Bekijk het origineel

De S.G.P. en de wetenschap

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De S.G.P. en de wetenschap

16 minuten leestijd

Van verschillende zijden is de voorstelling gegeven en wordt zij nog gegeven, alsof de S.G.P. tegen de wetenschap vijandig gekant staat. Deze voorstelling is echter in flagrante strijd met de waarheid.

Ware dit het geval, dan zou zij daarmede tegen Gods Woord ingaan, hetwelk ons wetenschap en kennis aanprijst en allerwege de onkunde scherp veroordeelt, ja niet nalaat ons voor te houden, dat onkunde zonde is.

Zo krmnen wdj in Jesaja 1 : S lezen: , , Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren; maar Israël heeft geen kennis. Mijn volk verstaat niet". En op een andere plaats wordt in Jesaja als een oordeel Gods aangemerkt, dat er noch kennis, noch verstand bij het volk van Israël is, terwijl bij de profeet Hosea ons beschreven staat: „Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is", en de Heere Jezus het wee over de wetgeleerden uitspreekt, omdat bij hen de sleutel der kennis is weggenomen.

Aan deze uitspraken van Gods Woord kunnen nog zo vele andere worden toegevoegd. In Jesaja 5 : 13 lezen wij: Daarom zal Mijn volk gevankelijk worden weggevoerd, omdat het gesn wetenschap heeft"; in Spreuken 1 : 22 wordt de vraag gesteld: Hoe lang zullen de zotten wetenschap hebben? " In Spreuken 1 : 28 en 29 staat geschreven: Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zij zullen Mij niet vinden; daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des Heeren niet hebben verkoren". In Spreuken 11 : 9 wordt geleerd: Maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd", en in Spreuken 19 : 2: Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed".

Deze uitspraken zouden nog met vele andere te vermeerderen zijn, zowel uit het Oude als uit het Nieuwe Testament, doch wij achten zulks niet nodig, daar er voldoend bewijs is bijgebracht, dat Gods Woord kennis en wetenschap voor de mens onontbeerlijk beschouwt, en de S.G.P. lijnrecht tegen Gods Woord in zou gaan, als zij deze ver-wierp of zelfs niet hoog aansloeg.

Zo doende, zou zij zich evenzeer keren tegen de leer en de praktijk van de oude christelijke kerk en die der Reformatie. Deze hebben toch zich er op toegelegd en er zeer veel toe bijgedragen, dat onder het volk de kennis en de wetenschap is bijgebracht en toegenomen. De eerstgenoemde in de wereld der heidenen, zó zelfs, dat zij daarin de ware kennis en wetenschap gediend en gebracht heeft; en de laatstgenoemde tegenover Rome en het humanisme, waarbij zij het licht der waarheid en wetenschap in de mogendheid des Heeren hebben mogen ontsteken.

De bron van alle > »'etenschap

Waarheid en wetenschap zijn niet bij de mens te vinden. En dit ook niet ten dele. In deze gaat het woord, dat Christus voor eeuwen sprak, nog ten volle op, namehjk dat een ieder mens van nature de duisternis liever heeft dan het licht, en de dood dan het leven. En ook geldt te dien opzichte nog het woord van de Hei-Hge Schrift, dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God en zich de wet Gods niet onderwerpt; en evenzeer haar uitspraak, dat het verstand des mensen verduisterd, zijn har't verhard en zijn wil verdorven is, omdat hij van God afgevallen, van nature vei-vreemd van het leven Gods, zonder God en zonder Christus, dood door en dood in de misdaden en zonden is.

Hoe zeer de hoogmoed en het ongeloof zich daar ook aan mogen ergeren, en hoe zeer zij dit ook mogen ontkennen en bestrijden, de Bron van alle wetenschap en kennis is God de Heere alleen. Hij is de Fontein des levens, de Bron van all© licht en wetenschap, en slechts in Zijn licht zien wij het licht, en slechts door Hem, door Zijn Geest en Woord, bekomen wij wijsheid en wetenschap. In Zijn nederbuigende goedheid heeft Hij deze in al de volheid der Godheid gesteld in Zijn Zoon, zoals Deze van Hem verordineerd en met de Heilige Geest gezalfd is tot de hoogste Profeet en Leraar, van Wie de Heilige Schrift bij monde van de apostel Paulus getuigt, dat Hij al de Zijnen geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing. Het is niet zonder oorzaak, dat hierbij de wijsheid van God vooropgesteld is. Deze toch heeft een mens vóór en boven alles van node. Zonder deze wijsheid, zonder dat zijn verstand daardoor verlicht is, zal hij altijd op 't hoogste terrein des levens dwalen. Dat valt gemakkelijk te bewijzen en is zelfs in de jongste tijd nog bewezen.

Wij brengen hierbij als bewijs, - dat een vijftigtal jaren geleden, en ook nog wel later, de mannen van de verstandelijke wetenschap - voorspelden, dat er niet alleen een tijd van grote bloei, maar ook van vrede onder de volken te wachten stond. De wetenschap had een hoge vlucht genomen, de verlichting had onder ons volk grote vorderingen gemaakt en de 'beschaving was onder ons volk zeer toegenomen — zo spraken deze mannen. Professor Opzoomer sprak zelfs: Bouw scholen, en gij zult de gevangenissen kunnen sluiten! En in de Tweede Kamer, een jaar voordat de eerste wereldoorlog uitbrak, zeide één hunner, dat het voeren van een oorlog tot de onmogelijkheden behoorde, dewijl de mensen daarvoor te beschaafd waren geworden.

Daarentegen spraken eenvoudige kinderen Gods — gelijk ik uit hun mond menigwerf beluisterd heb — al voor vijftig jaar terug en ook later, dat ons vanwege het verlaten van Gods geboden zware tijden te wachten stonden. Het waren geen personen, die op enige hogeschool onderwijs genoten hadden. Neen, het waren diegenen, op wie de mannen van de wetenschap uit de hoogte neerzagen en die zij als onwijzen en weetnieten bespotten.

Doch nu er vijfig jaar verlopen zijn, wie hebben het nu geweten, de weetnieten of de wetenschappelijken? die in veler oog verachte en als dwazen aangezienen, of degenen, die bij het licht der wetenschap en beschaving leefden?

Deze viaag valt niet moeilijk te beantwoorden. Twee wereldoorlogen hebben de ijdele roem over de beschaving en verlichting en het vertrouwen in de verstandelijke vleselijke wetenschap tot een aanfluiting gemaakt.

Voorzeker, er is een wetenschap des geloofs, welke de dingen juist ziet en beoordeelt; en een wetenschap des vleses, welke immer verkeerd ziet, daar zij alles in een vals licht ziet en daardoor immer dwaalt.

De wysheid der wj^zen en'^het verstand der Tersfandigen

De wetenschap des vleses is die wetenschap, waarvan ons op onderscheidene plaatsen in Gods Woord — dat niet dwaalt of liegt — beschreven staat: „Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen teniet maken".

Hoewel dit Woord Gods zeker opgaat, nochtans is het door al de eeuwen niet in acht genomen, ja zelfs vaak fel en onomwonden bestreden, voor een grote dwaasheid uitgekreten.

Hoe weinig ingang vond de wetenschap des geloofs reeds onder het Oude Testament bij het volk van Israël. Hoe gingen zeer velen daaronder. Goddelijke wetenschap en waarheid verachtende, met guichelaars en waarzeggers te rade; hoe meenden ook talloze anderen onder hen het licht des levens en de ware wijsheid bij de afgoden der heidenen te vinden.

En ook in de eerste eeuw van onze jaartelling is de leer des Evangelies als dwaasheid gekenmerkt en genoemd en door de toenmalige heidenen ten bloede toe vervolgd, zodat het niet anders dan als een wonder van Gods genade en trouw kan worden aangemerkt, dat zij niet van de aardbodem is verdwenen.

En ook in latere tijden, wat heeft Rome al aangewend om de wetenschap en waarheid des geloofs ten onder te brengen. Voorts hoe ook is in het tijdperk van de dusgenaamde „Aufklarung" de Goddelijke wetenschap, die leert, dat er een God in de hemel is. Die de oren wonderen op wonderen doet horen, veroordeeld, ja bespot en voor reine zotternij verklaard. En dit omdat alles in dat tijdperk afgemeten werd naar het verstand, en wat voor de rechtbank van het natuurlijk verstand niet kon bestaan, dat werd onmogelijk geheten en aan de bespotting en verachting prijsgegeven. En elk, die in dat tijdvak zich aan de waarheid Gods hield, werd voor een domper, een man van de nachtschuit, een nachtuil en wat meer van die aard is, gehouden en uitgescholden.

Een even bittere vijandschap legden de voorgangers en volgelingen van de Franse revolutie tegen die wetenschap aan de dag, weUce zich naar Gods getuigenis richtte en daarop gegrond was.

In Gods Woord wordt scherp veroordeeld de kennis, die opgeblazen maakt. Daaronder wordt stellig ook begrepen de loutere letterkennis der Heilige Schrift, die in het hoofd van de mens zit en waarmee hij de hoogte ingaat; alsook voorts alle kennis, welke de mens opgeblazen maakt. En deze kennis is er te allen dage ruimschoots geweest en daarvan is er ook in onze donkere dagen te over.

Och, wat is men daarin druk bezig om het Woord des kruises, waarvan de apostel Paulus getuigt, dat het een dwaasheid is degenen, die verloren gaan, de dwaasheid te ontnemen, het naar onze tijdgeest te fatsoeneren en naar de begrippen van onze tijd te modelleren.

Evenals in vorige eeuwen is er ook ten onzent een grote schare, die met de Joden een teken begeert, en wie het Evangelie en de waarheid van het Woord des kruises een ergernis zijn, en zijn er ook niet weinigen, die met de Grieken ze als een dwaasheid beschouwen en met hen wijsheid begeren. Daaraan werkt een verwaterd christendom braaf mee. Onder het voorwendsel, dat men de oude waarheid in een nieuw kleed wO en behoort te steken, geven tal van lieden, die daaraan hun tijd en krachten besteden, ons wel een nieuw kleed en meteen ook een nieuwe leer, welke echter niet met het woord „waarheid" bestempeld kan en mag worden, want in dat zogenaamde nieuwe kleed hebben zij de waarheid ten grave gedragen en ons niet anders geboden dan hun wijsheid en hun kennis, welke, zoals de Heilige Schrift zegt, opgeblazen is.

De enige juiste kennis en wetenschap

Het is waar, dat de S.G.P. krachtens haar beginselen van die opgeblazen kennis niets moet hebben en ze scherp veroordeelt en daarom aan haar ook niet het oor mag lenen, maar zich er verre van dient te houden. Gods Woord leert toch zeer nadrukkelijk, dat het beginsel van alle wijsheid en wetenschap de vreze des Heeren is.

En daarvan bekomt een iegelijk mens dan eerst kennis en wetenschap, als hij met de apostel Paulus al roemende in zichzelf onwijs is geworden. Want al beeldt men zich dat nog zo zeer in, dat men wijs, verstandelijk en wetenschappelijk is, men is het niet, zo lang men niet uit het beginsel der ware wijsheid leeft. Dat is te allen tijde wel een bron van ergernis geweest voor de hoogmoed des mensen. Maar daarmede verandert aan de waarheid dezer zaak niets. Een hond kan men meermalen heftig en hard horen blaffen tegen de opgaande maan, maar de maan gaat ondanks al dat geblaf op en zet, al blaffen er nog zo vele honden tezamen tegen, haar koers voort en doet haar licht schijnen. Om een uitdrukking van Calvijn te gebruiken: „Al wordt er nog zo veel tegen gesnaterd en gekwaakt, de regel is en blijft: Bij U, o Heere, is de fontein des levens, en in Uw hcht zien wij het licht". Dit is een vaste, onveranderlijke waarheid, die ook waarheid zal bÜjken te zijn, trots al wat daartegen van menselijke zijde is opgekomen en nog steeds opkomt.

Aan die waarheid heeft de S.G.P. zich te houden; daaraan is zij gebonden. Daarvan mag zij zelfs geen haarbreedte afwijken.

Hetgeen echter allerminst inhoudt, dat de S.G.P.-er nu alle middelen maar heeft te verwaarlozen. Integendeel. Hij is aan de middelen gebonden. En dit ook van Godswege. Hij heeft naar de eis van Gods Woord en de uitspraak van Christus de Schriften te onderzoeken. En wel naarstig. Men kan dan ook zeer terecht in de geschriften van de oude Gereformeerde auteurs lezen, dat zij het een dure plicht van de overheidspersonen achtten, dat zij dagelijks, heel hun leven lang Gods Woord hadden te lezen, en dat zij zich dienden te bevlijtigen om dit te verstaan, en dat zij overeenkomstig de in de Heilige Schrift vervatte geboden zich, zowel in het persoonlijk, alsook niet minder in hun ambtelijk leven, hadden te richten. En hoe goed voeren hun onderdanen er bij, indien zij zulks in afhankelijkheid van de Heere met verloochening van eigen vleselijke wijsheid deden. Daarvoor zijn heel wat voorbeelden uit de historie bij te brengen, ook uit de eigen landshistorie.

Het is dan ook dringend nodig, dat elke S.G.P.-er en de S.G.P. in haar geheel bij het licht en het onderwijs van Gods Woord leven en zich daarnaar in al hun handelingen gedragen. Rome moge dan al, gelijk ook in onze tijd weer in Spanje, de Bijbels verbranden, en de humanisten en revolutionnairen mogen met verachting op het geopenbaarde Woord van de levende God neerzien, waar zij het licht van hun rede en vleselijk verstand daarboven steken, maar de S.G.P.-er en de S.G.P. in haar geheel, wil het hem en haar goed gaan en willen zij niet dwalen, hebben zich onvoorwaardelijk aan de uitspraken van dat Woord te onderwerpen, hen te gehoorzamen, zelfs al halen zij zich daarbij de bespotting en de haat van heel de wereld op de hals. Dat Woord zij en bHjve het richtsnoer, waarnaar zij hun eigen particulier leven leiden en het regeringsbeleid ingericht wensen te hebben, ook al zegt men al spottend van hen, dat de S.G.P. driehonderd jaar te laat is opgericht en dat de S.G.P.-ers driehonderd jaar te laat zijn geboren.

Noch de S.G.P., noch de S.G.P.-er mag zich laten verleiden door de dusgenaamde, door de apostel Paulus valselijk genaamde wetenschap en de ijdele filosofie — een groot gevaar, waaraan elk mens krachtens zijn verdorven natuur zo bloot staat en aan welker wijsheid hij maar al te gretig het oor leent — waartegen de Heilige Geest bij monde van de apostel Paulus zo nadrukkelijk waarschuwt. De S.G.P. mag niet afglijden met het verwaterde christendom van haar beleden beginselen, ook niet al zou zulks in veler oog zeer wenseHjk zijn, haar de toejuichingen van hSt verwaterde christendom en nog zo vele anderen, en een groter aantal leden bezorgen; ook niet als zij daardoor een veel groter aantal stemmen op haar candidaten bij de verkiezingen zag uitgebracht.

God geve haar, dat de S.G.P. haar beginselen standvastig moge bewaren en zich daar in het openbaar en in het verborgene naar moge richten. Hij doe haar de wacht betrekken bij het behoud van haar beginselen, opdat zij niet verwateren, zoals wij zien, dat de Anti-Revolutionnairen en Christelijk-Historischen dat zijn, waar zij als beshste voorstanders en warme verdedigers instemming betuigen met — en zelfs bidstonden hielden voor — instituten als de Volkenbond en de Organisatie der Verenigde Naties, waarin Gods Woord contrabande is en waarin men de beginselen van de revolutionnair Rousseau volgt, die inhouden, dat de wereld niet naar Gods Woord, maar door de rede, het vleselijk verstand van de mens, behoort bestuurd te w» I den. En dit is allerminst het enige, wj, , in de Anti-Revolutionnairen en de Cliri telijk-Historischen verwaterd zijn; , , {• zouden er nog tal van andere zaken Sf kunnen voegen, waarin dit evenzeer KM geval is. Deze zijn er nog te over, v/^, wie eenmaal de eerste stap bergafwaart zet, doet de eerste tred gemeenlijk lan, zaam, maar gaat straks in voUe vaart hoe langer hoe sneller en hoe meer bergal. waarts.

En zeer terecht heeft Mr. Groen vu i Prinsterer eenmaal geschreven, dat Iw bovenal in dagen van verval — die wï 1 thans op zo ontstellende wijze beleven - zaak is om de beginselen rein en zuive I te bewaren.

Hierbij ontgaat het ons niet, dat n* 1 thans voor tal van moeilijk op te loss problemen gesteld worden; problemen i welke zich nog maar steeds vermenigvi digen; en ook niet, dat de wetenscb der techniek en de techniek zelf een gro. i te vlucht hebben genomen waardwr od al velen beroerd worden, sommigen zeil afgetrokken worden van de waarheid vai 1 Gods Woord, in de mening als zij ver-1 keren, dat de wetenschap zulks h uitgevonden en tot stand gebracht, waar 1 de werkelijkheid toch zo is, dat de wetenschap thans ontdekt heeft de kracl-1 ten en mogelijkheden, welke God ia het 1 heelal heeft gelegd. Deze waren er tocl al reeds eeuwen in aanwezig. En dat ai door de wetenschap pas thans in onze I eeuw en kort daarvoor ontdekt zijn, wijst 1 ons op één ding, namelijk, dat wij jongste dag, waarin Christus op de wol 1 ken des hemels in grote kracht en heer-f lijkheid weder zal komen, hoe langer hoe 1 dichter naderen. Dit alles geschiedt opdat Gods raad volvoerd zal word Want niet alleen is het aldus gesteld, i de krachten en mogelijkheden al sinds 1 eeuwen in het heelal aanwezig waren, ! doch ook dat God de Heere aan de man-1 nen der wetenschap het verstand en 1 oog geschonken heeft om ze te ontdek-1 ken, terwijl er toch in vervlogen eeuwen] mannen zijn geweest, die in verstand en 1 wetenschappelijke kennis niet onderde-1 den voor de huidige wetenschappelijke I geleerden. En ook in de hoge vluclit ( techniek, alsook in zovele andere zaken, 1 zoals in de ontdekking van Amerika dooi Columbus, komt de eer alleen aan God de Heere toe, want het is Zijn hoge leiding geweest, dat Columbus' schip zo koerste, dat het daarhenen geleid werd. Voorzeker, in alles hebben wij de hand des Heeren te zien en deze met verwondering en aanbidding te eren. Van Hem toch moet alles afdalen en, zal het wel zijn, moet ook aUes in aanbidding en verwondering tot Hem wederkeren.

Ook onze studie behoort alzo te zijn. Dil ] mag nooft uit het oog verloren worden, gelijk het maar al te veel uit het oog verloren wordt, niet het minst in neo-gere-| formeerde en daaraan verwante kringen, welke de bekende professor Barth, hoe zeer wij overigens ook in beginselen en leer het allerminst met hem eens zijn, zeer terecht neo-calvinistisch noemt.

Daarin toch wijkt men op allerlei wijze af van Calvijn, van wie niemand zal hssr nen zeggen, dat hij geen wetenschappelijk mens is geweest, die telkens weer geschreven heeft, dat, wil een mens ware wetenschap en wijsheid bekomen, ^ eerst aan eigen wijsheid en inzicht moet sterven en dat niets een mens ter zaligheid zó zeer in de weg staat als ajo eigen verstand.

In deze geest, zoals Calvijn dit op zeer Bijbelse gronden gesteld heeft, dient de studie onder de S.G.P.-ers beoefend te worden, en daarbij dienen alle middelen, welke daartoe dienstig zijn, gebruikt te worden. En deze studie kan uitgestreM worden tot al de vraagstukken, zowel van politieke als van economische aard, vaa onze tijd. Nooit toch hebben onze Gereformeerde voorouders zich tegen ee« zodanige studie verzet, immer zijn zij integendeel voorstanders van de beoefening' der wetenschap en het verkrijgen van tennis in de bestaande vraagstukken „g^eest; doch zij hebben hierbij ook immer naar waarborgen gezocht, dat deze niet zou verlopen op een wijze, zoals de natuurlijke mens dit welgevallig is, en niet op zou gaan in vleselijke wijsheid, welke degenen, die de afgod der wereld, namelijk het vleselijke verstand, dienen. Zoeken, begeren en huldigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1956

De Banier | 8 Pagina's

De S.G.P. en de wetenschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1956

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken