Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXX.

Groens aanklacht tegen de Haagse Jcerlceraad. Zijn verweer tegen Dr. Bronsveld.

Wij zagen, dat de vrijzinnige predikant Dr. Zaalberg zijn ambt had neergelegd, doch na enkele maanden hierop terugkwam en aan de kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te 's-Gravenhage berichtte, dat hij op de eerstvolgende Zondag weer wenste op te treden. Op Vrijdag vóór deze Zondag ging hij met vrouw en kinderen naar Den Haag, waar ook zijn ouders en vrienden zouden komen om van deze gebeurtenis getuige te zijn. De kerkeraad verzette zich echter tegen het weder optreden van Dr. Zaalberg, zodat diens plan niet kon doorgaan. Hierbij zij opgemerkt, dat Dr. Zaalberg niet slechts niet gewild was bij hen, die rechtzinnig in de behjdenis waren, doch ook, ja vooral ook bij de vrijzinnigen zelf, omdat zijn optreden voor hen uiterst onaangenaam was. Zo vermarde één hunner, namehjk prof. Knappert, nadat hij de dusgenaamde preek gelezen had, welke Dr. Zaalberg op de oewuste Zondag had wollen uitspreken, Mt men er de zenuwHjder uit proefde, en het voor de gemeente een geluk was geweest, dat Zaalbergs plan om weder "P te treden niet volvoerd was. Dr. Zaalberg beriep zich echter op de Synode en deze herstelde hem tegen de ^wl van de kerkeraad in weder in zijn ambt. Wel werd hij veroordeeld tot vier ^eken schorsing vanwege vergrijp in Zijn kerkelijke bediening, maar dit kon Mar het oordeel der Synode geen reden f]^ om hem niet weder als predikant te s-Gravenhage toe te laten. * kerkeraad vroeg daarop herziening ™n deze uitspraak aan, doch zonder gunstig resultaat.

J^at Mr. Groen van Prinsterer nochtans let optreden van genoemde kerkeraad aakte, was daarm gelegen, dat hij de Sponden, waarop de kerkeraad zijn be­ zwaren inbracht, verkeerd achtte. Ook het vragen om herziening van de uitspraak der Synode door de kerkeraad keurde Groen af. De kerkeraad had namelijk naar zijn oordeel geen herziening mogen vragen.

In een zevental brochures onder de titel: „Bijdragen voor kerkgemeentelijk overleg" heeft Groen zijn bezwaren tegen het optreden van de kerkeraad uiteengezet. In de eerste bijdrage reeds deelde hij mede, dat hij, voordat de kerkeraad besloten had herziening van de Synodale uitspraak te vragen, aan een hd van de kerkeraad dat zijn gedachten over de be-

treffende aangelegenheid had gevraagd, na een uitvoerige bespreking, onder meer het volgend geschreven had: „Hoe meer ik over de zaak nadenk, des te meer ben ik, met u, overtuigd, dat de kerkeraad aan de Synode moet verklaren, geen persoon op de kansel te kunnen toelaten, die zich, door zijn lastertaal, buiten de gemeenschap der Christelijke kerk gesteld heeft. Hier althans geldt het: Non possumus (wij kunnen niet). Dit woord: „Ik kan niet anders, God helpe mij!" in de zin en geest van Luther, al is het ook met vrij wat minder gevaar, uitgesproken, zou een daad zijn, een begin der ook door u gewenste agitatie ter verbreking van de reglementaire tovercirkel, die telkens meer de gemeente onder de slavernij van het ongeloof brengt. Het middel van revisie (herziening) daarentegen is mijns inziens het onfeilbaar middel om elke levensvonk wederom te blussen en, na langdurig uitstel, te ondervinden, dat men het bij uitnemendheid gunstig ogenblik, door een maatregel, die geen doel kan treffen, heeft laten voorbijgaan". Het was naar Groens oordeel toch geheel en al verkeerd van de kerkeraad geweest om zijn aanklacht tegen Dr. Zaalberg niet te gronden op diens leer, maar op diens gedrag. Hierop ziende, kon van de Synode geen andere uitspraak worden verwacht dan zij gedaan had. Daarom moest de kerkeraad volgens Groen 'n geheel andere weg inslaan. Een 'weg, welke overeenkwam met de „eigenaardigheid van kerkgemeentelijke plichtsbetrachting". Een bestrijder van het bovennatuurhjke, gehjk Dr. Zaalberg was, iemand die de grondslag van alle gods-

dienst wegnam, aldus oordeelde Groen, is geen ilidmaat en kan dus ook geen leraar in de Ned. Herv. Kerk zijn. Dit hoofdelement echter had de kerkeraad uit het proces van Zaalberg gehcht, om zich te wikkelen in een verdrietelijke redekaveling over de juistheid van opvatting, niet van zijn kerkelijk leerbegrip, maar van zijn medische attesten; over de aard en graad, niet der verloochening van het Evangelie maar der werking van zenuwachtige prikkelbaarheid en overspanning. Immers, aldus verklaarde Groen, werd de Verwijdering begeerd, niet van de moderne predikant als Evangelieverloochenaar, maar van de onbesuisde onruststoker, van een lastig persoon, wiens handelwijs te langen leste voor iedereen, maar bovenal voor zijn eigen geloofs- en ongeloofsgenoten, onverdraaglijk was. Alleen door de felle gezindheid ten aanzien van Dr. Zaalberg was de eenparigheid verkrijgbaar waarmede de aanklacht geschiedde. Men kwam alzo tegen Dr. Zaalberg op met uitdrukkelijke terzijdesteUing van de hoofdzaak. Zijn modem standpunt tastte men echter niet aan. Hierdoor leverde de kerkeraad van 's-Gravenhage volgens Groen het bewdjs, dat men tot verwijdering van de felste godsdienstbestiijder, mits deze niet onstuimig te werk ging, geen vrijheid vond of geen kans zag.

De aanklacht van Groen tegen de Haagse kerkeraad vond bij velen grote bijval, maar er waren er ook, die haar afkeurden. In Groens dagen was het onder anderen Dr. Bronsveld, die hem de vraag stelde, of de kerkeraad dan naar Groens mening openlijk, tegen het besluit van de Synode in, aan Dr. Zaalberg de kansel had moeten weigeren en had moeten verklaren: Ik onderwerp mij aan u, o Synode, niet? Dit zou echter, aldus merkte Dr. Bronsveld op, het ontslag van de kerkeraad tengevolge hebben gehad; de predikanten zouden geschorst en bij blijvend verzet ontslagen zijn geworden, zodat er scheiding gekomen zou zijn. Ook Dr. G. J. Vos heeft later in één van zijn werken zich te dezer zake tegen Groen uitgesproken. Groen liet zich echter door dergelijke afkeurende oordeelvellingen niet van zijn stuk brengen. Tegen Dr. Bronsveld merkte hij op, dat vrees voor rustverstoring, voor tweedracht en scheiding de dierbaarste en heiligste belangen en rechten der gemeente aan het ongeloof prijsgaf. Dat was volgens hem het kort begrip'der geschiedenis van het — zoals Groen schreef — Hervormd Kerkgenootschap van 1816. Desniettemin achtte hij vermaning tot behoedzaamheid zeer behartigenswaard. Ook in het genootschap, hoe diep gezonken en ontaard, aldus Groen, leeft de Hervormde Kerk nog. Met moed en beleid gevoerd, kon de strijd volgens hem leiden tot een sedert lang gewenste hereniging met de Afgescheiden gemeenten op historische grondslag.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken