Bekijk het origineel

De dagen van Noach

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De dagen van Noach

8 minuten leestijd

n.

Nog eenmaal bepalen wij ons tot een bespreking van Noach, die in deze dagen zulk een voorname plaats ingenomen heeft. En dit omdat daarin zulk een rijke lering besloten ligt. In ons vorig artikel hebben wij opgemerkt, dat Noach dat geloof heeft bezeten, hetwelk door de liefde werkt en door zijn vruchten gekenmerkt wordt als een werk des Heiligen Geestes. Het was geen plant van eigen akker, geen werk van eigen handen, zoals er in onze donkere dagen zo veel geloof is, dat niet door de Heilige Geest als door Hem gewrocht erkend zal worden, dewijl het louter arbeid en inbeelding van de mens zelf is. Dit is een geloof, dat, zoals Calvijn in zijn Institutie schrijft, nog bij dat van de duivel ten achter staat, omdat deze nog voor Gods majesteit siddert. Dit geloof kent geen vrees, maar dodelijke gerustheid, zoals deze ook, gelijk Calvijn opmerkt, bij de neo-stoïcijnen wordt aangetroffen. Dit geloof, dat in onze dagen zo veelvuldig voorkomt, is zonder Gods- en zelfkennis, zonder strijd, zonder vrees, zonder ware liefde tot God en zonder gehoorzaamheid aan God. Van Noach daarentegen lezen wij: „Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is. Het waye, levende geloof heeft een oog, van God geschonken, waardoor nog niet geziene dingen door de gelovige gezien worden. Dit oog ziet scherp en juist. Zo zag Abraham honderden jaren van te voren met dit oog Christus' dag als tegenwoordig, en is verblijd geweest, en zag Noach de komst van de zondvloed en de ondergang der eerste wereld, en werd met vrees vervuld voor het toekomstige oordeel Gods, dat 'hij de ark toebereidde tot behoudenis van zijn huisgezin. Onder al zijn tijdgenoten was hij de enige, die vreesde voor het nakend oordeel.

Dat er thans zo weinig vrees voor Gods oordelen en toorn is, is omdat er zo weinig geloof is. Het zo vrij algemeen gebrek aan vrees geeft te kennen een zo vrij algemeen gebrek aan geloof. Hoe veel te minder er geloof is, des te meerder zijn er zorgeloosheid, dodelijke gerustheid en aardsgezindheid; ook des te meer besta'at er reden, dat krachtens Gods heiligheid en rechtvaardigheid Zijn oordelen en de betoning van Zijn toorn te wachten zijn. Hierbij is het merkwaardig, dat degenen, die het meest te vrezen hebben, het minst vrezen, terwijl Gods kinderen, die in het wezen der zaak niets te vrezen hebben, het meest vrezen. Zij vrezen meermalen te eniger tijd nog in de handen van Saul te zullen vallen en dan te zullen omkomen. Daarentegen zien wij degenen, die aUes te vrezen hebben, zonder viees daarhenen leven, zonder de rechte vrees voor Gods oordelen en Zijn toorn te zijn. Daarmede betonen de zodanigen, schrijft een oude kerkleraar, dat zij geen kinderen Gods, maar kinderen des toorns zijn, dewijl zij voor Gods toorn niet wezen, zorgeloos, hai'd en onbewogen hun leven doorbrengende, niet vrezende Gods oordelen. Hoe groot is te allen tijde het getal der zodanigen geweest, hoe groot ook het aantal onder degenen, - die een geloof of een kennis hebben, welke zich slechts in het hoofd en in de hersenen bevindt, welke nooit in het hart is afgedaald, welke slechts in beschouwing bestaat, en niet die wetenschap en wijsheid is, welke door de vreze des Heeren gewrocht is, de vreze, waarvan de Heilige Geest in de Spreuken zegt: „De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid; en de wetenschap der heiligen is verstand". Deze wetenschap deed David getuigen: , , Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U; ik heb Uw oordelen gevreesd". Ook Noach bezat door de genade Gods deze wijsheid. Hij zag het toekomstige oordeel reeds lang vóór het volvoerd werd. Bevreesd geworden zijnde, bouwde hij uit kracht van de hem geopenbaarde wetenschap in gehoorzaamheid aan de Heere de ark, en volvoerde hij een grootse en moeilijke arbeid. Doch toen het oordeel voltrokken werd, had hij niet te vrezen. Toen beving een ontzaggelijke vrees al degenen, die tevoren niet gevreesd hadden; toen overviel hen een onuitsprekelijke verschrikking, angst en vrees. Dit geeft ons er een leerzaam beeld van, hoe allerbeklügenswaardigst het lot is dergenen, die Gods oordelen en toorn niet te vrezen, schrijft 'n oude kerkleraar, dan daarvoor niet te vrezen. De zodanigen toch zullen ook eenmaal vrezen, maar te laat, namelijk wanneer de oordelen Gods voltrokken worden. Vden hunner vrezen niet, want zij stellen hun betrouwen in Gods barmhartigheid. Spreekt men hen over Gods oordelen, zij wensen met een beroep op Gods barmhartigheid niet naar u te horen. Geen acht nemende op de uitlatingen van Gods toorn, veroorloven zij zich om naar de inspraken van hun bedorven hart te leven en hopen nog het beste van en voor zichzelf. Hun hoop zal echter beschaamd worden. Hun geloof is geen geloof, doch een dwaze inbeelding, dewel ze niet op Gods onbedriegelijk Woord gegrond is. Hun geloof is niet in God, maar in een afgod, die zij zichzelf gemaakt hebben en naar hun eigen begrip en inzicht gesmeed hebben. Een God, welke zij alleen maar de deugd der barmhartigheid toekennen, is niet die God, Die Zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard en bekend gemaakt heeft, maar een verdichtsel en een verfoeilijke afgod van menseHjke beschouwing en inbeelding.

Zeer naar waarheid, geheel overeenkomstig Gods Woord als de uitspraak is, beantwoordt de Catechismus in vraag 11 de vraag: „Is dan God ook niet barmhartig? " met: „God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom eist Zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf, aan lichaam en ziel gestraft ws{rde". Ook staat ons in de zendbrief van de apostel Paulus aan de 'Romeinen beschreven: „Want de toom Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden". Doch hoe bitter weinig wordt zulks geloofd, zelfs door degenen, die deze waarheid belijden. Hoe stelt men de dag des kwaads, de dag van Gods strafgerichten, verre, zelfs nog ver als de voortekenen van de oordelen Gods een naderend Godsgericht aankondigen; zoals dat in nog kort achter ons liggende dagen was en ook in onze dagen het geval is! Evenals in de dagen van Noach leeft meil er al zorgeloos, hard en verhard op los, niet ontvliedende de toorn Gods, zonder dat men droefheid naar God en over de zonden kent. Dit is wel zeer bedroevend. Terecht schrijft een oude kerkleraar: „Degene is het meest te beklagen, die zich nimmer bij de Heere heeft aangeklaagd over zijn zonde, en daarover nooit heeft geklaagd". David vreesde voor hen, waar hij zegt: „Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de godlozen, die Uw wet verlaten". Daar is ook alle reden voor om voor degenen te vrezen, die zelf niet vrezen en in zorgeloosheid hun dagen hier op aarde slijten. Het is waar, dat degenen, die daarover bevreesd en bedroefd zijn, gemeenlijk door de grote massa als pessimisten, als melancholieke, zwartgallige mensen worden aangemerkt, en door hen worden bespot en gehaat en met allerlei leugen en laster worden vervolgd. Noach echter, gewaarschuwd door Gods Woord, was met vrees bevangen voor het komende Godsgericht, en bereidde zich voor door het bouwen van een ark om daaraan te ontkomen. Hij was allerminst zorgeloos, terwijl velen in onze dagen zo zorgeloos zich gedragen, en dit terwijl Gods oordelen toch zo zichtbaar op aarde zijn waar te nemen. Doch wie is er ten onzent, die het ter harte neemt? Of wie is er, die daarmede werkzaam is om zijn ziel als een kostbare buit uit het verderf weg te dragen? Of wie is er, die met vrees bevangen voor Gods rechtvaardig en welverdiend strafgericht zoekt gerechtvaardigd te worden door Christus' aangebrachte gerechtigheid, om in Christus Jezus, de Heere, gevonden, een leven met Hem verborgen bij God te leiden? Daar bestaat tooh alle reden voor. Wij hebben het rode paard van de oorlog onder ons zien rijden, en wie waarborgt ons, dat dit niet andermaal onder ons zal rijden, en niet andermaal degene, die daarop zit, de macht gegeven zal worden om de vrede van de aarde te nemen, en dat zij elkander zullen doden en hem een groot zwaard gegeven zal worden. Wij hebben ook al het zwarte paard van de honger onder ons zien gaan. Bovendien wijzen tal van tekenen er op, dat op komst is hetgeen waarvan "Christus sprak: „En gelijk de dagen van Noach waren, aïzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. Want gelijk zij waren in de dagen vóór de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, in welke Noach de ark inging, en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; alzo zal zijn de toekomst van de Zoon des mensen". Alsdan zal er een grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. Het ligt in ons .voornemen om de artikelen over de dagen van Noach te besluiten met een artikel, waarin onze dagen in het licht van Noachs dagen beschouwd zullen worden, en dit in een volgend of één der volgende nummers van „De Banier".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957

De Banier | 8 Pagina's

De dagen van Noach

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken