Bekijk het origineel

De prafetie van Christus komst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De prafetie van Christus komst

8 minuten leestijd

Want er zal een Rijsje voortkomen de afgehouwen tronk van Isai. uit Jesaja 11 : la

Met rasse schreden naderen we het einde des jaars, en in het jaareinde Hgt ons heugelijk Kerstfeest, het feest van de opgang van de Zon der gerechtigheid. Van oude dagen af, sinds de zesde eeuw, zijn de vier weken vóór Kerstfeest, de adventsweken, dan ook gewijd aan de profetische voorzeggingen aangaande de geboorte van Christus. En ook wij bepalen onze aandacht bij de profetie, mocht het zijn om straks in onze harten te horen weerldinken: „Ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal". Vooral ook Jesaja's profetie is rijk aan voorzeggingen van Christus' komst in het vlees. Want toch het Rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï en de Scheut uit zijn wortel is de grote Davidszoon. Jesaja heeft tot Israël gesproken van de naderende onderdrukking door Assur. Vanwege zijn halsstarrige verlating van God zal Jacobs nageslacht gegeven worden in de hand van Sanherib. O, wat een ellende zal die heiden over 's Heeren erfdeel brengen.

„Een iegelijk zal doorgaan, hard gedrukt en hongerig". Nachtelijke duisternis is het type van de nameloze ellende, door de Assyriër aangebracht (8 : 22), en door de Assyriër niet alleen. „De Syriërs van voren en de Filistijnen van achteren, dat ze Israël opeten met volle mond". Het volk zal zijn als een voedsel des vuurs.

Maar toch, hoe diep Gods weg ter tuchtiging Zijns volks ook was, ten verderve overgeven zou Hij het nooit.

De vijand mocht de vernieling van Israël wensen, Jehova zocht het behoud. Daartoe juist moest die zware verdrukking dienen. Het was om des voDcs behoudenis te doen. Om de behoudenis uit de zon-de, die ten verderve voert, die de toom des "Heeren verwekt, doch die nooit, nesn nooit maken kan, dat het volk uit de liefde Gods valt. Dat, o volk, is uw behoud. „Gelijk een vader zich ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen". Het wee komt over de Assyriër en dan zal Jehova Zich over Sion ontfermen. Hoort de vertroosting van de God des menigvuldigen ontfermens: „Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont". De Heere zal de verlossing gebieden; eerst als schaduw, doch ook dan reeds om en foor Hem, Die straks komen zal als het Rijsje uit de afgehouwen tronie van Isaï. Eens was Isaï's geslacht een boom, machtig als de cederen van Libanon. Was niet Jesse de vader van David, de man naar Gods hart, wiens vingeren door de Heere geleerd waren tot de krijg? En met David werd Isaï's geslacht een boom, groot en machtig. En ook toen de vrees voor de geweldige krijgsheld David plaats maakte voor het eren van de liefelijke vredevorst Salomo was Jesse's geslacht machtig.

Maar toen reeds begon de knagende worm zijn verderfelijk werk. Salomo's hart werd in het einde zijner regering van de Heere afgetrokken en neigde zich tot de afgoden zijner heidense vrouwen. Het blad van Isaï's stamboom verwelkte, takken werden afgebroken, de boom met de aarde gelijk gemaakt. Ten laatste heerst de Idumeeër Herodes de Grote uit het geslacht der eeuwige vijanden van Israël over 's Heeren erfdeel. Van Davids regering geen spoor meer. De boom van Isaï was afgehouwen; afgehouwen ja, maar niet uitgehouwen.

In het Noorden van Kanaan, zelf reeds veracht bij de rechte Israëliet, woonde in het minne Nazareth, vanwaar men niets goeds verwachtte, een vergeten maagd, afstammelinge van Isaï, gelijk zij op 's keizers bevel bewijzen moest te Bethlehem. Over die geringe maagd kwam de kracht des Allerhoogsten, opdat uit de afgehouwen tronk van Isaï een Rijsje voortkomen zou. Uit de afgehouwen tronk, welks wortelen in de aarde waren gebleven. Van uitbouwen dus geen sprake. Dat gedoogde de trouw des Heeren niet. Zijn Woord kan niet verloren gaan. Het moge komen tot de grootste beproeving, en lopen tot in het menselijk onmogelijke der vervulling. Liep niet steeds des Heeren weg door de afhouwing heen? Of was Izaaks geboorte nog mogelijk, dan alleen bij God? Kwam niet Jacob eerst na twintigjarige zwerftocht en bange worsteling met verwrongen heupspier in het land der belofte? Hoe onmogelijk werd voor Israël het beerven van Kanaan, toen de Egyptenaar het niet alleen drukte, doch ook de hand aan het leven sloeg en de Nijl maakte tot een graf. Maar zo ver moest het komen, opdat Jacobs geslacht kennen zou de allergrootste Naam van zijn Verbondsgod, de Naam Jehova. En ga zo voort de gehele Bijbel door, altijd weer komt het rijsje uit de afgehouwen tronk. Wat bemoediging dan voor u, hopenden op Gods beloftenissen! Gaat uw weg door de diepte heen; wordt verkrijging van het toegezegde heü u gans orimogelijk; God is getrouw, Die het ook doen zal. Bekampt u de vijand, bekruipt u de vrees, beschuldigt u uw eigen dikwerf koud en liefdeloos hart, is van alle vorige schoonheid niets meer over dan een afgehouwen tr'onk; die tronk zal uitschieten; het beloofde heil zal uitspruiten. O hopende zielen, de Heere bereide u een Kerstfeest, waarop het u gegeven worde te geloven: Heden is niet alleen anderen, maar ook u geboren de Zaligmaker, Welke is Christus, de Heere, in de stad Davids! i>

Christus, de Heere! maar geboren als een Rijsje! Wonderlijk! In het tiende vers van dit hoofdstuk heet Hij de Wortel van Isaï; in ons tekstvers het Rijsje. Wonderlijk ja, doch is Hij niet Davids Heere eri tegelijk Davids Zoon? Als Wortel is Hij Isaï's levensbeginsel en levenskracht. Het geslacht van Isaï is er alleen door Hem en om Hem, opdat Hij eenmaal, voor zo veel het vlees aangaat, uit dat geslacht voortkomen zal als een Rijsje, gering en teer, maar ook zo vol van glanzend leven. Zijn inkomen in de wereld mist ook de glans van Davids heerschappij. Zijn geboorte was in allerdiepste vernedering. , , Dit zal u het teken zijn: — zo boodschapte de engel aan de herders — gij •'•vli bet Kindeke vinden in doeken gewonden en hggende in de kribbe". „Hij heeft Zichzelf vernietigd, de gestaltenis eens dienstkneohts aangenomen hebbende". Zó laag was Zijn inkomen in ons vlees, dat Hij voor de geringste en armste toegankelijk was. Zulk een armgeborene stelt zich toegankelijk voor de allerminste zelf. En het Rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï roept ons dan ook toe: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en . belast zijt, en Ik zal u rust geven voor uw zielen". Neen, uw schuld is niet te groot. O, laat het u nooit weerhouden tot Hem te komen. Uw leven was niet te slecht, te werelds, te vijandig, te goddeloos; uw hart niet te hard. Hij boog zó laag, dat voor Adams laag gezonkenen in Hem eeuwige verlossing is. Zo maar waarlijk in ons moge gewrocht zijn ware kennis van ellende, en mitsdien rechte boetvaardigheid voor God, zo wil Hij schenken een vrije toegang tot Zijn genade. „Dit is een getrouw woord en aller aarmeming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken". En nu hapert het niet daar, dat onze zonden te veel zouden zijn. Zou niet Christus' gerechtigheid overvloedig zijn tot voldoening van al onze zonden? Doch dat houdt ons zo gebonden, dat wij niet recht zondaar zijn. Hij bukte laag genoeg; lager dan stal en kribbe kon het niet. Maar wij staan te hoog. Als gans verlorenen, als diep ellendigen, als de hel waardigen geve de Heere ons onszelf te kennen. O, wat gezegend Kerstfeest zouden wij mogen vieren, zo we met al onze zonden naderen mochten tot het Rijsje uit Isaï's afgehouwen tronk. Loopt de hemeltroon aan. VoBc, wie weet, het naderende feest mocht u doen huppelen van zielevreugd. Want de openbaring van dit Rijsje is de zahgheid onzer ziel.

Tweeërlei toch ligt in deze benaming, Eerst de vernedering van de Borg; Zijn geringe, tedere verschijning, ontdaan van alle hemelse majesteit, wijl Hij Zijn Godheid verborg achter het voorhangsel der menselijke natuur. Als Rijsje werd Hij geboren zonder gedaante of heerlijkheid; als Rijsje ging Hij over de aarde, arm en veracht; als Rijsje werd Hij verdrukt, bewogen tot de dood door de storm van Gods toom, die tegen Hem woedde.

Doch ook als Rijsje glansde in Hem het leven, het eeuwig leven, dat de mens door moedwillige ongehoorzaamheid in Adam verloor. En dat glanzende leven, verborgen voor de wereld, mag Gods volk in de diep Vernederde aanschouwen door 't geloof. Christus heeft in Zijn vernedering zulk een onuitsprekelijke heerlijkheid voor de Zijnen. Ook als Rijsje draagt Hij de banier boven tienduizend. Zo leide de Heilige Geest ons naar Bethlehem, opdat onze ziel met bewondering uitroepen moge: „Een Rijsje uit de afbouwen tronk van Isaï".

Doch mist onze ziel alle rechte ontdekking van zonde en schuld nog, o, dat wij dit Rijsje vrezen. Het zal eens glanzen als eeuwige Koning, ons ter verplettering. Valt dit Rijsje te voet en „kust de Zoon, opdat Hij niet toome en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toom maar een weinig zou ontbranden. WelgelukzaHg zijn allen, die op Hem betrouwen".

Wijlen Ds. G. H. Kersten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1956

De Banier | 8 Pagina's

De prafetie van Christus komst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1956

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken