Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXXIII.

Groen lid der Tweede Kamer van 1849-1857, van 1862- 1865. Heel kort in 1866.

t Kamerlidmaatschap van Mr. Groen v. 'rinsterer in 1840 heeft slechts kort geluurd, namelijk van Augustus tot Ootoler van dit jaar, hetgeen verband hield ttet de toenmalige gang van zaken bij sen grondwetsherziening. Later kwam lij echter weer in de Tweede Kamer. n Februari 1849 werd hij namelijk door iet kiesdistrict Harderwijk afgevaardigd, laama door het district Zwolle, dat hem ot September 1854 afvaardigde. In aatstgenoemd jaar echter moest hij hot lij de toen plaats gehad hebbende Kalerverkiezingen afleggen tegen mr. saron van Zuylen van Nijevelt, die 930 temmen op zich uitgebracht zag, ter- Groen er 730 verkreeg. Getallen, beduidend kleiner zijn dan bij de iCamerverkiezingen in onze tijd, wat een gevolg is van de invoering van het algemeen stemrecht, dat circa 42 jaar na de ^ood van Groen hier te lande in toepassing werd gebracht. Toch kwam ^roen in September 1855 al weer in de er, doordat mr. Boreel van Hoge- 'anden tot voorzitter der Tweede Kamer benoemd was en Groen bij de verkiezing te 's-Gravenhage met 547 van de '077 stemmen gekozen werd. Tot September 1856 had hij voor Den Haag atting. Hij viel er toen weer uit, doch wj een naverkiezing in het district Leiden kwam hij er in September 1856 «-eer in. Hij bleef toen lid tot 1857, in TOk jaar hij zijn lidmaatschap vrijwil- '§ neerlegde uit verontwaardiging over aanneming van de lager-onderwijs- J^et-van der Brugghen, waarop vsdj D.V. p flet vervolg nader hopen in te gaan. Eerst in 1862 deed Groen weder intrede D s lands hoge vergadering om in 1865 laermaal vrijwillig ontslag te nemen, aar hijj na zijn vruchteloze pogingen »m artikel 194 der Grondwet veranderd en een eerlijke toepassing van de zijns inziens slechte schoolwet te krijgen, van oordeel was buiten de Kamer beter voor de verbreiding zijner beginselen werkzaam te kunnen zijn. Het volgend jaar stelde hij zich echter weer herkiesbaar en werd hij in Augustus 1866 als lid der Kamer voor het district Leiden gekozen. Nog in diezelfde maand echter diende hij wederom zijn ontslag in, daar hij nu door de verklaringen van het Kabinet volkomen er van overtuigd was, dat zijn terugkeer in de Tweede Kamer voor hetgeen hij beoogde, doelloos zo niet schadelijk zou zijn. Na die tijd heeft hij zich nimmermeer candidat willen laten stellen, zodat Groens parlementaire loopbaan in Augustus 1866 voorgoed werd afgesloten.

Het is ons voornemen ook ten aanzien hiervan op één en ander nader terug te komen, doch eerst zullen wij ons nog hebben te bepalen tot Groens optreden in de Tweede Kamer in zaken, welke verband houden met de kerk. De vorige maal hebben vsdj stilgestaan bij de rede door Groen in Augustus 1840 gehouden, naar aanleiding van een verzoekschrift van Afgescheidenen, waarbij Groen er het pleit voor voerde, dat dit verzoekschrift op de griffie der Tweede Kamer ter inzage van de leden zou worden neergelegd, opdat deze zich van het verzoek op de hoogte zouden kunnen stellen en de daarin te berde gebrachte aangelegenheid nader zouden kunnen onderzoeken.

Toen Groen in 1849 weder in de Tweede Kamer kwam, kreeg hij al vrij spoedig opnieuw gelegenheid om voor de Afgescheidenen in de bres te springen. Het was in de vergadering van 9 Juli 1850. Door ouderlingen en diakenen der afgescheidene gereformeerden — zoals Groen ze zelf noemt — te Delfzijl en Farmsum was namelijk een request bij de Tweede Kamer ingezonden betreffende bepalingen van een koninklijk besluit van 9 Januari 1841, welke inhielden, dat de regering om een gemeente der Afgescheidenen te erkennen, een verklaring eiste, dat zij in de kosten van de eredienst en in het onderhoud der behoeftigen, zonder bezwaar voor het rijk, zouden voorzien. De meerderheid der Commissie voor de verzoekschriften adviseerde tot nederlegging ter griffie en verzending naar de Minister voor de Zaken van de Hervormde Eredienst, met de wens der Kamer, dat aan het verzoek der adressanten tot vrijstelling van die bepalingen, alsnog zou worden voldaan. De minderheid der Commissie verlangde hoogstens nederlegging ter griffie. Nadat enkele leden en de betreffende Minister het woord over de conclusie der Commissie hadden gevoerd, diende één der Kamerleden, de heer Wintgens, een motie in met het doel de discussie te sluiten.

Mr. Groen van Prinsterer kwam tegen deze motie echter met alle nadruk op. Hij zeide: „Ik verzet mij met enige nadruk tegen deze motie van Orde. In het algemeen, omdat, zo ooit een zaak de aandacht der vergadering verdient, het deze is, die de gewetensvrijheid der ingezetenen en de handhaving der Grondwet betreft. Daarbij acht ik de motie op dit ogenblik ontijdig. Waimeer de geachte voorsteller die gedaan had, onmiddelhjk nadat de Minister van Justitie gesproken had, dan had ik dit kunnen begrijpen; maar naderhand is er tegen de adressanten en over de aard van het besluit veel gezegd, dat niet onbeantwoord mag bhjven. Misschien zal op die grond de geachte voorsteller zelf tot intrekking der motie kunnen besluiten. Nog een reden, die mij persoonlijk betreft is: dat ik, sedert meer dan twaalf jaren als verdediger der afgescheidenen bekend, ongaarne door de goedkeuring dezer motie van orde mij de gelegenheid zou zien ontnomen, om in het midden te brengen, wat naar mijn inzien te pas komt.

De heer Wintgens gaf aan de suggestie van Groen echter geen gehoor. Hij handhaafde zijn motie, zodat zij in stemming werd gebracht. De motie werd evenwel met 39 tegen 16 stemmen verworpen, zodat het adres der afgescheiden ouderlingen en diakenen een onderwerp van discussie kon worden. Groen heeft toen een rede gehouden, welke wij onze lezers niet onthouden vióUen. Alleen laat de plaatsruimte het niet meer toe om dit thans te doen, zodat vd] hiermede moeten wachten tot de volgende maal, daar het niet raadzaam is om nu een heel klein gedeelte te geven en daarna de rest. Veel overzichtelijker is het, wanneer deze rede in haar geheel in één keer afgehandeld wordt. Dit moge dan nu nog opgemerkt worden, dat het zeer goed te verstaan is, dat de Afgescheidenen Groen immer zeer dankbaar zijn geweest en gebleven voor hetgeen hij voor hen — ook al wilde en kon hij hen in de Afscheiding zelf niet volgen — zowel buiten als in de Kamer heeft gedaan. Toen Groen dan ook in 1871 bij de verkiezingen zijn eigen drietal stelde tegenover de A.R. candidaten, werd hij daarin krachtig gesteund door één hunner voormannen, namelijk prof. Brummelkamp. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken