Bekijk het origineel

Algemene beschouwingen over de uitslag van de gehouden kamerverkiezingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene beschouwingen over de uitslag van de gehouden kamerverkiezingen

11 minuten leestijd

ylet deze beschouwingen zullen wij een aanvang maken met de bespreking van de eerste partij van de candidatenlijst voor de Tweede Kamer: de K.V.P.

Deze partij is zowel in Stemmenaantal als percentage niet onbelangrijk vooruitregaan. Nochtans, hoewel zij daarover evreden kan zijn, kan zij daar niet over voldaan zijn.

Zij is toch niet de grootste partij in ons and geworden, wat zij bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1954 iveder geworden was. Dit is zij niet gen'orden, in weerwil van het herderlijk chrijven van de bisschoppen en van de eiugkeer van de K.N.P. (die van Wel-[er) tot haar. Dit moet voor de K.V.P. (vel een grote teleurstelling zijn, ook al daarom, omdat het in Nederland de gewoonte geworden is, dat de Koningin de abinetsformateur uit de grootste partij aanwijst, wat in dit geval Dr. Drees is, en niet professor Romme, waarop men van r.k. zijde gehoopt had.

Te meer bestaat er reden voor de K.V.P. om over de uitslag van de verkiezing niet foJdaan te zijn, dewijl de doorbraak van de P.v.d.A. onder de r.k. niet gestuit is, hetgeen de stemmen, welke in r.k. strecen in het Zuiden des lands en ook elders op de Partij van de Arbeid zijn uitgebracht, wel heel overtuigend aanwijzen. In Limburg bijvoorbeeld klom het stemmenaantal van de P.v.d.A. van 44.777 in 1932 tot 69.782; in Maastricht, waarin de K.V.P. op des Heeren dag, deze dag aldus schrikkelijk schendende, een grote, druk bezodhte demonstratie hield te haren gunste, ging het stemmenaantal van de P.v.d.A. vooruit van 11.245 tot 14.188, dat is maar eens eventjes 31, 8 % van het aantal uitgebrachte stemmen. In Roermond en Venlo, waarin op een ongeoorloofde manier tegen Dr. Drees werd opgetreden toen hij daar sprak, steeg in eerstgenoemde plaats het stemmenaantal van de Partij van de Arbeid van 1987 tot •3096, en in laatstgenoemde plaats van 2922 tot 4236, in 's-Hertogenbosch van 7001 tot 9043, en in Oss van 2468 tot 3186. En zo zouden wij door kunnen gaan met nog al meer gemeenten op te noemen, waarin het stemmenaantal van de P.v.d.A. op een sterke wijze in i.k. streken gestegen is.

Daar is dan ook volstrekt geen reden voor de K.V.P. om hoog uit te jubelen ovei de uitslag der verkiezingen.

Als de partij, welke bij deze verkiezing het meest welgevaren is. komt zonder enige twijfel de Partij van de Arbeid in aanmerking. Zij heeft daarbij onbetwistbaar het meeste succes gehad. Dat behoeft zo zeer niet te verwonderen, als men let op de geest, welke thans bij de overgrote massa van ons volk heerst. Het is de grote zucht naar brood en spelen. Het m.aterialisme overheerst al het andere bij haar. GeesteHjke en eeuwige belangen tellen bij haar in het geheel niet mee. Xu, de propaganda van de P.v.d.A. heeft daar terdege rekening mee gehouden. Ook zijn de regeringsmaatregelen van deze partij daarop gericht geweest. Men denke maar hoe vlak voor de verkiezing hoe via de Algemene Ouderdomswet door de socialistische minister Suurhoff het algemeen staatspensioen is ingevoerd. Dat is voor tallozen 2)0 iets schoons en bekoorlijks geweest, dat zij door deze pracht van lokaas in het net van de P.v.d.A. gevangen zijn.

Daarbij heeft de P.v.d.A. zich aangediend als de partij van de vooruitgang, van de progressiviteit, die het Nederlandse volk vooruit geholpen had en nog vooruit zou helpen. De door haar aangeheven verkiezingsleuze „Drees-Suurhoff', waartegenover door haar gesteld werd „Romme—Welter", heeft niet nagelaten op tal van kiezers grote indruk te maken. Zij was daarbij de partij, uitblinkend door vooruitstrevendheid, en de K.V.P. de partij, welke als conservatief werd aangediend. Bovendien deed de P.v.d.A. in de dagen voor de verkiezing de rijkste beloften. Neen neen, daar heeft het niet aan gemankeerd, dat de Partij van de Arbeid zegerijk uit de stembus kwam. De woningnood zou alsdan krachtig verholpen worden, en nog al zo veel meer door velen begeerde zaken zouden dan ten uitvoer gebradht worden. Verzwegen werd, dat wij nu al tien jaar een rood-rooms ministerie aan het bewind gehad hebben, en dat de woningnood nog erger is dan toen hij vóór tien jaar aan het einde van de bezetting was.

Het is nu ook weer gebleken, hoe gemakkehjik de mensen zich door allerlei schoonklinkende woorden en rijke beloften laten paaien.

De partij, welke als nummer drie op de candidatenlijst voorkwam, is de Anti-Revolutionnaire Partij. Deze heeft bij de verkiezingen het gelag moeten betalen. En dat wel op een heel krasse manier. Van haar 12 Kamerleden ziet zij er maar 10 in de Tweede Kamer terugkeren. Dat is een kolossaal verlies van 1/6 aan Kamerzetels. Daarmede is het getal Kamerzetels zelfs meer dan gedecimeerd. Ons verwondert dit niet. Al hadden wij niet zulk een debacle verwacht, voor ons stond toch wel vast, dat de uitslag der verkiezingen voor de A.R.P. niet al te gunstig zou zijn.

Vele Anti-Revolutionnairen hadden, toen professor Zijlstra en Mr. Algera tot het ministerie onder presidentschap van de socialist Dr. Drees als ministers toetraden, daarvan een gunstige verwachting voor hun partij. Zij waren van mening, dat nu de A.R.P. — deze had immers de toetreding met haar fiat goedgekeurd — weer vooruit zou gaan en aan haar reeks van nederlagen een einde zou komen. Wij hebben deze mening nooit gedeeld, zelfs openlijk in de Tweede Kamer verklaard, dat wij daarin een nieuwe schending van eens beleden beginselen en van de door Dr. A. Kuyper afgelegde verklaringen zagen.

De uitkomst is dan wel heel anders geweest dan die, welke tal van Anti-Revolutionnairen zich hadden voor ogen gesteld. Dit laat zich heel gemakkehjk verklaren. Waar de partij er geen been in zag om eens beleden beginselen en verklaringen te verloochenen, ja zelfs te schande te maken, lag het voor de hand, dat A.R. 'kiezers hen op dit heilloze pad zouden volgen. De partij kon met haar twee ministers broederlijk in een roodrooms kabinet zitten en daarmee hartelijk samenwerken, ook was de ministerpresident uitgesproken rood, de voorman van de Partij van de Arbeid, welaan, waarom kon men dan als Anti-Revolutionnair niet zijn stem op de P.v.d.A. uitbrengen? Dit hebben ongetwijfeld tal van personen gedaan, die eertijds hun stem op de candidatenlijst van de A.R.P. uitbrachten. Hier en daar mogen A.R. kiezers hun stem aan de candidatenüjst van de S.G.P. gegeven hebben en aan die van de C.H.U. — wat wel het geval is als men de uitslag der verkiezingen in de gemeenten nauwkeurig nagaat — maar dat getal haalt het in de verste verte niet bij 't getal van vroegere Anti-Revolutionnairen, die met pak en zak naar de P.v.d.A. zijn overgelopen, door hun stem op haar candidatenlijst uit te brengen.

Dit blijikt op een zeer overtuigende wijze uit de uitslag der verkiezingen. ï^en moet wel met totale blindheid voor de feiten geslagen zijn, als men dit wil ontkennen, zoals blijkbaar Dr. Bruins Slot, de hoofdredacteur van het dagblad „Trouw", dit doet die destijds één van de sterkste voorstanders van de toetreding van de A.R. ministers was, afgaande op zijn commentaar op de uitslag van de jongste verkiezingen, waarin hij schreef, dat de achteruitgang van de A.R. geen kwestie is van „in de oppositie zijn of in de regering zijn".

Hoe de A.R.P. zich ten deze verder zal gedragen, daarmede zullen wij ons niet inlaten. Mogelijk dat men daarin zal redeneren: Eon volgende keer zal het bij de verkiezingen beter en gunstiger voor de A.R.P. verlopen, als zij weer twee minister in het rood-roomse kabinet doet plaats nemen. Doch hoe het in deze ook mogen verlopen, de A.R.P. vertoont ons wel op allerlei wijze een snelle afloop der wateren.

De Christelijk-Historische Unie, die als vierde op de candidatenlijst bij deze verkiezingen — de vierde partij is zij niet meer, want de V.V.D. heeft haar overvleugeld; deze partij heeft in de nieuwe Kamer 9 en de C.H.U. maar 8 zetels — voorkomt, heeft bij de jongste verkiezingen ook een hele veer gelaten. Zij heeft daarbij een zetel verloren en mede daarbij het gelag betaald, al is het dan in heel wat mindere mate dan de A.R.P. Ook ten aanzien van haar heeft zJich de deelneming aan het rood-roomse kabinet met twee ministers gewroken. Zij heeft de doorbraak van de P.v.d.A., waartegen zij wel expresselijk gewaarschuwd heeft, welke in veel sterkere mate aan de dag is getreden dan bij de verkiezingen in 1952, niet kunnen verhinderen. Op zichzeilf genomen behoeft dit geen verwondering te baren, want zij is de tijdgeest in geen geringe mate toegevallen en heeft er ook mede haar aandeel in, dat ons volk zo vermaterialiseert. Hoe todh heeft zij op tal van punten Mr. Groen van Prinsterer verloochend, die zich zo scherp tegen de tijdgeest heeft gekeerd! Hoe ook heeft zij zioh ten aanzien van de huidige Zondagswet en de Winkelsluitingswet niet naar de eis van Gods Woord en wet, maar — echt revolutionnair — naar de volkswil gericht, daarmede haar naam , , Ohaistelijk-Historisch" te schande makende. Dit moet zich op den duur wreken en heeft zich bij de laatste verkiezingen ook gewroken.

De V.V.D., de liberale partij, is thans, zoals reeds opgemerkt, van de vijfde de vierde partij geworden. Zij heeft zich bij deze verkiezingen weten te handhaven. Toch wil het ons voorkomen, dat de uitslag der verkiezingen niet beantwoord heeft aan de grootse verwachtingen, welke daarover in de kring der liberalen, onder meer 'bij de voorzitter van de partij, professor Oud, bestonden. Daarop ziende, dan kan het niet anders, of de uitslag moet voor tal van liberalen teleurstellend zijn. Van een herleving van het liberalisme onder ons volk, waarvan sommige h-beralen spraken, is bij deze verkiezingen niets gebleken. Daar is zelfs niet de minste sprake van, al hebben de liberalen, vergeleken bij de A.R.P. en de C.H.U., reden om tevreden te zijn.

De partij, welke als nummer zes op de candidatenlijst voorkwam, is de communistische partij. Deze is ook zeer gehavend uit de stembusstrijd te voorschijn gekomen. Wat verblijdend is. Tal van personen, die vroeger op haar lijst stemden, zijn naar de Partij van de Arbeid overgelopen. Deze achteruitgang was te verwac'hten, al is hij groter geweest dan velen gedacht hebben. Daaraan is stellig niet vreemd, wat na de dood van Stalin in Rusland is voorgevallen. De eens zo door de communisten verafgode Stalin is door de communisten zelf van zijn hoog standbeeld afgetrokken. Hij is daar aan de dijk gezet als een massamoordenaar, als een soort van bloedhond. Ook hebben de communisten hier te lande, slaafse en gedweeë volgelingen als zij zijn van de heersende partij in de Sovjet-Unie, in hun bladen verklaard, dat zij zich vergist hadden in de persoon van Stahn en diens handelingen. Wat wonder, dat dit niet nagelaten heeft op tal van personen indruk te maken. Over het geheel genomen lopen zij dan oo'k sterk in stemmenaantal achteruit, zelfs in hun bolwerk Finsterwolde. Van hun zes afgevaardigden keren er maar vier in de Karner terug, wat op zichzelf al een hele klap is, maar nog te sterker aangekomen is, als men er acht op geeft, dat zij bij de eerste Kamerverkiezing niet minder dan tien vertegenwoordigers in de Tweede Kamer hadden. De communisten hebben alzo meer dan de helft van de zetels verloren, welke zij eenmaal in de Kamer bezaten.

Over de S.G.P. zullen wij in dit rtikel niet spreken, omdat wij betreffende de uitslag der verkiezingen een apart artikel in dit blad daaraan gewijd hebben.

Tenslotte willen wij dienaangaande nog opmerken, dat de uitslag der verkiezingen ons het droeve beeld vertoont van het ontzettende verval van ons volk. Hoe zouden godvrezende personen als Voetius en Ds. van Lodensteijn, als zij de ogen konden opslaan, daarover met diepe smart en innig leedwezen vervuld zijn! Dat zou niet anders kunneri. Ja elk, die nog enige rekening houdt met de uitspraken van Gods Woord, moet deze uitslag met diepe deernis en oprecht leedwezen vervullen. Het gaat todh, ons volk in zijn geheel beziende, met hollende vaart terug. Het gaat hierbij steeds van kwaad tot erger. Nochtans blijft protest daartegen geboden; mag het aan een waarschuwende stem nergens en ook in de hoge Vergaderzaal des lands, in de Tweede Kamer, niet ontbreken. Dat is een eis, welke God de Heere op een iegelijk legt. Naar die eis moet hij allerwege de eer Gods op het oog en in het hart hebben, en tot stichting van zijn naaste en tot welzijn van land en volk zijn.

Bij de kameruitbreiding van 100 tot 130 leden zullen de zetels als volgt worden toegewezen P.v.d.A 50 K.V.P 49 A.R.P 15 C.H.U 13 V.V.D 13 C.P.N 7 S.G.P 3 Totaal 150

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1956

De Banier | 8 Pagina's

Algemene beschouwingen over de uitslag van de gehouden kamerverkiezingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1956

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken