Bekijk het origineel

Verhoging van bepaalde belastingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verhoging van bepaalde belastingen

17 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir van Dis

In de Nota in zake de beperking der bestedingen, welke de Kamer ruim drie maanden geleden behandelde, had de regering aangekondigd, dat zij naast het nemen van andere maatregelen, ook het plan had enkele belastingen te verhogen, te weten de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting en de personele belasting. Korte tijd na de behandeling dezer Nota diende de minister van Financiën de wetsontwerpen betreffende deze deels tijdelijke belastingverhogingen bij de Tweede Kamer in, zodat deze na de gebruikelijke voorbereiding iii behandeling konden komen. Namens de fractie der S.G.P. werd hierbij het woord gevoerd door Ir. van Dis, wiens rede wij zonder verdere toelichting laten volgen. Ir. van Dis spraik als volgt:

Mijnheer de Voorzitter! Zonder in den brede terug te komen op hetgeen onzerzijds bij de behandeling van de Nota betreffende de bestedingsbeperking te berde is gebracht, wensen wij toch ons standpimt tegenover de onderhavige wetsontwerpen, welke in de Nota reeds aangekondigd waren, nader aan te geven. Daarbij stellen wij voorop, dat deze wetsontwerpen bij ons op

zeer ernstige bezwaren

stuiten. In plaats toch, dat daarin wordt voorgesteld de bedrijven te verlichten door de belastingen te verlagen, beogen zij integendeel juist bepaalde belastingen te verhogen tot een totale opbrengst van 125 miljoen gulden. Allereerst wordit er in voorgesteld het bestaande tarief der vennootschapsbelasting met 4 pet. te verhogen voor de jaren 1957 en 1958, waarvan een meerdere opbrengst van 100 miljoen wordt verwacht. Voorts houden de wetsontwerpen in een zodanige wijziging van de omzetbelasting, dat het tussentarief van 8 tot 10 pet. verhoogd wordt, terwijl het weeldetarief van 15 pet. tot 18 pet. wordt verhoogd. Dat hierbij personenauto's en motorrijwielen uitgezonderd worden, heeft onze instemming, maar wij achten het wel bezwaarlijk, dat

nieuwe banden

voor personenauto's en motorrijwielen onder het 15 pot.-tarief worden gebracht, wat dus neerkomt op een verhoging met 10 pet. De ondernemingen, vi^lke ziöh met het autogoederen- en personenvervoer bezighouden — het is mijn voornemen hierop straks nog nader terug te komen — en die onlangs ook reeds door verhoging van de benzineprijs zwaarder belast zijn, worden door deze tariefsverhoging opnieuw getroffen. Bovendien behelzen de wetsontwerpen een wijziging der personele belasting, welke 7 miljoen moet opbrengen. Wanneer vidj in aanmerking nemen. Mijnheer de Voorzitter, dat de lasten, welke op de bedrijven drukken, reeds zo zwaar zijn en deze in de laatste maanden door andere maatregelen nog vermeerderd zijn, dan is het zeer goed te verstaan, dat er tegen de voorgestelde belastingverhogingen van de zijde der ondernemers

onoverkomelijke bezwaren zijn en wordten ingebracht. DaarK' wordt het de regering als een ernsöm grief aangerekend, dat zij beperking der bestedingen voornamelijk op de ruggen van anderen wil doen neerkomen dodi zelf zo min mogelijk daaraan bijdra Reeds voordat de regering de Beste dingsbeperkingsnota bij de Kamer had ingediend en dus voordat de onderhavige wetsontwerpen bekend waren heb. ben de drie grote verbondten van werkgevers reeds in een schrijven aan regering hun verwondering en teleurstelling er over uitgesproken, dat zij TJ^ het schrijven der regering aan de Stichting van de Arbeid hadden geconstateerd', dat de regering in het geheel niet had doen blijken van een poging om de benodigde middelen göheel of ten deli door

bezuinigingen

in de overheidssectoren te vinden. Deze verbonden gaven bij diezelfde gelegenheid voorts hun grote bezorgdheid te kennen over de maatregelen, welke door hen verwacht werden, namelijk de beperking van de investeringsaftrek, het niet of zonder meer mogen doorberekenen van loonsverhogingen en andere kositenstijgingen in de binnenlandse prij. zen en verzwaring der directe belastingen. In de drie hier door mij genoemde punten werd door de genoemde verbonden een zeer ernstige bedreiging gezien voor de

werkgelegenheid,

waarvan bij de wassende bevolking de toeneming moet opgevangen worden door uitbreiding van het productieapparaat, waarvoor investering onmisbaar is. Dit geldt ook met het oog op onze export, waarbij de betalingsbalans zo allemauwst betrokken is. Niettegenstaande deze bezwaren van de zijde van het bedrijfsleven is de regering toch gekomen met maatregelen, welke het bedrijfsleven verzwaren en de productieverhoging belemmeren. Eerst door de investeringsaftrek op te scho^ ten, en thans door de voorgestelde belastingverhogingen. De bezwaren tegen deze voorstellen klemmen te meer, als men er acht op geeft, dat het regeringsbeleid van de laatste jaren allerminst getuigt van een verantwoord, zuinig beleid. De tutgaven zijn in enkele jaren üjds sterk gestegen, waardoor de

ambtenarij en bureaucratie

in niet geringe mate bevorderd zijn. Om een voorbeeld te geven van de ontstemming, welke er in middenstandskringen over de belastingvoorstellen der regering bestaat, wijzen wij op een artikel uit heit orgaan van de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond, het nummer van Mei 1957. Op bk. 79 staat onder meer het volgende te lezen:

„Waimeer men bedenkt, dat het rijk in 4 jaren tijds ca. 1.5 miljard meer heeft uitgegeven en dat de vermindering der rijksuitgaven in het kader der bestedingsbeperking nog geen 200 miljoen haalt op een wijze, wete wij allerminst kunnen bewonderen, dan kan men daarin toch moeilijk de prikkel vinden om de weerzin tegen verhoging van de fiscale druk ts overwinnen". . ,

Vervolgens wordt in genoemd artike) verklaard, dat de regering bezwaarlijk verwachten kan, dat zij bij het merendeel van het Nederlandse volk en in W bijzonder bij de

steeds zwaarder belaste

ondernemers laaiende geestdrift vo I haar beleid zal aantreffen, wanneer be- Aicht wordt, dat twee totaal overbodige ngpartementen in stand worden gehouj n en dat maatregelen beraamd worj n welke nieuwe kostbare ambtenarij taveeg brengen, zoals het geval is met hstrekking tot de blokkering van de tegemoetkomingen in de lasten der grondeicrenaren en van de helft der voorge- Bf^en huurverhoging. Uijnlieer de Voorzitter! Wat wij aan het orïaan van de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond ontleenden, komt gewl en al overeen met wat onzerzijds

reeds jaren achtereen

ji en ook buiten de Kamer is betoogd, namelijk, dat het regeringsbeleid der naoorlogse jaren zich maar al te zeer op jen veel te hoog niveau heeft bevonden en dat de achtereenvolgende ministeries, gesteund door de overgrote meerderheid der Kamer, met het geld trameten hebben, onder meer ook door iet toekennen van subsidies aan allerlei vermaken, die indruisen tegen de geest van

Gods Woord.

Om dan verder maar niet te spreken van de grote schade, welke men het land berokkend heeft door het overdra- I van souvereiniteit over Indië van Nederland aan Indonesië.

In het adres. Mijnheer de Voorzitter, dat de Kamer dezer dagen, ook van de zijde van de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond, werd' toegezonden, . gedateerd 1 Juli 1957, wordt al evenzeer bezwaar iagebracht tegen de in de wetsontwerpen voorgestelde belasitingverhogingen. Met name wordt daarin gevraagd, of de verhoging van de ven­ nootschapsbelasting tot het voorgestelde bedrag wel noodzakehjk is, als bedacht wordt, dat volgens de Memorie van Antwoord de daarin opgenomen begrotingen voor de Gewone Dienst, de Buitengewone Dienst I en het Landbouw- Egalisatiefonds tezamen een voordelig saldo vertonen van 129 miljoen. De minister zal deze vraag ongetwijfeld

' bevestigend

beantwoorden, daar uit heel de Memorie van Antwoord en ook uit hetgeen door hem bhjkens het verslag van het mondeling overleg, bij dit overleg is opgemerkt wel duideHjk bhjkt, dat de minister de opbrengst van de voorgestelde verhoging der vennootschapsbelasting met het oog op de uiterst precaire kaspositie van het rijk niet prijsgeven wil.

Wij vragen ons echter af. Mijnheer de Voorzitter, of het niet mogelijk ware geweest om onderscheid te maken tussen de naamloze vennootschappen onderling door voor de

kleinere,

die met de middenstandsbedrijven te vergelijken zijn, de verhoging der vennootschapsbelasting met een kleiner percentage te doen plaats hebben of deze, zo nodig, van de verhoging uit te zonderen.

Ook zouden wij het bilHjk achten, wanneer deze extra-belasting later zou worden teruggegeven. In het Voorlopig Verslag is Tiierop aangedrongen; zelfs blijkt uit dit verslag, dat vele leden, ten behoeve van de aanvulling van des rijks kas, de verhoging der vennootschapsbelasting met 2 pet. slechts kun­ nen aanvaarden, wanneer komt vast te staan, dat deze extra-belasting later gevolgd zal worden door een overeenkomstige terugontvangst. Op die manier toch zouden de mogehjkheden tot besteding voor het bedrijfsleven verminderen, de

kaspositie

zou er door verbeterd worden, tei"wijl in de toekomst de mogehjkheden voor het bedrijfsleven niet verkleind zouden zijn door het ontnemen van bezit, gelijk geschiedt wanneer geen terugbetaling zou plaats hebben. Het amendement, dat door de heer Lucas c.s. met het oog op de mogelijkheid van terugbetaling is ingediend, heeft dan ook onze instemming.

Wij betretnen het derhalve zeer, Mijnheer de Voorzitter, dat de minister van een teruggeven van de hierbedoelde belastinggelden niet wil weten. De Memorie van Antwoord laat te dezen over het standpunt van de minister geen twijfel bestaan, waar door hem wordt verklaard', dat het standpunt, dat deze verhoging van de vennootschapsbelasting tot een bedrag van 50 miljoen slechts aanvaardbaar is, indien tevens vaststaat, dat later een overeenkomstige teruggaaf zal plaats vinden, door hem niet kan worden onderschreven. Dit antwoord. Mijnheer de Voorzitter, heeft ons zeer teleurgesteld, omdat de

lasten,

welke door deze belastingverhoging op de naamloze vennootschappen worden gelegd, niet gering zijn. Men heeft daar tengevolge van de gestegen prijzen ook te kamfgn met financieringsmoeilijkheden, waarvoor men een oplossing moet zien te vinden zonder gebruik te kunnen maken van belastingfaciliteiten, welke aan andere bedrijfstakken wel geboden worden. Men moet alzo zijn middelen versterken door interne financiering, wat bij het ontbreken van de mogeHjkheid tot voldoende onbelaste reservering slechts mogelijk is uit de vidnst na aftrek van de vennootschapsbelasting. De voorgestelde

verhoging

der vennootschapsbelasting betekent dus voor dergelijke naamloze vennootschappen, dat het gedeelte van de winst, waarmede de financieringsmoeüijkheden moeten worden opgelost, nog kleiner wordt, wat voor onderscheidene bedrijven onoverkomenlijke moeilijkheden oplevert, welke nog vermeerderd worden door de tijdelijke opschorting van de iriventeringsaftrek. Heel het bedrijfsleven zaJ. dan ook de gevolgen van de voorgestelde belastingverhoging straks gaan gevoelen. Om slechts één bedrijfstak te noemen, zij gewezen op de

katoen-, rayon- en linnenindustrie,

welke een vereniging vormt, waarbij 127 ondernemingen zijn aangesloten, die gezamenlijk aan ongeveer 55.000 personen werk verschaffen. In een adres van 5 Maart 1957 maakt deze vereniging haar grote bezorgdheid kenbaar, zowel over het voornemen tot opschorting van de investeringsaftrek als over de voorgestelde verhoging der vennootschapsbelasting. In de kringen van de

groothandel

worden de bezwaren tegen deze ver- hoging ook dermate gevoeld, dat men ze in een adres van die zijde zelfs onaanvaardbaar heeft genoemd. Ook over de verhoging van de omzetbelasting zijn door handel en industrie gegronde klachten geuit. Er bestaat in deze kringen maar al te zeer de vrees, dat verhoging der omzetblasting betreffende de door hen verhandelde artikelen tot vermindering van de omzet zal leiden. Wij noemen slechts de fotohandel, de zaken, die eau de cologne, lotions en dergelijke verkopen, alsook die, welke gouden en zilveren voorwerpen verhandelen. Van laatstgenoemde handel is d.d. 28 Februari 1957 bij de Kamer een adres ingekomen, waarin er op gewezen wordt, dat, toen enkele jaren geleden, het was in 1950, het tarief van de

omzetbelasting

voor deze branche van 15 tot 30 pot. verhoogd werd, idit geleid heeft tot een zeer sterke vermindering van de omzet in gouden en züveren artikelen. Deze vermindering was zelfs van die aard, dat de regering er in 1952 aanleiding in vond om het tarief op 15 pot. terug te brengen, waarna een belangrijke opleving in deze bedrijfstak te constateren viel. Men is dan ook in deze branche van oordeel, dat elke verhoging boven 15 pot. zich in de omzet zal doen gevoelen, namelijk zo, dat deze zal verminderen. Er dreigt alzo groot gevaar, dat verhoging van de omzetbelasting voor deze artikelen van 15 tot 18 pet. niet de door de minister beoogde vermeerdering van belastingopbrengst zal opleveren, ja, het is zelfs niet uitgesloten, dat, wanneer de omzet ten gevolge dezer verhoging belangrijk vermindert, de opbrengst der omzetbelasting op deze artikelen zal dalen. Het wil ons dan ook veeleer voorkomen, dat vermindering der omzetbelasting de omzet dezer artikelen en dientengevolge ook de belastingopbrengst zou bevorderen. Tevens zou de werkgelegenheid daarbij ten zeerste gebaat zijn, daar vermindering van omzet van grote invloed is op de werkgelegenheid en zelfs tot

werkloosheid

in een bepaalde bedrijfstak kan leiden. Inzake het verhogen van de omzetbelasting voor personenwagen- en motorbanden van 5 op 15 pet. hebben wij reeds een enkele opmerking gemaakt. Wij wensen hieraan in dit verband nog toe te voegen, dat deze verhoging toch wel uiterst willekeurig en zelfs onbülijk is. Het is toch zo gesteld, dat in verreweg de meeste gevallen personenauto's en ook motorrijwielen voor

bedrijfs- en zakenvervoer

worden aangewend en slechts zeer ten dele als luxe kunnen worden aangemerkt. Bovendien worden ook de vervoersondernemingen door deze verhoging getroffen, daar toch circa 41.000 lichte bedrijfsauto's met een laadvermogen van 1000 kg. er extra door belast zullen worden. Handel en industrie van voedings- en genotmiddelen alsook de landbouw zullen eveneens de gevolgen van deze verzwaarde belasting ondervinden. Bovendien dreigt hierdoor gevaar voor de

verkeersveiligheid

te ontstaan, doordat op banden doorgereden zal worden, die hoog nodig vernieuwd behoorden te worden. Het is dan ook zeer de vraag, of de minister met deze maatregel de 3 miljoen verkrijgen zal, waarop gerekend wordt. En al zou dit wel het geval zijn, dan weegt de geschatte meeropbrengst niet tegen de genoemde bezwaren op. Te meer zijn deze bezwaren te verstaan, als bedacht wordt, dat de minister de verhoging van omzetbelasting niet toegepast wenst te zien op

alcoholische dranken.

De minister geeft als reden hiervoor op het feit, dat onlangs voor gedistilleerde dranken de accijns verhoogd is. Dit geldt echter ook voor de gebruikers van personenauto's, waaronder lichte bedrijfsauto's, en voor die van motorrijwielen, daar deze kortgeleden voor de benzine een hogere prijs moesten gaan betalen als gevolg van de verhoging van invoerrechten op benzine. Hier wordt dus wel zeer willekeurig gehandeld. Wanneer wij het geheel der voorgestelde maatregelen overzien. Mijnheer de Voorzitter, dan menen wij met recht te kunnen concluderen, dat er alle reden voor is, dat er in de kringen van industrie en handel tegen de voorgestelde belastingverhoging

sterk verzet

gerezen is. Te meer klemt dit, als bedacht wordt, dat de prijzen niet verhoogd mogen worden, zodat de meerdere opbrengst der belastingen, indien de omzet al niet vermindert, van de winst af moet. Bleef het nu bij deze enkele verhogingen, dan zou dit nog te dragen zijn. Zo is het echter niet. De kos^rijzen zijn door verscheidene andere maatregelen in korte tijd reeds verhoogd of zullen nog verhoogd worden. Men denke aan de huurverhoging voor woningen en bedrijfspanden, aan de verhoging der lonen, aan de kosten, voortvloeiende uit de wet op de Algemene Ouderdomsvoorziening, , ; ^an de verhoging van tarieven van electriciteit, gas, telefoon en post. De voorgestelde belastingverhogingen konden dan ook wel eens de druppels zijn, die de emmer doen overlopen, zodat het

prijsstabilisatiebeleid

van minister Zijlstra, dat door de regering gedeeld en gesteund wordt, finaal doorbroken en helemaal niet meer te handhaven zal zijn. Men versta ons goed, Mijnheer de Voorzitter, wij wensen geen prijsverhoging te bepleiten. Dit hebben wij nimmer gedaan en dat doen wij ook nu niet. Wij hebben iategendeel er voortdurend voor gepleit, dat het leven

goedkoper

zou gemaakt worden. Wij achten zulks in het belang van heel ons volk, niet het minst ook van de vergeten groepen, die van een klein inkomen moeten rondkomen. Maar anderzijds hoede de regering zich er dan ook voor, het 't bedrijfsleven niet onmogelijk te maken en dit met last op last te bezwaren, waarbij generlei compensatie wordt geboden. Met het oog hierop, Mijnheer de Voorzitter, zijn wij van gevoelen — en dit is ook bij herhaling door ons bepleit — dat de regering, in plaats van de belastingen en lasten te verzwaren, haar eigen huishouding ingrijpend behoort te gaan saneren door de uitgaven in

sterkere mate

te gaan verminderen dan zij tot heden deed. Bij de behandeling van de Nota in zake de bestedingsbeperking deed de minister van Financiën alsof het schier onmogelijk zou zijn, bezuinigingsobjecten te vinden, maar om de verhoging van de melkprijs van 10 tot 6 cent te verminderen, is Zijne Excellentie er toch onder druk van de Kamer in geslaagd om in betrekkelijk korte tijd 30 miljoen bezuiniging op de uitgaven te vinden. Wanneer de minister voortgaat met het zoeken van objecten, welke tot vermindering der hoog opgeschroefde rijksuitgaven kunnen leiden, zal hij die zeker ook vinden. Wat tot nu toe aan bezuinigingen door de minister aangegeven is, is toch wel

zeer gering.

Volgens de brief van de minister van Financiën, gedateerd 1 Juli 1957, zal in het kader der bestedingsbeperking door de staat op zijn eigen huishouden in 1957 in totaal 122 miljoen bezuinigd worden, waarvan 52 miljoen op consumptieve uitgaven en op uitgaven voor investeringsdoeleinden 70 miljoen. Wij herhalen, Mijnheer de Voorzitter, dat de hier aangegeven bezuiniging naar ons oordeel — en daarin staan wij zeker niet alleen — veel te gering is. De algemene financiële toestand is toch van die aard — de minister heeft te dien aanzien in de Memorie van Antwoord verklaard, dat het begrotingstekort over 1957 met 111 miljoen zal toenemen tot een bedrag van 870 miljoen — dat beperking der uitgaven van het rijk g m

dringend nodig m z m

is, opdat de waarde van onze munt, de gulden, niet nog sterker zal gaan dalen dan nu reeds het geval is en daardoor de koopkracht voor ons volk steeds minder zal worden. Bovenal, Mijnheer de Voorzitter, zal het nodig zijn, dat de regering met Gods Woord te rade gaat, dit Woord tot b o o d a m t d

o richtsnoer a m t

stelt voor haar beleid en dienovereenkomstig paal en perk stelt aan allerlei werelds, zondig openbaar vermaak en het met haar tegenwoordigheid sanctioneren van allerlei festiviteiten, niettegenstaande de economische en financiële toestand van ons land zo uiterst donker is. Dit doende zou de regering tevens het k r t z h m m f n h

sparen

bevorderen. Er wordt buiten en ook in de Kamer, gelijk door de heren Lucas en van Eijsden vanmiddag nog weer gedaan werd, heel vaak en heel veel over bezitsvorming en sparen gesproken, maar hoe kan zulks plaats hebben, indien de spaarzin onder ons volk niet alleen krachtig wordt aangekweekt maar zelfs wordt tegengegaan en '

'^gestompt

door het in de gelegenheid te stelle zijn geld aan allerlei dusgenaamd vermaak en festiviteiten te verkwisten. Sna ren achten wij ook noodzakelijk, maar de regering moet dit voorts ook'mogelijk maken, hetgeen zij zou kunnen doen door de belastingen en de lasten OD om volk niet te verzwaren, maar veeleer te verlichten. Indien dit niet geschiedt, 2aJ alle aandrang tot sparen geen effect heb. ben. Hiermede, Mijnheer de Voorzitter menen wij ons standpunt tegenover ^ wetsontwei-pen genoegzaam te hebben toegelicht.

Het amendement van de heer Lucas dat beoogde na een zeker aantal jaren de helft van de op te brengen verhoging der vennootschapsbelasting (ƒ 50 miljoen) terug te geven, werd door de minister, zoals te voorzien was, afgewezen. De door hem aangevoerde argumenten waren echter nogal aanvechtbaar. Zo merkte de minister onder meer op, dat hij tegen dit amendement was omdat hij volgende ministeries niet wilde bezwaren. Dit ging volgens hem niet aan, daar men zijn eigen problemen niet mag afwentelen op een volgende minister van Financiën. Ten rechte werd daartegenover door de indiener van het amendement opgemerkt, dat dit argument geen steek hield, omdat men er toch ook niet tegen opziet om enonne kapitalen te lenen, waarvan volgende regeringen eveneens de lasten hebben te dragen. Tenslotte trok de heer Lucas zijn amendement echter tooh in, zodat het geen onderwerp van beraadslaging meer uitmaakte en dus ook niet in stemming kwam. Het wetsontwerp betreffende de tijdelijke verhoging der vennootschapsbelasting werd daarop zonder hoofdelijke stemming aangenomen, mef aantekening, dat de Kamerleden det S.G.P., alsmede de heren Welter en Duynstee geacht wensten te worden te hebben tegengestemd. De wetsontwerpen in zake tijdehjke verhoging van enkele tarieven der omzetbelasting en wijziging der personele belasting werden eveneens zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957

De Banier | 8 Pagina's

Verhoging van bepaalde belastingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken