Bekijk het origineel

Uit het eigen land

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit het eigen land

8 minuten leestijd

^? an welke zijde men ook het leven van )ns volk beziet, allerwege ontwaart men jen verval, zelfs een met de loop der ja- •en sterk toenemend verval. Let msn er op hoe des Heeren dag ivordt doorgebracht, dan zien wij de ontleiliging daarvan nog bij het jaar toenenen; komt men onder de mensen, dan vordt de - klacht steeds algemeen geloord, dat men thans zo weinig staat [an maken op hun woorden en beloften, lat hun ja altijd lang geen ja, hun neen ; venmin immer een neen is; en hoe geiurig kan men de klacht beluisteren, dat

men heden ten dage het leven van een mens niet meer telt. Voorwaar, wij kunnen waarnemen, hoe de ongerechtigheid zich vermenigvuldigt en hoe de Hefde van velen verkoelt. Daar geven enkele gebeurtenissen van de laatste tijd ons een hoogst bedroevend getuigenis van. Zo stond er kort geleden een viertal personen voor de rechtbank te Maastricht terecht in staat van beschuldiging, dat zij allen nauw bij een gepleegde moord betrokken waren. Twee hunner werd het plegen van moord, een derde medeplich­ tigheid aan moord, en en vierde uitlokking tot moord ten laste gelegd. Degene, aan wie het laatste ten laste gelegd werd, was de eigen vrouw van een 50-jarige fietsenhandelaar te Heer in Zuid-Limburg. Deze vrouw, zelfs 45 jaar oud, hield — zo noemt men in zekere kringen de zonde der hoererij tegenwoordig vergoelijkender wijs — er relaties op na met een jongeman van omstreeks 20 jaren, die als knecht bij haar man in diens zaak diende. Ook hier was het alzo, dat de ene zonde de andere met zich meesleepte. De vrouw liet zich gedurig tegen de knecht uit, dat zij wel van haar man af wïlde en er wel wat voor over had als men hem van kant maakte. Eens met de knecht in Luik zijnde, kocht zij een kleine Belgische revolver, zeggende, dat zij er wel 20.000 gulden voor over had als haar man daarmede werd neergeschoten. De knecht zelf schoot daar zijn patroon niet mee neer. Hij deelde echter aan een paar kennissen van hem mede, dat als zij niet tegen het plegen van een moord opzagen, er door hen ƒ 20.000.— verdiend kon worden.

De zaak werd op de avond van 25 Augustus van het vorige jaar beklonken in een café. Daarin bevestigde de vrouw aan de twee kennissen, dat zij stellig ƒ 20.000.— van haar zouden beuren, indien zij haar man van het leven beroofden. Daar werd een glas op gedronken. De vrouw en de knecht lieten zich een diner voorzetten. De beide kennissen trokken er op uit, gewapend met de revolver en voorzien van de huissleutel. Om elf uur gingen zij de woning binnen.

'^ii overvielen hun slachtoffer in zijn slaapkamer en sloegen hem met een ploertendoder neer. Vier kogels werden bovendien nog op hem afgeschoten. De twee bandieten lieten de verslagene badend in zijn bloed aan zijn lot over. Zij meenden, dat hij dood was, maar hij was niet dood. Nog drie uur bleef hij leven. Stervend werd hij door buren gevonden. Hij kon nog, zij het dan met inspanning van al zijn krachten, in een paar gebroken zinnen zeggen wie hem vermoord hadden. Overvallen door een paar jongens. . . . vrienden van zijn knecht. Dit is dan zo kort mogelijk weergegeven een verslag van de gruwelijke moord. In alle opzichten even weerzinwekkend en ontaard beestachtig. En welke straf is er nu geëist door de officier van justitie? Tegen elk van de vier bij de moord betrokkenen een gevangenisstraf van vijftien jaren. En dan zijn er nog, die dat een zware straf noemen!

Hoe ver zijn wij toch weggezonken! Dat men de afschuwelijkste moord met voorbedachten rade om een handvol geld kan bedrijven, en dat men dan — in volslagen strijd met Gods Woord, dat eist, dat het bloed van iemand, die met opzet het bloed van zijn naaste vergiet, ook vergoten zal worden — met vijftien jaar gevangenisstraf gestraft wil zien en dat men dat nog een zware straf vindt. Met dat de moord niet naar de eis van Gods Woord gestraft wordt, brengt men bloedschuld bij bloedschuld over ons land, want het bloed van de verslagenen blijft naar Gods troon om wraak roepen. Zo roept de overheid, Gods wet verzakend, Gods toorn over zichzelf en over haar onderdanen in. Dit is mede de oorzaak, dat het in ons land maar niet tot rust kan komen. Doch vi^at bekommert men zich in onze dagen om Gods toorn? Zijn Woord en wet vertredend, ontwerpt men wetten naar de verdorven smaak van onze tijd. Daarvan verwacht men dan de veifbetering, daarmede denkt men de misdaden te kunnen keren. Doch ook hier gaat het Woord des Heeren op, dat zegt: Tevergeefs eert gij Mij met geboden, die inzettingen van mensen zijn. Want deze zo ontaarde moordpartij, met al wat er bovendien nog aan zonde mee verbonden is, staat niet op zichzelf. Zij karakteriseert onze tijd met al zijn zonde en ongebondenheid, waarin wij het richterentijdperk van Israels volk, waarin ieder deed wat goed in zijn ogen was, zien herleven. En dit ook ten opzichte van onze jeugd.

Ook daaronder treft men een ongehoorde vrijbuiterij, een roven en stelen maar al te vaak aan. Een geval daarvan had dezer dagen plaats. Het betreft drie jongelui van omstreeks 17 jaar, afkomstig uit de buurt van Helmond. Daar braken zij in, stalen een auto met een, kist met gereedschappen. Daarmede begaven zij zich via Maastricht naar Meppel. Tijdens de rit werden onderscheidene garagehouders opgelicht voor benzine, en ettehjke sigarettenautomaten geplunderd. In Meppel verwisselden de jongens hun in Helmond gestolen auto voor een andere en zetten hun tocht daarmede voort naar Apeldoorn. Ook hadden zij al in een school ingebroken en hadden, om aan geld te komen, het daarin aanwezige spaargeld van de schoolkinderen gestolen. In Apeldoorn voorzagen zij zich weer van een andere auto, waarmede zij zicli in een razende vaart naan Twente begaven. Daar sloegen zij met hun wagen over de kop, waarmede aan hun dieverijen en roverijen ook meteen althans voorlopig een einde kwam, want de politie arresteerde hen. Allicht zullen zij in de één of andere verbeteringsinrichting voor de jeugd terecht komen. Of zij daar echter lang zullen verbHjven, staat zeer te bezien, gelet op de talrijke ontvluchtingen, welke er in de laatste tijd hebben plaats gevonden uit dergelijke inrichtingen. Dat men de mensen verbeteren wil, daar kan op zichzelf niemand iets tegen habben, doch dan moet dit overeenkomstig Gods ordinantiën geschieden, want anders komt er van alle verbetering toch niets terecht. En dit is het nu juist, dat helaas niet geschiedt. Gods Woord en wet worden ten achter gesteld bij de menselijke wijsheid. En dat moet zich wreken. De Heere toch is jaloers op Zijn eer. Hij laat Zich niet bespotten.

Straft men niet naar de eis van Gods wet, laat de overheid het zwaard, haar tot straffen van de zonde van God gegeven, vallen, dan raapt de misdadiger dat op en pleegt'hij daarmede allerlei zonde. Dan gebruikt hij het om desnoods degene, die hem in 'het bedrijven van zijn zondige daden tegenkomt, daarmede te vermoorden.

Wij hebben dat .gezien bij de Zwarte Ruiter bij zijn overval op de postkantoorhouder te Ravenstein, die hij pardoes heeft neergeschoten, en iets soortgelijks heeft zich nu weder voorgedaan te Princenhage.

Op Woensdagochtend 8 Mei omstreeks negen uur werd de 60-jarige bijkantoorhouder van de Nederlandse Handelmaatschappij, onder bedreiging met een pistool gedwongen ƒ 5.000.— af te geven.

Op genoemde morgen stopte enkele minuten vóór het kantoor werd geopend daarvoor een Belgische Citroen. Een kleine man belde aan en werd binnengelaten. Hij vroeg de kantoorhouder, die inmiddels op zijn kantoor had plaats genomen, of hij voor hem 500 Belgische francs kon wisselen. Hij gaf het Belgische geld en de kantoorhouder rekende hem voor, dat hij hiervoor ƒ 37.60 zou terugkrijgen. Het wisselgeld van het kantoor had hij op dat ogenblik in een la geborgen. Het bedroeg ƒ 5.000.— Nederlands geld en wat marken en franken. Op het moment, dat de kantoorhouder de man vidlde uitbetalen, haalde deze een groot pistool voor de dag, waarbij hij fluisterend zei: „Als je niets doet, zal er niets gebeuren", en zo werd de kantoorhouder gedwongen het geld uit de la aan de rover af te geven, die zich er, na de telefoondraden stuk getrokken te hebben, ijhngs mee naar de poHtie begaf, waarin een andere man was gezeten, die zijn gelaat achter ©en krant verborgen hield. Zo spoedig als de kantoorhouder maar kon, liet hij door middel van de telefoon bij één van zijn buren de politie waarschuwen, waarbij ook de Belgische douane en de Belgische rijkswacht werden gewaarschuwd, waarop kort daarop de Belgische gendarmes bij Meerle twee mannen, die door de velden een heenkomen zochten, ontdekten. Zij zetten de achtervolging op hen in, wisten hen staande te houden, maar konden slechts één van de twee arresteren. De andere wist met achterlating van zijn jas te ontkomen. Degene, die gearresteerd werd, is een Belg, een monteur uit Antwerpen, bij wie het in Pricenhage gestolen geld werd aangetroffen. Wie was nu de tweede, die wist te ontkomen? Er zijn er, die de Zwarte Ruiter daarvoor aanzien, ofschoon zij daarvoor niets anders hebben dan dat de bij de overval gebruikte Citroen was achtergelaten in de bossen vlak bij de grens, geheel volgens de ook vroeger door de Zwarte Ruiter geibruikte methode.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957

De Banier | 8 Pagina's

Uit het eigen land

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken