Bekijk het origineel

Provinciale Staten van Zeeland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Provinciale Staten van Zeeland

8 minuten leestijd

Rede van de heer Kodde

IV.

Mijnheer de Voorzitter!

Ik wens zeer zeker niet bij de vorige sprekers onder te doen in waardering voor al hetgeen ons hier voorgelegd is. Toch kom ik bij deze waardering tot een andere conclusie dan de eerste spreker bij dit onderwerp, want mijn waardering brengt mij er toe om Gedeputeerde Staten te volgen in het voorstel zoals zij het ons hebben gedaan, terwijl zijn waardering, die eerste spreker er toe brengt, om dat voorstel niet te volgen, hetgeen op zichzelf toch nog wel enig verschil uitmaakt. Anderzijds verheugt het mij, dat ik hedenmorgen in deze zaal de gedachte heb horen uiten, dat het menselijk vermogen beperkt is. Ik hoop, dat dat steeds meer doordringen mag en dat men daarmede voortaan meer rekening zal gaan houden. Daaruit vloeit terecht de opvatting voort, dat wij mensen, niet te ver in de toekomst kunnen kijken. Mijnheer de Voorzitter! Ik meen hierop thans niet te diep te moeten ingaan, maar geloof slechts de opmerking te moeten maken, dat er een gevaarlijke zijde zit in hetgeen door de heer van Dongen naar voren is gebracht. Immers, het komt mij voor, dat wij op dit terrein als overheid wel degelijk een taak hebben en dat wij niet moeten gaan zeggen, dat de P.Z.E.M. nu maar eens wat van de onrendabele gebieden behoort over te nemen. Gaat het toch de P.Z.E.M. goed, dan zal ook de provincie wat meer ruimte krijgen, want dan ontvangen wij dividend en komt ook daardoor wat in het laatje, tengevolge waarvan er wat meer ruimte in de provinciale financiën zal ontstaan. Hetgeen de heer Vader naar voren heeft gebracht, heeft mij eveneens voor een vraag gesteld. Dit geachte lid heeft zoeven gezegd, dat het hier om een overheidsbedrijf gaat en dat wij daarbij niet het eerst naar de winst moeten kijken. Mijnerzijds zou ik de vraag willen stellen of wij dan in de eerste plaats naar het verlies moeten kijken. Dat geloof ik in geen geval. Het komt mij voor, dat wij in de eerste plaats moeten kijken naar de verzorging en ik meen, dat het zeker niet bewezen is, dat het bedrijf, wanneer het met één eenheid wordt uitgebreid, niet in staat zal zijn om de nodige energie te leveren. Bovendien heb ik wel zoveel vertrouwen in de directie, zoals in de praktijk gebleken is, dat ik er van overtuigd ben, dat zij zonodig tijdig met verdergaande voorstellen komen zal. Wanneer ik nu terug denk aan de tijd van de eerste behandeling van deze aangelegenheid, toen werd voorgesteld om de centrale uit te breiden op het terrein waarop de oude centrale stond, dan lijkt mij het feit, dat men toen naar een nieuw terrein is gaan uitzien een duidelijk bewijs, dat men hier vol< ^oende inzicht heeft gehad in de noden en de behoeften van het bedrijf, en dit sterkt mijn vertrouwen in de directie nog meer. Vol vertrouwen wü ik dit voorstel dan ook steunen. Ik dank u. Mijnheer de Voorzitter. Mijnheer de Voorzitter! Ik zou nóg slechts een kort woord in het midden willen brengen. Ik geloof toch, dat de heer van Dongen mij niet goed begrepen heeft. Ik dacht namelijk in eerste • instantie, waarbij ik ook wel weet H het op het ogenblik nog niet in discn sie is, aan de 10% van de onrendabel gebieden. Daar zat het dus eigenlijk al leen maar in. Daarom meen ik ook dat de heer van Dongen mij helemaal niet goed begrepen heeft. Hij zegt nu wel dat ik er naast was, maar zo is het niet' Het komt mij veeleer voor, dat hij j! met zijn gedachten naast was. Slechts dit wilde ik nog even in het midden brengen. Zonder beraadslaging en zonder hoofde. lijke stemming wordt hierna het voorstel van Gedeputeerde Staten aangenomen Mijnheer de Voorzitter! Ik kan niijn blijdschap er over uitdrukken, dat oj het ogenblik weer een stap zal worden gezet op de weg tot verwezenlijking van de aansluitingen in de onrendabele gebieden. Wij hebben daar al veel over gesproken. Ik vind het zeer terecht, dat de overheid hier een bijdrage gaat reven. Ik heb oorspronkelijk wel eens een andere gedachte gehad, namelijk, dat de kosten voor rekening van de P.Z.E.M. moesten komen, maar ik heb later wel gemerkt, dat die gedachte onjuist was en dat het beter was, in de richting te gaan, dat ook de oveiheii! een bijdrage verstrekte, omdat hier inderdaad een taak voor de overheid lirt, Met wat hier wordt voorgesteld, zullen wij er nog niet direct zijn, want er lig. gen nog wel enkele moeilijkheden en wij zullen toch eigenlijk niet kunnen rusten alvorens er geen onrendabele gebieden meer zijn, met andere woorden, tot allen zullen zijn aangesloten. Wat er van de belanghebbenden gevraagd wordt, vind ik ook tamelijk zwaar en ik geloof, dat wij niet te licht moeten denken over dat bedrag van ƒ 400.—. Eén van de vorige sprekers heeft opgemerkt, dat die ƒ 400.- voor sommigen geen bezwaar kan zijn, maar wanneer de landbouwbedrijven .ƒ 40. per h.a. extra moeten betalen, dan wordt het toch 'n zware druk. Graag zou ik dan ook zien, dat werd nagegaan of er een mogelijkheid is te vinden om voor belanghebbenden tot enige verlichting te komen. Ik meen, dat wij als overheid de taak hebben ook voor diegenen, die in een ruimer gebied wonen dan meesten van ons, te zorgen. Zij hebben daar toch ook recht op. Er zijn toch al zoveel dingen, die zij missen. In de be; bouwde kom heeft men zijn straatverlichting en nog meer gemakken, die men buiten mist. Een landbouwer stapt naat buiten, kijkt naar boven en zegt; „i vind mijn paadje wel!" Wij zullen er op moeten letten, dat ook deze mensen verzorging krijgen, die anderen hebben, Daai-voor zullen de anderen ook een offer moeten brengen en ook moetea helpen.

Mijnheer de Voorzitter. Er is verder nog iets in dit voorstel, waarover ik vraag zou willen stellen en wel deze, of nu ook straks in de gebieden waar al veel percelen zijn aangesloten, men niet kan komen tot een gemiddelde berekening, want wanneer in de gebieden, die gedeeltelijk al zijn voorzien, straks nog bedrijven moeten worden aangesloten, dan zullen de kosten van de aansluiting voor die percelen inderdaad wel zeer hoog liggen en dan zal men hier achterstaan bij de gebieden, die in een herverkavelingsgebied liggen, dat op het ogenblik misschien al in een ander stadium is, want dan neemt men de minst onrendabele bij de meest onrendabele ge* den en dan komt men tot een lager gemiddelde. Er is nog iets, Mijnheer de Voorzitter. Ik meen, dat is toeigezegd, dat de bedrijven, die in het herverkavelingsgebied op Schouwen verplaatst zouden moeten worden, zouden worden aangesloten en nu gebeurt die aansluiting w^' maar dan gebeurt het tooh zo, dat e' jg ffemeenten èn de provincie een bijtage moeten geven. Ik meen, dat dat inist is, want ik geloof, dat men deze jaak moet zien uit een oogpunt van vederopbouw en dan zullen niet de geeenten en de provincie, maar dan zal het rijk hier alles moeten betalen. Ik yjjid het onjuist, dat de lagere publiekechtelijke lichamen hiermee worden belast. Mijnheer de Voorzitter. Ik wil nog graag een enkel woord hierover zeggen. De l, ger van der Weel is van mening, dat Je'aansluitingskosten hoog zijn, maar „iet te hoog, doch ik meen, dat er toch jjderdaad van de mensen veel wordt aagd. Ik weet, dat het in de nieuwkouw niet zo bar veel meer zal kosten, ar er zijn andere gevallen waarin men aanlegkosten moet betalen, terwijl dan nog een bedrag bovenop komt. Daarover moet men toch werkelijk niet lidit denken. Er is ook gewezen op ije garantie. Deze zal niet zo zwaar zijn, want ik weet, dat zij matig wordt berekend en dat er algemene normen wor- 1 gehanteerd, maar het schrijnt mij ijd, dat nu juist iemand, die ah agrariër buiten de bebouwde kom woont en niet in de stad, meer moeten betalen dan iemand, die in de kom of in de stad ivoont. Zo iemand is toch even goed Zeeuw, misschien nog een betere Zeeuw anderen. Ik zou toch graag zien, Jat daarvoor een oplossing kwam, al erik volmondig, dat de kosten niet Joor het bedrijf zullen moeten worden jpgebvacht. De publiekrechtelijke licha­

men zullen hier wat meer kunnen doen. Nu kan men zeggen, dat dé' provincie ook aan het eind van haar capaciteit is, en ik begrijp wel, dat de provincie niet te veel ruimte heeft, maar er kan in deze richting misschien toch wel gewerkt worden. Het was mij wel bekend, dat het zo stond, dat de betrokkenen, die zogenaamd uitgestoten zijn uit de kernen, zelf wel bedragen kregen, maar ik blijf er bezwaar tegen maken, dat hier de lagere publiekrechtelijke lichamen meer belast worden. Nu kan men zeggen, dat deze regeling inderdaad toch wel zo was, dat zij in haar algeheelheid te aanvaarden was, maar daarmee zeg ik nog niet, dat zij juist is. Ik wil niet beweren, dat men niet goed heeft gedaan deze op het ogenblik te aanvaarden, want men kon niet verder komen, maar wij kunnen toch onze stem laten horen en zeggen, dat wij deze regeling niet billijk vinden. Ik vind haar inderdaad niet billijk en ik hoop, dat er in 't herverkavelingsgebied van Walcheren nog wat zal worden bereikt. Het is toch wel zeer merkwaardig: de leidingen lagen in de gebouwen, maar men ging butagas gebruiken en dan moeten er weer nieuwe installaties worden gemaakt. Dit is toch wel zeer sterk te betreuren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957

De Banier | 8 Pagina's

Provinciale Staten van Zeeland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken