Bekijk het origineel

Vertroosting voor een zuchtend volk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vertroosting voor een zuchtend volk

8 minuten leestijd

En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Romeinen 8 : 28

Jozef is er niet en Simeon is er niet.... al deze dingen zijn tegen mij. Zo was het oordeel van de oude patriarch Jacob over de wegen, die de Heere met hem hield. Wat zijrt deze woorden vaak terecht of te onrecht overgenomen door Gods kind.

Een klacht, vertolkende de moedeloosheid van zijn hart, de innerlijke onverenigheid met de wegen des Heeren. En toch. .. . Jacob had het mis! Want niet al deze dingen waren tegen hem, maar Jacob was tegen al deze dingen. Met andere woorden, Jacob kreeg in al deze dingen de erfenis van zijn eigen zonden terug.

Kruis en druk waren nu zijn deel. En dat begeerde Jacob niet. Daar verzette hij zich tegen. Hij was tegen al deze beproevingen, die, hoewel hij dit niet zag wegens zijn blindheid, zouden uitlopen op de verheerlijking van Gods Naam en dienen zouden tot welzijn van Jacob en zijn nageslacht.

Gelukkig voor Jacob en al Gods volk. God blijft getrouw en Hij werkt door, ook al is het, dat Zijn kinderen de weg des Heeren niet begrijpen en daarom door ongeloof gedreven, zo spoedig tot de droeve conclusie komen: al deze dingen zijn tegen mij.

God werkt door en voert Zijn raad uit, ooi al is het, dat de uitvoering van Gods raad lijnrecht indruist tegen al de verwachtingen en berekeningen van Gods kinderen.

Ach ja, rekenen, dat kon vader Jacob, en wie kan dat niet? Maar dan altijd naar zich toe. God de weg voorrekenen. God vooruitlopen, afdingen op Gods doen, het is ons van nature eigen.

Zeker, de Heere handelt dikwijls wonderlijk met Zijn kinderen, zo wonderlijk zelfs, dat ze menigmaal vrezen, dat bij alles, wat ze tegen hebben, ze ook de Heere nog tegen hebben. O, en dat is het ergste. God tegen te hebben! Dit was de vrees van David, toen hij zei: Uw hand was dag en nacht zwaar op mij. En toch de uitkomst heeft al Gods kinderen geleerd de waarheid van de woorden, die we hierboven schreven, dat alle dingen medewerken ten goede!

Dat is troost voor het hart, dat onder veel vrezen en beven vaak bezet is met de gedachte God tegen te hebben. En dat volk heeft er het hoogste belang bij te mogen weten of deze uitnemende vertroosting hen geldt, waarom we dan eerst gaan wijzen op de gelukkige deelgenoten van deze kostelijke vertroosting. Over de vraag voor wie de Heere deze vertroosting bestemd heeft, behoeven we gelukkig niet in het onzekere gelaten te worden, want in het verband van onze tekst, zowel als in de tekst zelf, wordt het adres van deze vertroosting nauwkeurig aangewezen. Let maar eens op.

Het verband van onze tekstwoorden wijst ons duidelijk aan, dat deze vertroosting bestemd is voor zuchters. Het ganse schepsel zucht, zo zegt de apostel. Hier wordt bedoeld de schepping, die vanwege onze zonden zucht onder de vloek der zonde. „En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten in onszelf".

Er gaat dus als het ware een zucht door heel dit tekstgedeelte. Een zucht ona bevrijding, om verlossing, om ontbonden te worden van de knellende banden, die nu nog drukken. Een zucht om te komen tot de volkomenheid, die wel in hoop is gesteld, maar nog niet in bezit is gekomen.

Zo ziet dus de apostel de kerk des Heeren al zuchtende met begerige ogen uitziende naar de heerlijke toekomst, die beloofd is en daarom verwacht mag worden.

Uit de onvolkomenheid van de in het vooruitzicht gestelde zaligheid kan de kerk des Heeren zuchten. Want deze heerlijkheid, die aan Gods kerk zal geopenbaard worden, stelt immers des te schrijnender de armoede, de leegheid enz. van hét leven in het vlees. De dood heerst hier nog zo veelszins. Vandaar, dat de apostel van deze zuchters ook zegt: Wij weten niet te bidden, gelijk het behoort. Dat is de armoede, de inwerkende kracht van de aangeboren blindheid. Wij weten niet! Wat een eerlijke, maar tegelijk diep droevige belijdenis van onze nameloze armoede. We wisten het eenmaal wel. Nu niet meer. Een belijdenis, geleerd in de oefenschool des geloofs.

Zuchten is daarom het kenmerk van de kerk des Heeren in dit gedeelte. Zuchten, dat is woordeloze vertolking van innerlijke smart. Zonder het te kunnen uitdrukken in woorden het hart te ontlasten aan de boezem des Heeren. Zuchten de vertolking van al dat leed, van al die strijd, van al dat inwonende kwaad, dat drukt; van al dat verlangen en die begeerten, die woordeloos doen opzien naar de hemel.

En worden zo al zuchtende niet de meeste oprechte, uit de ware nood van het hart geboren gebeden zonder woorden opgezonden naar de hemel? Is dat de voortdurende, bhjvende werkzaamheid van uw hart wel? Wat al een zuchten onder opstand, vijandschap van het hart, onverenigdheid met Gods weg enz. of zuchten van verlangen, van heimwee naar de gemeenschap met de Heere, naar de volkomenheid der gemeenschap met God worden er geslaakt.

Zeker, er zijn gewoonte-zuchters, mensen, die, als ge ze ontmoet, bij voorbaat al zuchten om er de bekeerde man of vrouw mee te zijn. Neen, dat wordt hier niet bedoeld. Het is dat zuchten, dat de Heere alleen bekend is en dat alleen in Zijn tegenwoordigheid gedaan wordt. Ook ten deze is er veel namaak. Veel vroomdoenerij, dat niets met het ware zuchten te maken heeft.

Ook is er veel zuchten, dat voortvloeit uit de omstandigheden of vrees voor C - • straf der hel, zonder de ocr-^aak van de zonde te kennen. En dat ben ik-zelf. Dat is juist bij de oprechte zuchter de oorzaak van het innerlijk leed en van zijn innerüjke smart. Ik ben het, die niet ben, zoals de Heere zo waard was, dat ik zou zijn. Om Godswil zuchten, dat is de diepste grond van dit alles. En zie, nu worden deze zuchters hier als de gelukkige deelgenoten getekend van de sterke vertroosting ia de woorden van onze tekst. Maar dat is niet het enige kenmerk, waarmede de apostel Paulus hen komt aan te wijzen.

Zij worden in de woorden van onze tekst verder genoemd: „degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn". Geroepen! Dat laat ons zien, dat ze allen doof waren voor de roepstemmen Gods. Doof door de zonde waren allen, die de apostel hier beschrijft, zoals alle mensen doof zijn voor de roepstemmen Gods, al hebben ze dan ook een kerkbank versleten. Dat tekent onze diepe doodsstaat. Onze nameloos diepe val in Adam.

God moest roepen, niet maar spreken, maar roepen, krachtig, doordringend, onwederstandelijk roepen om de hardslapende zondaar in het diepst van zijn ziel te kunnen bereiken.

En dat deed Hij. Bij een Lydia even krachtig als bij een stokbewaarder. Hij riep ze uit de slavernij der zonde; zowel

uit de kroeg als uit de vormendienst. Allen hadden ze dit gemeen, ze zouden zich doodgeslapen hebben in de zonde, wanneer de Heere hen niet krachtig had geroepen.

Door deze inwendige roeping werden ze zuchters tot God uit het diepe ongeluk van hun ziel. Wat een zuchten zonden ze naar de hemel. Zuchten, die vertolkten hun nood en begeerte. Zuchten uit him Godsgemis, uit de vreze des doods, uit de kennis van hun zonden en overtredingen. Zuchten om de Heere weer tot hun deel te krijgen. En zo zijn ze al zuchtende de smalle weg ten hemel gegaan. Veel is op deze weg gesmaakt van Gods goedheid, van Christus' dierbaarheid en borgtocht. De één heeft daar meer van ondervonden dan de ander; de één is door de Heere spoediger verlost dan de ander van schuld en vloek, maar allen vertonen ze één en hetzelfde kenmerk, namelijk het zijn zuchters gebleven.

Tenminste, zo behoorde het te bHjven! Ach, velen van Gods kinderen zijn schijnbaar het zuchten verleerd. Ze hebben of zich zo ingewroet in de dingen van deze v/ereld en leven zo ver van God, dat ze niet meer weten wat een levende zucht is naar de gemeenschap Gods, of ze zijn zo bekeerd geworden en zo ingenomen met zichzelf, dat ook hier tevergeefs gezocht wordt naar levende verzuchtingen. Hier geldt maar één woord: Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal tot u wederkeren.

Geroepenen zijn het dus. Maar dan naar het voornemen Gods. Dat is naar het eeuwige plan of bestek, hetwelk de drieënige God om Zichzelf te verheerlijken, heeft gemaakt. In dat bestek stond hun naam, daar stond het uur, de plaats waar en de omstandigheden waaronder ze geroepen zouden worden. WeDc een wonder van ontfermende Hefde!

Gekend en bestemd tot eeuwige verheerlijking des Heeren. Dat is het hoogste en zaligste. Wat een onderscheid. Niet beter dan anderen, even slecht, even bedorven, even dwaas en toch.... verkoren, geroepen. „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods".

Gelukkige pelgrims, die zo geroepen, geleid en beschermd, de onbekende en dreigende toekomst ingaan. Zij worden beveiligd en beschermd met eeuwige liefde. Behoort u er ook bij?

Barendreoht

Ds. J. KEUNING

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957

De Banier | 8 Pagina's

Vertroosting voor een zuchtend volk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken