Bekijk het origineel

Visserijen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Visserijen

14 minuten leestijd

Rede van Ir van Dis

Toen de landbouwaangelegenheden afgehandeld waren, kwam de afdeling Visserijen, welke een onderdeel van de begroting van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening uitmaakt, aan de orde.

Met andere sprekers werd hierbij na- , mens de Kamerfractie der S.G.P. het woord gevoerd door Ir. van Dis, die de navolgende rede uitsprak.

Mijnheer de Voorzitter!

Bij de behandeling van de afdeling Visserijen dezer begroting wens ik allereerst enkele opmerkingen te maken met betrekking tot hetgeen in het Voorlopig Verslag wordt vermeld, namelijk dat in visserijkrrngen de indruk bestaat, dat de Nederlandse regering nog steeds

onvoldoende aandacht en zorg

aan de visserij besteedt. Deze opmerking is inderdaad juist. Wanneer men kennis neemt van wat er in genoemde kringen leeft, dan moet men wel de indruk krijgen, dat naar veler oordeel de regering lang niet die aandacht en zorg aan de visserij besteedt, als gewenst en noodzakelijk ware. Deze klacht valt niet alleen in werkgeverskringen te beluisteren; ook anderen hebben een soortgelijke klacht meermalen geuit, waarop ik om des tijds wü echter niet nader kan ingaan. Wat de grieven in ondernemerskringen betreft, kunnen deze, in het kort samengevat, mijns inziens aldus worden weergegeven, dat men in deze kringen van oordeel is, dat een

positief visserijbeleid maar al te zeer ontbreekt, of met andere woorden, dat de regering in het verleden te weinig voor de visserij gedaan heeft en daarvoor ook thans nog te weinig doet. Wel heeft zij een Visserijnota bij de Kamer ingediend, welke in 1955 is behandeld, maar het heeft zeer lang geduurd voordat deze nota er eindelijk kwam. Maakt men te dezen een vergelijking met het buitenland, dan blijkt, dat de regeringen van andere landen een veel groter activiteit ten aanzien van hun visserij hebben betoond. Ik wijs op Frankrijk, welks vissersvloot door de oorlog nog veel sterker geleden had dan die van ons land, doch waar direct na de oorlog een grootscheeps bouwprogramma werd opgezet. Voorts zij gewezen op Duitsland, dat zo spoedig mogelijk na de oorlog aan de wederopbouw van zijn vissersvloot begonnen is, met het resultaat, dat, terwijl Nederland thans over een

totaal verouderde

drijfnetvloot beschikt met een gemiddelde leeftijd van ongeveer veertig jaar, de Duitse treilervloot minder dan zes jaar oud is, terwijl aldaar onlangs een vijfjarenplan bij de Westduitse bondsdag is ingediend, met het doel de Duitse visserij aan de internationale concurrentie te kunnen laten deelnemen. Richten wij de blik naar landen als Denemarken en Noorwegen, welke landen evenals Nederland voor een groot deel op de export zijn aangewezen, dan blijkt al evenzeer, dat het met het regeringsbeleid in deze landen ten aanzien van de visserij er veel gunstiger voorstaat dan in ons land. Behalve dat de Visserijnota ' zeer laat kwam, kleeft daaraan nog een ander ernstig bezwaar, waarover bij de behandeling dezer nota ook al het nodige is opgemerkt, namelijk het ontbreken van het toekennen van een

slooppremie

voor oude schepen, wanneer tot nieuwlx)uw wordt overgegaan. Bij de behandeling der nota wüde de minister van een dergelijke slooppremie niets weten en ook daarna bleef de minister, wanneer opnieuw op het toekennen van een slooppremie werd aangedrongen, daartegen een afwijzend standpunt innemen. Dat dit voor de ondernemers een grote teleurstelling was en nog steeds is, is begrijpelijk. Zij hebben toch in de jaren na de oorlog grote bedragen moeten uitgeven om de zwaar beschadigde drijfnetschepen weer bedrijfsklaar te maken. De Wederopbouwdienst heeft daarbij wel financiële steun geboden, maar een belangrijk deel moesten de ondernemers zelf bekostigen." Toen had de regering de visserij kunnen steunen door er in toe te stemmen, dat de door de eigenaars gemaakte kosten binnen zeer korte tijd konden afgeschreven worden. Van regeringswege werd dit echter onmogelijk gemaakt, zodat over de jaren 1946 tot 1950 zeer grote bedragen aan de

fiscus

moesten worden afgestaan. Dit had tengevolge, dat de ondernemers niet bij machte waren om de hypotheken, waarmede men de schepen ten behoeve van het herstel had moeten bezwaren, zo vlug mogelijk af te lossen, waardoor de vernieuwing der vloot in sterke mate werd geremd. Dientengevolge zijn er onder de haringrederijen nog verscheidene, die thans nog gebukt gaan onder de zware lasten, welke zij ten behoeve van het weer bedrijfsklaar maken van hun schepen op zich hebben moeten nemen. ^-Hierop ziende. Mijnheer de Voorzitter, behoeft het niet te verwonderen, dat er over geklaagd wordt, dat er van regeringswege te weinig voor de visserij is en wordt gedaan, ondanks de Visserijnota, waarvan door de ondernemers wordt verklaard, dat deze

totaal onvoldoende

is om in de financieringsmoeüijkheden te voorzien, gelijk ook blijkt uit het vrijwel ontbreken van animo om haringloggers te gaan bouwen. Daarbij komt nog, dat er in de eerste jaren na de oorlog maximumprijzen waren ingesteld, waardoor de inkomsten gedrukt werden, wat mede oorzaak was, dat er van vernieuwing der vloot uit eigen middelen en met behulp van hypotheken geen sprake kon zijn. Lettend op alle zich hierbij voordoende factoren, achten wij het verzoek der ondernemers om hun een slooppremie toe te kennen, alleszins billijk. Zij hebben dit verzoek herhaaldelijk ter kennis van de minister gebracht. Na een maandenlange behandeling van voorstellen tot het opruimen van 40 oude schepen kwam de minister, zoals ons van de zijde der ondernemers werd medegedeeld, met de toezegging, dat hij bereid was om 50 pet. in de slooppremie bij te dragen, indien de ondernemers de andere 50 pet. bijdroegen. Daarna is de minister echter op deze toezegging weer teruggekomen vanwege de bestedingsbeperking. Het is te verstaan. Mijnheer de Voorzitter, dat deze gang van zaken voor de ondernemers, die zich reeds met het voorstel om ieder de helft van de slooppremie op zich te nemen, akkoord verklaard hadden, een

grote tegenslag

is en hen zelfs met zorg vervult, daar het uit de'vaart nemen van oude schepen zowel economisch als om sociale re­ denen door hen noodzakelijk wordt j acht. Wij zouden er dan ook ten ster ste bij de minister op willen aandrinoe, om na te gaan, of er geen weg te vinda is om alsnog de ondernemers in deze te gemoet te komen. Een volgend punt. Mijnheer de Voorzii. ter, waarover ik enkele opmerkingen wens te maken, betreft de kwestie van de vermindering der haringvangsten, ivelk zich niet alleen bij onze visserij, niaj, ook bij die van andere landen, met namj van Engeland, doet gevoelen. Reeds in 1955 was deze verminderiii( merkbaar en zij zette zich in 1956 vooi{ Hoewel ook andere oorzaken hierbij in het spel kunnen zijn, lijkt het ons tocl wel aannemelijk, dat de overbe vissing, waarbij

te kleine hari

worden gevangen, welke dan tot vismetl verwerkt worden, hierbij een zeer voorname rol speelt. Volgens een artikel ii , , De Visserijwereld" van 18 Januari j.l zijn het vooral de Dsnen en de Duitsers, die zich schuldig maken aan het uitmoorden op grote schaal van de\jonge, onvol wassen haring. In de havens van Esbjeij en Bremershafen werd geconstateerd, dat daar in de maanden Juni-October dagelijks miljoenen kilo's jonge haring van dj grootte van ]J0—17 cm naar de vismeelen oliefabrieken worden getransporteerd, terwijl ook nog duizenden kilo's van andere ondermaatse vissoorten, zoals jongi kabeljauw, schelvis en wijting, in dea fabrieken terechtkomen. Welk een omvang de-verwerking van ondermaatse liaring en andere vissoorten aldaar aangenomen heeft, blijkt uit het feit, dat, toei men in 1947 met het vangen van ondermaatse vis begon, de vangst circa 13(1 ton was, doch in 1954 ongveer lOO.OOd ton, terwijl deze vangst in 1955 nog wea groter was. De Engelse en Schotse visserij ondervoni van de daling der haringvangsten zei zulk een

terugslag,

dat verscheidene Engelse en Schotse m- dernemers hun bedrijf moesten likwideren. Ook hier te lande wordt over de ling van de haringvangsten geklaagd Het wil ons voorkomen, dat dit verschijnsel nauwlettend behoort te worden gi degeslagen, daar hetgeen de Engelse en Schotse visserijbedrijven ten deel valt, ook de Nederlandse haringvisserij overkomen. Mijnheer de Voorzitter! In de gewisselde stukken wordt voorts ter sprake gebraclt het nieuwe onderzoekingsvaartuig, de

„Willem Beukelszoon"

De minister heeft in verband hiermede medegedeeld, dat hij bereid is te overwegen er aan mede te werken een tweede onderzoekingsvaartuig voor het verrichten van opsporings- en voorÜclitingswerk in de vaart te brengen. Hoewel het bedrijfsleven tegenover eea tweede onderzoekingsvaartuig zeker niet afwijzend staat, wordt het van die zijde, gelijk blijkt uit het adi-es van de Vereni' ging van Reders van vissersvaartuigen tó IJmuiden, toch wel nodig geacht, c eerst een grondig onderzoek naar de of niet noodzakelijkheid van een tweede vaartuig wordt ingesteld. En dit te meei omdat het niet onmogelijk is, dat de „Willem Beukelszoon" tevens voor opspfr rings- en voorlichtingswerk dienst zo» kunnen doen. Met het oog hierop waie het van belang, indien de minister «ei opgave zou kunnen geven van het aani vaardagen en vaaruren van de ..Wille" Beukelszoon" in de periode van 1 N"' vember 1956 tot 1 Maart 1957. Een ander vraagstuk. Mijnheer de Voofzitter, waarover ik heel kort iets wens te zeggen, betreft het vraagstuk van de

beraannJn! Ier schepen. Dit vraagstuk vormt een lanhoudende zorg van de visserijonderlemers. Volgens een omstreeks half Feliuari in de pers verschenen bericht zou \g toestand zelfs zó ernstig zijn, dat bij > nieuwe haringteelt, welke in Mei weer Lffint een kwart van de Scheveningse lissersvloot niet zal kunnen uitvaren wetens gebrek aan bemanning. In de Memorie van Antwoord zoekt de minister rif ooizaak van - dit bemanningstekort laarin, dat het betere deel der vissers Boor de nieuwere schepen wordt aange- Ukken. daar hierbij de beloningen geniddeld hoger zijn dan op de oude loglers en omdat zij van meer comfort zijn loorzicn. Hoewel het mogelijk is, dat leze omstandigheden bij verscheidene lissers inderdaad de doorslag geven om lp grotere nieuwe schepen te gaan vaen staat hier tegenover — zoals ik dit lermeld vond in een artikel van een Kat- Irijkse reder in „'De Visserijwereld" van |2 Februari j.l. — dat er ook vissers zijn, lie voorheen op loggers voeren en die liet naar grote, nieuwe schepen zijn gelaan, maar naar

kotters,

ivaarbii van bemanningsmoeilijkheden irijwel geen sprake is en waarvan de Iccomodatie, de voeding, de hygiënische lerzorging en de veiligheid al niet zo teel beter zijn dan die op de loggers, pok zijn vele vroegere opvarenden van ie IJmuidense treilers, die daar een vast haandloon hadden, desondanks naar de lotters overgegaan. Ook andere factoren Ban de minister in de Memorie van Antjvoord genoemd heeft, spelen bij het benanningsvraagstuk dus ongetwijfeld een lol.

Wat het

vissen op Zondag

betreft, Mijnheer de Voorzitter, is het bekend, dat wij daar — wegens godsdienstige en sociale redenen — tegen zijn. Wij betreuren het nog immer ten zeerste, dat de minister te dezer zake geen gehoor heeft gegeven aan het destijds door ons gedane verzoek, aan het vissen op Zondag, voor zover dit bij de visserij plaats heeft, een einde te maken. Voorts, Mijnheer de Voorzitter, nog iets over de gang van zaken bij de

IJsselmeervisserij.

Een paar jaar geleden gaf de minister, wanneer hem van de zijde der Kamer om een spoedige regelióg inzake het afvloeien van daarvoor in aanmerking komende IJsselmeervissers werd gevraagd, isTi antwoord, dat hij op het verschijnen van het rapport van de commissie-Van der. Zaal wachtte. Nu dit rapport er al langer dan een jaar is, bestaat nog steeds de toestand, dat de IJsselmeervissers niet weten waaraan zij toe zijn, of zij namelijk de visserij op het IJsselmeer zullen kunnen voortzetten, of dat zij hun vergunning moeten inleveren en waarvan zij in dat geval moeten bestaan. Wat de minister in de Memorie van Antwoord ditmaal over deze kwestie ten beste geeft, is wel zeer teleurstellend. Het zou zelfs niet behoeven te verwonderen, wanneer de vraag werd gesteld, waartoe het werk van de commissie-Van der Zaal eigenlijk nodig is geweest. De minister toch merkt onder meer op, dat de inmiddels al plaats gehad hebbende afvloeiing reeds verder is voortgeschreden dan in het rapport

van de commissie-Van der Zaal als eerste etappe van de sanering nodig was geoordeeld; voorts, dat de vissers, die het bedrijf hebben verlaten, zonder dat dit moeilijkheden opleverde, elders aan het werk zijn gegaan. Verder wijst de minister er op, dat de

verhoogde uitkering

krachtens de Zuiderzeesteunwet tot gevolg heeft gehad, dat velen het bedrijf verlaten, hetgeen ook al een bijdrage tot sanering van de IJsselmeervisserij betekent.

Tenslotte zegt de minister, dat de tijd, welke nodig is voor een goede behandeling van het rapport der commissie-Van der Zaal, minder bezwaren geeft dan wordt opgemerkt, omdat de afvloeiing al sneller is verlopen dan de commissie zelf heeft voorgesteld, en de bevissingsintensiteit nu al geringer is dan deze commissie tolerabel had geacht. Bij het kennisnemen van dergelijke uitspraken, Mijnheer de Voorzitter, ligt het inderdaad voor de hand te vragen, of de commissie-Van der Zaal wel nodig is geweest, daar voor de door de Minister genoemde maatregelen deze commissie niet nodig was. Het is echter anderzijds wel zeer treffend, dat er vanuit de kringen der IJsselmeervissers

steen en been

over geklaagd wordt, dat de op grond van het rapport der commissie-Van der Zaal in uitzicht gestelde maatregelen achterwege blijven. En niet alleen de IJsselmeervissers zelf klagen hierover, doch deze klachten worden ook geuit door bij voorbeeld de burgemeester van Steenwijk, de heer Voetelink, die dage­ lijks met de moeilijkheden dezer vissers' te maken heeft. Volgens hem dreigt zich een koude sanering der IJsselmeervisserij te voltrekken, doordat de regering in gebreke blijft de nodige maatregelen te treffen. De toestand onder de IJsselmeervissers vervult deze nijvere lieden dan ook met grote zorg, terwijl de ontevredenheid over het uitblijven van voorzieningen onder hen met de dag groeit. Dit geldt wel in het bijzonder voor hen, die de visserij op het IJsselmeer wensen te blijven uitoefenen, alsook voor hen, die hun bedrijf naar de Noordzee wensen over te schakelen, maar evenzeer voor diegenen, die in aanmerking komen voor vrijwillige afvloeiing. Ook dezen moeten weten wat hun te wachten staat, namelijk of ze straks naar de steun van Sociale Zaken verwezen zullen worden, of dat voor hen een regeling wordt gemaakt, welke hun uit moreel oogpunt, gelijk onzerzijds steeds is gezegd, rechtens toekomt.

A'ervolgens. Mijnheer de Voorzitter, wensen wij de belangen der

oester- en mosselkwekers

in de voortdurende aandacht van de geachte bewindsman aan te bevelen. Gezien de onaangename gevolgen, welke de uitvoering van het Deltaplan voor deze visserij zal hebben, achten wij het noodzakelijk, dat deze belangen naar recht en billijkheid door de regering behartigd worden.

Mijnheer de Voorzitter! Tenslotte wens ik enkele opmerkingen te maken over de vissershavens. Het antwoord, dat de minister heeft gegeven op de vraag uit het Voorlopig Verslag met betrekking tot de vernieuwing van de

buitenhaven te Scheveningen

en de aanleg van een haven te

Katwijk aan Zee,

heeft mij wel zeer teleurgesteld. De geachte bewindsman merkt namelijk op, dat de vorderingen betreffende deze plannen tot de competentie behoren van zijn ambtgenoot van Verkeer en Waterstaat. Wij kunnen het in deze maar ten dele met de minister eens zijn. Niet alleen de minister van Verkeer en Waterstaat toch is bij de kwestie der genoemde havens betrokken, doch evenzeer, ja naar onze mening zelfs in sterkere mate, de minister, aan wiens zorg de belangen der Visserij zijn toevertrouwd. Aan verbetering van de buitenhaven te Scheveningen en de aanleg van een nieuwe haven te Katwijk zou toch geen behoefte bestaan, indien de belangen der visserij daarbij niet ten nauwste betrokken waren. Bij de behandeling der begroting van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening voor 1956 heeft de minister dan ook in zijn rede met betrekking tot de aanleg van een haven te Katwijk zelf verklaard, dat deze zaak niet één, maar

twee Ministers

aangaat. De minister heeft zich er dus in zijn Memorie van Antwoord thans wel erg gemakkelijk van afgemaakt door de beantwoording der hem in het Voorlopig Verslag gestelde vraag af te wentelen op zijn ambtgenoot van Verkeer en Waterstaat.

De minister heeft voorts verleden jaar inzake de verbetering van de buitenhaven te Scheveningen en de aanleg van een haven te Katwijk volgens de Handelingen, blz. 3561, medegedeeld, dat de kwestie van de beide havens in studie is en dat hij het wenselijk achtte, dat deze studie werd voortgezet. Ook heeft de minister toen te kennen gegeven, dat hij bereid was toe te zeggen, dat de resultaten van deze studie aan de Kamer zouden worden medegedeeld. In het licht van deze uitspraken. Mijnheer de Voorzitter, is het toch wel zeer bevreemdend, dat de minister zich van deze voor de visserij zo belangrijke aangelegenheid afmaakt door in plaats van de Kamer van de stand van het onderzoek op de hoogte te stellen, te verklaren, dat de vorderingen van de plannen inzake de beide havens tot de competentie van zijn ambtgenoot van Verkeer en Waterstaat behoren. Wat nog te meer klemt, als daarbij bedacht wordt, dat de minister volgens de Handelingen 1955-1956, blz. 3564, ten aanzien van Katwijk een spoedige bekendmaking van het standpunt der regering heeft toegezegd.

Daar het reeds laat geworden was, besloot de Kamer op voorstel van de voorzitter om na de rede van de minister niet te repliceren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1957

De Banier | 8 Pagina's

Visserijen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken