Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXVI.

Vervolg van Green's antwoord aan ds. Gunning. Laatstgenoemde en dr. Zaalberg.

In het voorafgaande werd de aandacht gevestigd op Groens geschrift: „Is er geen oorzaak", dat bedoeld was als verweer tegen hetgeen door de ethische ds. Gunning naar aanleiding van de Schriftondermijnende, Gode-onterende toespraken van de moderne Haagse predikant dr. Zaalberg was opgemerkt. Zijn betoog vervolgend, vroeg Groen aan ds. Gunning of het zo onverklaarbaar en laakbaar was, dat er uit de gemeente een kreet van smartelijke verbazing, een kreet van verontwaardiging, een kreet van angst, een noodkreet opging, nu men zag, dat hetgeen door de vrijzinnigen jaren achtereen met opzet verborgen en verkleind was, zich in kolossale afmetingen een weg baande en men een afgrond aanschouwde, welke met bloemen overdekt was. Zo onverklaarbaar en laakbaar, dat de gemeente sidderend vraagt of er nog wel een gereformeerde en protestantse, nog een christelijke kerk is? Dat de gemeente waagt; Moet dit, mag dit worden geduld? Heeft dan, zo vroeg Groen, de gemeente generlei recht? De leervrijheid generlei grens? De belofte, bij de aanvaarding van het leraarsambt afgelegd, generlei kracht? Is er dan generlei godslastering, die, met beroep op de consciëntie der gemeente, door haar opzieners behoort te worden gestuit? ik wijs, zo vervolgde hij, op hetgeen nu vooral aan de orde van de dag is. Op hetgeen voorbeeldeloos is. Op de predikatie van Dr. Zaalberg. Op de zaak zelf. Dat een leraar der christelijke kerk een cursus van het ongeloof houdt. Met voorbedachte rade. Dat hij deze anti-christelijke vertoning annonceert, afficheert en, week op week, het geloof °er gemeente in de historische grondslag, aanrandt. Ik noem deze gedrukte toespraken schotschriften tegen christendom en Bijbel; een soort van vergaarbak der lichtvaardigheden ener grenzeloze twijfelarij, die men, met de woordenrijkheid en gejaagdheid van iemand, die bij zijn eigen bedrijf en betoog geen rust heeft, als verkregen uitkomsten der wetenschap uitvent. Er is hier geen bestrijding, maar verguizing; geen verloochening, maar bespotting van de Christus, van Zijn Persoon, Zijn werk. Zijn Woord. Er is, zo niet een wederom kruisigen van de Heere, een mishandeling, soortgelijk aan die, welke Hij van de krijgsknechten ondergaan heeft. Dit geschiedt door een pre­ dikant. Dit geschiedt in de kerk. Dit geschiedt op de dag des Heeren. Dit geschiedt niet zo, dat de verantwoordelijkheid der ouderlingen, schijnbaar althans gedekt zij, omdat de drukpers vrij is; omdat in woorden van tweeërlei opvatting een zin kan gelegd worden, die niet bedoeld werd. O, neen. Hier is wezenlijk of voorgewend misverstand niet denkbaar. Met opzet, met blijkbaar welgevallen, snijdt de Evangelie-verloochenaar alle uitvluchten af. Het is een uitdaging aan de gemeente. Gij zult het lijdelijk aanzien, dat ik, in uw midden, met smaad overlade al wat u heilig en dierbaar is; dat ik met uw kerkgeloof, met uw hoop, uw steun, uw troost, uw barmhartige hogepriester, en uw anker der ziel de spot drijf, in uw eigen kerk. In Bijbeltaal heet dit een honen van de slagorden des levenden Gods. De gemeente vraagt: Mag dit? Moogt gij, lichtzinnige en onbesuisde spotter, leraar zijn van die kerk? Moogt gij de onmetelijke, zedelijke voorrechten, aan de ambtsbediening in die kerk verbonden, genieten en daarvan gebruik maken tot bestrijding en ondermijning van hetgeen zij belijdt, van haar historische grondslag?

Volgens sommigen moest Zaalbergs eigen geweten daarover oordelen. Maar, zo vroeg Groen zeer terecht, wanneer de leraar deze, naar de consciëntie der gemeente, gewetenloze daad als plichtsbetrachting beschouwt, waarop hij roem draagt, wat dan? Ziedaar, schreef Groen aan het adres van Ds. Guiming, de vraag van het ogenblik. Brengt uw kerkbegrip mee, dat zich tegen een bedrijf, als door Dr. Zaalberg gepleegd wordt, enkel geestelijke bestrijding, predikatie tegen predikatie, behoeft en behoort te worden gesteld? of nog iets anders?

Aan al deze door Groen aan Ds. Gunning gestelde vragen, voegde hij er nog enkele andere aan toe, zoals onder meer deze, wat tegenover zulk een gedrag de bevoegdheid en de plicht van de kerkeraad, van de ouderlingen is; of de kerkbelijdenis dan generlei verbindende kracht heeft, zelfs niet in haar grondslag. Voorts of voortdurende kerkgemeenschap met dwaalleraars, zoals Zaalberg, door de goede Herder en Zijn apostelen vergund is.

Ds. Gunning kwam er tenslotte toe tot Dr. Zaalberg en diens collega Ds. Hoevers, ook vrijzinnig predikant te 's-Gravenhage, een schrijven te richten, waarin hij het vertrouwen uitsprak, dat hun eigen geweten de onhoudbaarheid hunner stelling in de kerk zou gevoelen. Vervolgens verzocht hij htm om vrijwillig uit de ambtsbediening in de Ned. Herv. Kerk te treden, daar zij het geloofsbeginsel dier kerk bestreden. En voorts gaf hij hun in overweging een vrije gemeente op te richten onder een naam, die hen goed dacht. Wel had hun prediking volgens Ds. Gunning een uitwendig recht van bestaan, ook binnen de kerk, omdat volgens hem, wat de uitwendige handhaving der leer, op grond van haar historisch verkregen recht, betrof, de kerk ontbonden was en moest ontbonden worden naar de aard der tijden door de zonden der mensen en de oordelen Gods. Maar een wezenlijk, geestelijk recht had de prediking der twee vrijzinnige predikanten volgens Ds, Gunning niet, daar zij het klaarblijkelijk beginsel der Herv. Kerk bestreed.

Daarna heeft Ds. Guiming ook nog in de kerkeraad bij Dr. Zaalberg er op aangedrongen om vrijwillig af te treden. Dr. Zaalberg wenste dit echter niet te doen. Hij beriep zich op zijn geweten, en zeide, dat hij zich voor Gods aangezicht volkomen gerechtigd achtte om herder en leraar in de Hervormde Kerk te blijven. Precies dus het antwoord waarvan Groen reeds voorzegd had, dat men dit van Dr. Zaalberg en zijn geestverwanten zou krijgen wanneer men hun de vraag zou voorleggen of zij wel met een goed geweten in de Hervormde Kerk konden blijven.

Het antwoord van Dr. Zaalberg deed daarop Ds. Gunning verklaren, dat hij zich in zijn geweten voor Gods aangezicht gebonden achtte hem niet langer als christen-leraar te erkermen en bijgevolg ook zijn leerlingen niet als lidmaten der gemeente te kunnen bevestigen. Vervolgens zei Ds. Gunning, dat hij de door Dr. Zaalberg als „evangeliedienaar" verrichte werkzaamheden als onwettig zou beschouwen, ofschoon hij ze door uitwendige wering niet zou kunnen noch willen beletten. Tegen dit laatste kwam Groen echter nadrukkelijk op.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken