Bekijk het origineel

De woningbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De woningbouw

6 minuten leestijd

Bij voortduring hebben de afgevaardigden der S.G.P. in het parlement er hel pleit voor gevoerd, dat het particuliere initiatief van de woningibouwers niet bemoeilijkt, maar integendeel door de regering bevorderd zal worden. Zij deden dit, omdat zij daarin een middel zagen tot bevordering van de woningbouw. Het is toch in allerlei opzicht dringend gewenst, dat er meer woningen gebouwd worden. De woningnood is nog schreeuwend groot. In tal van gemeenten zelfs nog groter dan na het beëindigen van de bezetting. Dat is wel heel erg. In dit opzicht, gelijk ook in andere, zijn de naoorlogse regeringen wel zeer in hun plicht tekort geschoten. Het is toch de plicht van de regering om alles in het werk te stellen, dat ieder van haar onderdanen aan een behoorlijke woning kan komen, wat thans op geen stukken na het geval is. Het is met de woningnood nog uitermate droevig gesteld. Niet alleen zijn thans duizenden en duizenden Nederlanders allesbehalve naar behoren gehuisvest, maar ook kan er eveneens een geweldig groot getal hunner met al de moeite, welke zij zich daarvoor getroosten, niet aan een behoorlijk woonverblijf komen. Dat dit op ieder gebied hoogst schadelijk is, daarover bestaat bij alle verschil van mening onder de meilsen geen verschil. Daarom behoeven wdj daar ook geen woord meer aan te wijden, want daarover zijn allen het wel eens, dat van welke kant ook beschouwd, de bestaande hooggeklommen woningnood, maatschappelijk gesproken, een bron van schrikkelijke volksellende is. En dit niet alleen ten aanzien van de bittere ontevredenheid, welke zij bij de woningzoe'kenden kweekt en sticht, maar ook ten opzichte van de volksgezondheid en van het behoud van de goede zeden. Betreffende de volkshuisvesting is in 1901 een ibelangrijke Woningwet tot stand gekomen. In dat jaar werd een door de toenmalige regering voorstel van wet. Woningwet geheten, ingediend, dat door het parlement werd aangenomen, waarbij de woningbouw een door de overheid gestelde wettelijke basis verkreeg. Deze Woningwet hield onder meer in een erkenning door de overheid van de belangrijke plaats, welke de particuliere bouwondernemer in het kader van een deugdelijke volkshuisvesting ingenomen had. Toentertijd vond de woningbouw voor omstreeks 100 percent plaats door het particuliere initiatief, namelijk door de woningbouwondememer, die voor eigen rekening en risico woningen bouwde, zowel voor de verkoop als voor het verhuren, waarin hij voorzag in de behoefte aan woningen voor al de groeperingen van ons volk. Hierbij is het tevens van belang om op te merken, dat in dat tijdperk de huren van zodanige duurte waren, dat enerzijds een lonende exploitatie mogelijk was, en dat anderzijds de huurders tegen een redelijke prijs een woning konden huren. Bij de indiening van de even tevoren genoemde Woningwet werd door de toenmalige regering met nadruk gesteld, dat het geenszins in haar bedoeling lag om het particuliere initiatief een moordende concurrentie aan te doen, maar integendeel, om de verdere ontwikkeling én toe­ neming van het particulier initiatief betreffende de woningbouw te bevorderen. De grondslag, waarop deze Woningwet rustte, was:

a. Bouw en exploitatie door particulier initiatief.

b. Bouw en exploitatie door woningbouwverenigingen en gemeenten, voor zover het particulier initiatief tekort schoot.

c. Financiële steun alleen voor economisch_ en maatschappelijk min- en onvermogenden van overheidswege te verstrekken.

Zo ontstond er een periode, waarin de particuliere bouwondernemer in het bouwen en exploiteren van woningen voorzag. Aanvullend traden gemeenten en woningbouwverenigingen op ten einde te voorzien in de woningbehoefte van degenen, die uit eigen middelen geen evenredig deel van hun inkomen voor de huur van een woning konden besteden. Hierbij werkten het particulier initiatief en de overheid samen om zo doelmatig en zo goed mogelijk in de woningbouw te voorzien.

Ook na de eerste wereldoorlog, hoewel deze schadelijk werkte op het terrein van de volkshuisvesting, bleef deze toestand ongewijzigd. Tot het jaar 1939 was bij de woningbouw het particuHer initiatief regel en trad de overheidsbouw slechts aanvullend op, zoals dat in de Woningwet 1901 en het in 1931 van kracht geworden Woningbesluit geregeld was. Deze toestand is echter sterk gewijzigd na de tweede wereldoorlog. Daarna is de grondslag gelegd voor een sterk gewijagde overheidsbemoeiing aangaande de woningvoorziening. Dit komt wel heel duidelijk uit in de volgende sprekende cijfers.

Totale woningbouw in de jaren 1932 tot en met 1939 bedroeg 318.189 woningen, waarvan 92 percent gebouwd waren door het particulier initiatief. Totale woningbouw in de jaren 1940 tot en met 1947 bedroeg 57.594 woningen, waarvan 72 percent door het particuliere initiatief gebouwd waren. Totale woningbouw in de jaren 1948 tot en met 1956 bedroeg 496.936, waarvan 36 percent door het particuliere initiatief gebouwd waren.

Deze cijfers tonen wel heel overtuigend aan, dat de bouw door particulier initiatief na het beëindigen van de bezetting heel sterk was achteruitgegaan. Een reden daarvan is mede, dat de bestaande premielening voor particuliere bouw aanmerkelijk ongunstiger was dan de financiële regeling van het rijk aan de bouw van woningen door verenigingen en gemeenten. Dit moge naar de zin en de smaak van de socialisten zijn, die alles door Vadertje Staat geregeld willen zien en daarom de nationaMsatie en socialisatie van woningen door de staat wensen, maar het is in geen enkel opzicht gewenst, dat de staat als een grote verhuurbaas van woningen optreedt en bovendien is de huidige toestand, waarin het particulier initiatief zo achteruit gezet wordt en de bouw van woningen door de staat zo bevoordeeld wordt, hoogst schadelijk voor de oplossing van de woningnood. Deze is nog zo ontstellend groot, dat alles in het werk gesteld dient te worden om daaraan een einde te maken, of deze althans zo snel mogelijk te verminderen. Doch daar lijkt het nog allesbehalve op. Minister Witte moest onlangs nog in de Eerste Kamer bekennen, dat het ten opzichte van de woningbouw zeer teleurstellend gesteld is. Ook niet zonder enige grond is de vrees uitgesproken, dat het aantal woningen, dat er in 1958 staat gebouwd te worden, nog aanmerkelijk ten achter zal staan bij dat in de jaren 1956 en 1957 is gebouwd. En dat is toch wel heel erg. Vrijwel jaar op jaar hebben wij van achter de regeringstafel de verzekeringen gehoord, dat de woningbouw flink aangepakt zal worden en dat de bouw van zulk een groot aantal woningen te wachten staat, dat de woningbouw niet weinig zal verminderen, ja na verloop van betrekkelijk weinig jaren geheel tot het verleden zal behoren; terwijl zich bij de huidige woningbouw het bitter onaangename voordoet, dat de huurprijzen van de gereed gekomen woningen nog maar steeds stijgen, zodat deze woningen vanwege de hoge huurprijzen door tal van personen niet betrokken kunnen worden, hoe gaarne zij dit ook zouden willen, daar zij al lang uitziende zijn naar een eigen behuizing en zich er al zo veel moeite voor getroost hebben om een eigen huisvesting te bekomen.

Om allerlei redenen is het dan wenselijk, ja, lettende op het gewicht van deze aangelegenheid, noodzakelijk, dat het particuliere initiatief bij de woningbouw weder in ere hersteld wordt en dat uit de weg geruimd zal worden alles wat dit tegenhoudt, en dat wij ook op dit gebied niet langer in de door de socialisten gewenste koers varen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1957

De Banier | 8 Pagina's

De woningbouw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken