Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXXÏ.

Afscheiding eigener beweging door Groen in 1868 onraadzaam en voorbarig geacht.

Terwijl dr. Bronsveld, zoals wij in het voorafgaande zagen, van oordeel was, dat da kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te 's-Gravenihage zidi moest neerleggen bij het besluit der Synode om de vrijziimige dr. Zaalberg weer als predikant toe te laten uit vrees voor schorsing en afzetting met als gevolg scheiding, stond mr. Groen van Prinsterer voor, dat de kerkeraad nóch voor het één nóch voor het ander behoorde terug te deinzen. Naar zijn gevoelen mooht de kerkeraad dr Zaalberg nimmer weder toelaten als predikant, zelfs niet, al zou dit tot ontslag en scheiding leiden. Groen merkte dan odk aan het adres van dr. Bronsveld op, dat deze in zijn vrees voor de gevolgen ener botsing met de Synode veel te ver ging. Dr. Bronsveld verklaarde wel, dat hij de scheiding niet vrezen zou en de kerkeraad tot het 'uitlokken van een afzetting van dr. Zaalberg zou durven aanmoedigen, wanneer de toestand slechts zo was, dat al de belijders van het Evangelie daartoe als één man zich aaneen sloten en zich stelden op het standpunt: of wij óf de modernen uit de kerk, maar die tijd was volgens dr. Bronsveld nog niet aangeibroken.

Groen beaamde het, dat die tijd nog niet gekomen was, maar hij voegde er •ian toe: „Die tijd zal nimmer komen, "ooit is er tot kerkherstel, in tijden gei'lk wij beleven, iets wezenlijks verricht door hen, die gewacht hebben, totdat ^1 de belijders van het Evangelie, als 6en enig man, zich solidair verklaarden en uitriepen: „Nun mit Gott, wir wollen s wagen" (Nu met God, wij willen het *^geii). Kerkherstel is voorbereid of tot stand gekomen ook door één enkel man, "'O, in de geest der martelaren, in de geest van een Huss of van een Luther, uit plichtsbesef, zeide of dacht: „Ik kan niet anders, al zou ik alleen staan; en ook aldus sta ik niet alleen, want de Heere is met mij en ook in het bezwijken overwin ik". De kerkeraad wüde echter die kant niet uit. Hij bepaalde zich tot een krachtig protest, terwijl de ouderlingen weigerden voortaan bij dr. Zaalberg ter kerk te gaan en de diakenen er slechts zouden heengaan om de diaconale gaven in te zamelen. De houding der ouderlingen had tot gevolg, dat dr. Zaalberg geen catechisanten meer kon aannemen,

geen huwelijk kon inzegenen, de Doop niet kon bedienen, terwijl er bij de diakenen al meer en meer bezwaar ontstond om tijdens zijn spreekbeurten te gaan collecteren. Dat dit optreden van het merendeel der kerkeraadsleden toch niet uit het rechte beginsel voortkwam, namelijk het handhaven van de leer naar Gods Woord, blijkt wel zeer duidelijk hieruit, dat de meerderheid van deze kerkeraad het goed vond, dat dr. Zaalbergs collega, de eveneens moderne predikant Hoevers, de catechisanten van dr. Zaalberg ging aannemen. Later zijn enige leden van de kerkeraad hierop wel teruggekomen, maar dit neemt niet weg, dat hun eerst ingenomen houding ten deze beslist afgekeurd moet worden, gehjk dit dan ook door mr. Groen van Prinsterer werd gedaan, die zich ook al evenmin bevredigd kon vinden door het hjdelijk verzet ten aanzien van de spreeikbeurten van dr. Zaalberg. Terecht stelde Groen de vraag of de ongeloofspropaganda minder verderfelijk is, omdat ouderling of diaken ze niet aanhoort. Met dit lijdelijk verzet was de gemeente dan ook volgens Groen niet gebaat. Van een werkelijk lijdelijk verzet was bij de kerkeraad ook geen sprake. Het was slechts een zogenaamd lijdelijk verzet. Van werkelijk lijdelijk verzet zou er naar het oordeel van Groen slechts sprake geweest zijn, indien de kerkeraad, zonder zich aan de Synodale uitspraak te storen, aan dr. Zaalberg geen predikbeurt had toegestaan en afgewacht had of door de sterke arm der overheid, het bevel van het kerkbestuur ten uitvoer zou worden gebracht.

Ofschoon uit het bovenstaande wel overtuigend blijkt, dat bij Groen handhaving van het beginsel vóór alles ging, ook al'zou dit tot scheiding hebben geleid, zo was hij er toch niet voor te vinden om tot afscheiding eigener beweging aan te sporen. Wanneer bij deze en gene al eens de vraag opkwam of nu de tijd niet gekomen was om de Nederlandse Hervormde Kerk te verlaten en zich bij de Afgescheiden Gemeenten te voegen — een vraag, welke in die tijd ook blijkbaar meermalen werd geuit en zelfs bevestigend beantwoord werd — dan liet Groen daartegen zijn waarschuwende stem horen, verklarende, dat thans meer dan ooit, afscheiding in zijn oog, om-aadzaam en voorbarig was. Nog steeds hoopte hij op herstel der kerk, die hem lief was, gelijk tot uiting komt in de navolgende regelen, ontleend aan één der brochures, welke Groen in die tijd schreef: „Voorzeker, tengevolge van de beklagenswaardige lijdelijkheid van de kerkeraad en van de bijkans algemene miskenning der ongeëvenaarde belangrijkheid van het vraagstuk voor de ganse kerk, zijn wij niet meer in dezelfde toestand als onder de verse indruk van het nu jaren achtereen gepleegde misdrijf. Desniettemin, ook thans nog, zo het aan veerkracht niet faalt, zijn de omstandigheden voor kerkherstel niet ongunstig. Geen afscheiding thans, nu de onverantwoordelijkheid in het oog valt ener tolerantie (verdraagzaamheid), die straks de kerk aan de intolerantie (onverdraagzaamheid) van het radicaal ongeloof prijsgeeft. Afscheiding thans z; ou, in het groot, de herhaling van de fout zijn, die met mij menigeen in 1834 betreurd heeft. Daarom zeide ik reeds: Vermaning tot behoedzaamheid is zeer behartigenswaard. Ook in het genootschap, hoe diep gezonken en ontaard, leeft de Hervormde Kerk nog. Met moed en beleid gevoerd, kan de strijd, waarin wij thans geraakt zijn, leiden tot een sedert lang gewenste hereniging met de afgescheiden gemeenten op historische grondslag. Flauwhartigheid of overmoed daarentegen loopt op nieuwe verbrokkeling en op triomf der vijanden uit. Mijn begeerte naar broederlijke samenwerking met de Afgescheidenen, voor kerk, school en staat, is, durf ik zeggen, overbekend. Daarom zal mijn bedoeling niet worden miskend, wanneer ik, ook bij hen, op het overwegen aandring van hetgeen mij thans bij uitnemendheid beharMgenswaard voorkomt. Als leden der historische, door geen koninkhjk decreet vernietigbare kerk, hebben zij en wij bij de voortzetting van de strijd, ook in het kerkgenootschap, evenzeer het hoogste belang".

Het hierboven uit Groens „Bijdrage voor Kerkgemeentelijk Overleg" weergegevens doet ons zien, dat Groen, oök in 1868, de tijd voor afscheiding nog niet gekomen achtte.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken