alternatief stelt van gehoorzamen aan het geweten. Mijnheer de Voorzitter! Ik kan niet anders zeggen dan dat deze taal van een geheel

onpartijdig toeschouwer

weldadig aandoet en wel heel scherp afsteekt tegen de houding van zovelen, ook in deze Kamer, voornamelijk van de kant der christelijk-historischen en anti-revolutionnairen, die nog nimmer het voor de gewetensbezwaarde veehouders hebben opgenomen en daarmede wel een zeer schril contrast te zien geven met

mr. Groen van Prinsterer,

die in zijn tijd niet geschroomd heeft het voor de verdrukten en vervolgden Op te nemen. Mijnheer de \'oorzrtter! Ik wens thans nog iets op te merken in verband met het stempelen der eieren. Ik heb in mijn rede in* eerste termijn de kwestie van het verband tussen hét stempelen en het al of niet vers zijn van de eieren expres laten rusten om de zaak, die ik wenste te bepleiten, niet te vertroebelen, gelijk maar al te zeer, ook verleden jaar, is gedaan. Deze zaak is, dat het

onbiUijk

is, dat pluimveehouders wel en melkhandelaren niet ongestempelde eieren mogen verkopen en als zij het toch doen, zich daardoor voor de rechter zien gedaagd, als zij op overtreding betrapt zijn. Nu heeft de Minister gezegd: Waarom de melkhandelaren en geen anderen? Ik meen. Mijnheer de Voorzitter, dat de Minister het antwoord op deze vraag zelf wel weet. Het is in Nederland toch zo, dat men geen zaak kan drijven, of men moet allerlei

diploma's

hebben, anders krijgt men geen vergunning. Melkhandelaren zijn dus vergunninghouders en daar zij het zijn, die in boter, melk, kaas en eieren handelen, komt het mij voor de hand liggend voor. dat zij toch wel het eerst in aanmerking komen om

ongestempelde eieren

te mogen verkopen, als pluimveehouders dit ook mogen doen. Voorts heeft de Minister nog gezegd, dat hij wil afwachten of er van het Bedrijfschap een voorstel zal komen om het verbod to't het verkopen van ongestempelde eieren door de handel in te trekken. Van min of meer ingewijde zijde werd mij verklaard, dat wij dan wel

zeer lang

zullen moeten wachten. Ik hoop. Mijnheer de Voorzitter, dat het anders zal zijn en dat er inderdaad van die zijde zo'n voorstel op korte termijn zal komen, maar toch zou ik het aan te bevelen achten, dat de Minister het initiatief daartoe zelf neemt, daar het hier een kwestie van rechtvaardigheid betreft.

De Minister gaf in zijn repliek-antwoord te kennen, dat hij niet bereid was om een hoger bedrag voor de afgeslachte koeien te geven dan de prijs, die de slager er voor betaalt, de slachtwaarde dus.

De heer van Dis interrumpeerde hierbij de Minister en vroeg of dit dan ook gold voor koeien, die t.b.c.-vrij bleken te zijn.

De Minister zeide daarop, dat ook ten aanzien van deze koeien niet meer dan de slachtwaarde uitgekeerd kan worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1956

De Banier | 8 Pagina's

Repliekrede

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1956

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken