Bekijk het origineel

De dagen van Noach

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De dagen van Noach

13 minuten leestijd

Alvorens over deze dagen zelf te schrijven, wijden wij een artikel aan Noach, de persoon, die in deze dagen zulk een gans aparte en voorname plaats heeft ingenomen.

Het aparte en voorname was echter niet in hemzelf gelegen, maar daarin, dat hem door krachtdadige en onwederstandelijke genade het geloof geschonken was, dat door de liefde v^erkt, hetgeen hem de wereld deed overwinnen, en in alles in Christus Jezus tot meer dan overwinnaar maakte.

Dit moge al in menig oog niets buitengewoons, zelfs de gewoonste^zaak der wereld zijn, maar dit is het allerminst. Het is wel de grootste schat, welke iemand in dit leven deelachtig kan worden, niet verkregen door het werk onzer handen, geen vrucht, die op onze akker groeit, maar een heerlijk werk en grote genadegave des AUerhoogsten, en die daarom in tijd en eeuwigheid haar waarde en heerlijkheid" niet zal verliezen. Al wat uit en van de mens is, gaat met hem teniet, daalt met hem in het graf en verzinkt in de buitenste duisternis; ook diens zelfgewerkt geloof, ook diens eigenwillige godsdienst. En ook, zo hij niet meer heeft dan • dat, zijn naam van christen.

Het is waar, dat, wanneer dit een mens gezegd en aangezegd wordt, hij menigwerf het oor afkerig afwendt, waarbij hem soms de grimmigheid en de ergernis op zijn aangezicht te lezen staan.

Het is toch elk mens van nature eigen om door eigen verdienste, werk en gerechtigheid te willen leven, en zeer velen wanen daannede voor Gods rechterstoel te kunnen bestaan. Zij hebben gemeenlijk daarbij een eigenwiUige godsdienst, een zelf gewerkt geloof, waarwi niets van de Heilige Geest bij is en dat ook nooit door de Geest als Zijn werk erkend zal worden, maar nochtans zijn zij in eigen oog en in veler schatting kinderen Gods, ware christenen. Daarbij beschouwen en .veroordelen, ja bespotten zij soms al degenen, die hun voorhouden en hen waarschuwen, dat dit bed te kort en dit deksel te smal is om er mede voor God te kunnen bestaan, als zwartgaUige, melancholieken, ziekelijken en fanatieke lieden, op wier gezelschap zij allerminst gesteld zijn, die zij zo veel mogelijk ontlopen en tegen wie sommigen hunner zelfs ernstig waarschuwen om aan hen gehoor te verlenen.

Deze lieden, die van de genade Gods verstoken zijn, dewijl het geloof, dat zij bezitten, niet door Gods Geest gevsrocht is, maar louter een werk van verstandelijke overtuiging, of een product van opvoeding en onderwijs, of een zaak van consciëntie-overtuiging of iets anders en soortgelijks is, waarbij nooit het hart in der waarheid tot God bekeerd is, zijn er te allen tijde geweest. Reeds Augustinus maakt van hen in zijn geschriften gewag, noemt hen christenen in naam, maar niet in der waarheid en in der daad. Hij schrijft: Er zijn nu zo weinigen, die in eigen oog geen christenen zijn. Desniet- . temin, — zo vervolgt hij — tracht slechts te leven naar de regelen des christendoms, en gij zult bespot en beschimpt worden van degenen, die christeiien wel in naam, maar niet in der daad zijn. Ook een andere oude kerkleraar heeft geschreven, dat er zo velen in eigen oog christenen zijn, zonder Christus. Zo was het eeuwen geleden, en zo is het nog heden ten dage. Wie zijn thans in eigen oog al geen christenen? Zelfs diegenen nog, die geen geloof slaan aan Gods geopenbaarde Woord, en daar openlijk voor uitkomen; alsook degenen, die heimelijk daarop veel af te dingen en te kritiseren hebben. En dit terwijl Gods Woord toch getuigt: „Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is. Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastelijk"; terwijl de Heere Jezus dit getuigenis bevestigt, als Hij in het Hogepriesterlijk gebed spreekt: „Uw Woord is de waarheid".

Nogmaals, wie al niet noemen zich in onze dagen christenen! Terwijl Gods Woord ons leert, dat zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn; terwijl de Heidelberger Catechismus in vraag 32 ons een geheel op Gods Woord gegrond juist getuigenis aangaande een christen geeft, als hij de vraag: „Maar waarom wordt gij een christen genaamd? " beantwoordt: „Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus, en alzo Zijn zalving deelachtig ben; opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere".

En wat wordt in onze dagen ook al niet met de naam van christelijk geverfd en opgevoerd? Tot met dansclubs, toneelverenigingen en kaartgezelschappen toe geschiedt dit. En dit op allerlei terrein. Zo hebben wij in ons land jaren aaneen christelijke coalitieregeringen gehad, zonder dat er onder hun langdurige regering met name één wezenlijk christelijke wet tot stand gekomen is.

Men vergelijke daarbij het geloof van Noach. Hij bezat het van binnen en openbaarde het in zijn vruchten in zijn levensgedrag naar buiten. Gelijk Gods Woord van hem in Hebreen II : 7 getuigt, Vi'aar wij lezen: „Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is".

Door en in het geloof had Noach een ongeveinsde liefde tot God en Zijn Woord. Door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde, bezat hij een kermis van de dingen, die nog niet gezien werden, van dingen — de verdelging en de ondergang der gehele wereld door de zondvloed — die niet alleen hoogst onwaarschijnlijk, maar voor het natuurlijk verstand ongelooflijk, zelfs onmogelijk waren. Maar nochtans mocht Noach door het geloof het hoogst onwaarschijnlijke, ongelooflijke en onmogelijke geloven en zich de ark toebereiden. De kracht des geloofs was in Noach. Die kracht, waarvan een oude kerkleraar schrijft: de kracht des geloofs is te geloven dat men niet ziet; de beloning daarvan zal zijn te zien wat men gelooft.

Voorzeker, het was wat groots en wonderbaarlijks voor het koele verstand des mensen, een ongelooflijke en onbegrijpelijke zaak, om te geloven zoah Noach deed, het door Goddelijke aanspraak hem aangekondigde oordeel, dat de gehele wereld door de zondvloed ten onder zou gaan, en onder bespotting en hoon der tijdgenoten een ark te bouwen, welker bouw Noach veel arbeid en inspanning zou bezorgen en hem op hoge kosten zou komen te staan.

Dat is inderdaad wel iets aparts en buitengewoons geweest. Doch dit had Noach ook niet van zichzelf. Hij was toch van zichzelf een mens van gelijke beweging als al de anderen. Ook hij was van nature dood door de misdaden en de zonden, zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en een vreemdeling van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld, verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods door de onwetendheid, die in hem was, door de verharding zijns harten. Wonderen boven wonderen van Gods genade vallen dan ook in Noachs geloof te aanschouwen, zoals deze in het geloof, dat in de weg van wedergeboorte in elk kind van God als een werk van Gods genade aanwezig is, te zien zijn. Het is toch wat groots en wonderbaarlijks, van dood levend, van blind ziende, van doof horende, van een kind der duisternis een kind des lichts, van een dienstknecht en slaaf der zonde en des duivels een vrijgekochte in Christus Jezus, van een erfgenaam der hel een erfgenaam des eeuwigen levens te worden.

En ook al is elk kind van God niet geroepen en niet met de taak belast om een ark te bouwen, zoals Noach dat was, toch is hij van dood levend geworden, hetgeen op zichzelf reeds zo groot is, wordt de wortel der zaak in hem gevonden en is het beeld Gods weder in hem opgericht; al is het stellig waar, dat ook de allerheiligsten, zo lang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid hebben; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen des harten niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden van God beginnen te leven, tervidjl ook even zeker en gewis is, dat een stad op een 'berg niet verborgen kan blijven.

Noachs geloof, dat hij van binnen bezat, openbaarde zich naar buiten. Zijn leven en daden getuigden daarvan. Ook zijn woorden. Hij is een prediker der gerechtigheid genoemd. En dit tegen heel zijn tijdgeest in, alsook dit tot prijs en roem van Gods genade, welke hem daartoe gesteld en bekwaam gemaakt heeft.

Dit zaligmakend geloof nu, dat door de liefde werkt en op de dag van Gods heirkracht niet alleen iemand bekwaam, maar ook zeer gewilhg maakt om onder spot en hoon de versmaadheid van Christus' kruis te dragen, zal in elk mens gevonden moeten worden, wil hij voor Gods rechterstoel kunnen bestaan en ten eeuwigen leven ingaan. Wij stellen hierbij geen trap of maat, maar God, Die naar waarheid in het binnenste vraagt, leert ons in Zijn Woord dat niemand dit geloof door enige uitwendige zaak, door eigen verdienste of door opvoeding en ondervsdjs, of door consciëntie-overtui­ ging deelachtig wordt, maar slechts in de weg van wedergeboorte, en dat slechts het nieuwe schepsel, in Christus Jezus tot goede werken geschapen, Gode welgevallig is.

Hoe werd dit in vroegere eeuwen en wordt dit in onze donkere dagen, vol van dodelijke gerustheid en luchthartigheid, jammerlijk over het hoofd gezien! Wat al godsdienst en christelijkheid is er heden ten dage ook al, waarbij God niet gezocht en gediend, maar het eigenbelang gezocht en gediend wordt.

De geschiedenis verhaalt van een monnik, die, als de wereld gestorven, met terneergeslagen en op de grond gerichte ogen steeds door het klooster liep. Hem gevraagd zijnde, nadat hij tot abt van het klooster gekozen was, waarom hij toch immer zo devoot met terneergeslagen en op de grond gerichte ogen gelopen had, gaf hij ten antwoord: omdat ik de sleutel van de abdij gezocht en gevonden heb.

O, dat het alleen in vroegere eeuwen er zo naar toegegaan was, en niet in de onze; dat dit alleen onder de rooms-katholieke voorgangers was voorgekomen en voorkomt, en niet onder die van de protestanten. De bekende Ds. Ledeboer heeft eenmaal gezegd, dat de hel zou vol liggen van dominees, en dat hef een groot wonder zou zijn, als hij er niet bij lag. Inderdaad, voor elke predikant en ook voor elk gemeentelid zal het een groot wonder zijn als hij er niet bij ligt, en hoe meer hij Godskennis en zelfkennis bekomt en de oneindige afstand ziet, welke er tussen een heilige God en een onrein mens is, zal hem het wonder des te groter vv-ordsn. Al is het anderzijds een vaste en zekere v^aarheid, dat bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer; en dat niemand Christus Zijn schapen uit Zijn hand zal rukken. Doch een oude kerkleraar heeft niet ten onrechte geschreven: Als de bij-einden er bij menig mens af zijn, wat blijft er dan bij hem over? Watbleef er bij Ananias en Saffira van over toen hun bij-einden hun door de apostel Petrus werden voorgehouden? Wat blijft er tenslotte over van het geloof van de huichelaar? Wat van het geloof van de tijdgelovige? Wat van het geloof, dat niet door Gods Geest in iemand gewerkt is? Waarvan ertoch te allen tijde, niet het minst in onze dagen, zoveel op de wereld geweest is en is, waarbij het zich zo vaak voordoet, dat hoe hoger de belijdenis is, des te. lager de praktijk is, en ook al wordt er hoog in de christelijkheid geroemH totaal niets van Christus in te vinden '• Niemand bedriege zichzelf — zo schril de apostel Paulus. „Onderzoekt uzelf o gij in het geloof zijt; beproeft uzelf.'( kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus i u is? " zo vermaant hij.

Beschouwingen over het geloof te heb ben, zelfs rechtzinnige beschouwingen die er nog niet eens zo veel, gelet op hel J grote getal der mensen, onder hen ziia is niet voldoende. Te weten waarin Ai J rijkdom bestaat, of deze te bezitten ZÜB twee geheel verschillende zaken. Het is niet genoeg, kennis en wetensdiai van de rijkdom te hebben, maar het ii het bezit er van, dat iemand rijk maalt Zo staat het ook ten aanzien van het loof, dat zulk een kostelijke parel is, want zonder geloof kan niemand Code bebi gen, en al wat niet uit het geloof is, i^ is, zoals Gods getuigenis ons dat leert zonde.

En dit bedenkende, wat is het dan allerlei gebied in ons land hoogst drc* vig gesteld. Zowel op het godsdienstig als op het politiek, alsmede op het maat schappelijk terrein. Wat treffen mj ji ons land een godsdienst zonder God, een christendom zonder Christus ; Wat is er al een schijn zonder zijn, wal al een naam, waarbij het wezen ont breekt! Wat is er al een dodehjke gerust heid, waarbij velen — naar het te vrezei is — menen in te gaan en niet zullen kun nen ingaan!

Wat is er een vreselijke verharding der de blijken van Gods goedertieren heid, alsook onder die van Gods oorde len! Wat zijn er al een wetten, well geheel tegen het geloof indruisen! Wa is er weinig vrees voor de toorn vai God, tervsdjl het het allervreselijkste deze toorn niet te vrezen!Noachs gel deed hem die toorn vrezen, gelijk he geloof een ieder deze toom zal doen vie zen en hem zal uitdrijven om met Go( verzoend te worden, opdat hij nie eeuwig onder Gods welverdiend ooida en toorn zal verzinken. Het was dat loof, dat Noach uit liefde en in gehoor zaamheid tot God de ark deed bouw waarin hij beveiligd zou zijn, toen Ga Zijn toorn in de zondvloed over de ongi rechtigheid der mensen openbaarde; «e lijk ook het geloof er toe werkt, dat verslagene van hart en verbrokene vi geest, door schuldbesef verslagen, ui hefde en gehoorzaamheid tot God v •lucl en ingaat in de Ark der behoudenis wel ke de Heere in Zijn Zoon gesteld heeft om alzo verzoend, bevriend en verenigi met Hem te worden, opdat zijn leven Christus Jezus, de Heere, verborgen a bij en met God zal zijn,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1957

De Banier | 8 Pagina's

De dagen van Noach

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken