Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXXIX. Groen en het leerstuk dei? ' uitverkiezing. Was geen tegenstander, maar voorstander van soepele hantering.

In het voorafgaande hebben wij er in het kort reeds op gewezen, dat mr. Groen van Prinsterer en ds. van Velzen onder meer ook gehandeld hebben over liet leerstuk der verkiezing of juister uitgedrukt over het ter kennis brengen van dit leerstuk aan de jeugd. Te dien aanzien had Groen namelijk in zijn geschrift „Het Recht der Hervormde Gezindheid", enkele opmerkingen gemaakt, waar ds. van Velzen zijn bezwaren tegen inbracht, wat mede zijn oorzaak daarin vond, dat Groen wel scherpe aflceuring had uitgesproken over bepaalde passages uit schoolboekjes, die bij de Afgescheidenen in gebruik waren volgens Groen, maar daarbij verzuimd had op te geven wie de schrijver van die boekjes was. Van Velzen moest zodoende daarnaar gissen; wat voor Groen weer aanleiding was hierop in te gaan, nu met vermelding van de naam van ds. de Cock. In het vervolg zullen vsdj D.V. op één en ander breder ingaan, doch eerst willen wij nagaan hoe Groen stond tegenover liet leerstuk der verkiezing, door Calvijn zeer terecht het hart der kerk genoemd. Er is namelijk meer dan eens aangaande Groen gezegd en geschreven, dat hij een tegenstander w^s van de leer der praedestinatie. In het Christelijk Historisch dagblad „De Nederlander" werd wt ruim dertig jaren geleden zelfs onomwonden uitgesproken in deze bewoor- 'Jingen, dat dit leerstuk door de bedachtzame Groen van Prinsterer met «acht werd verworpen, evenals dit leerstuk vroeger reeds door de historieschrij- J'er en vriend van Groen, Merle d'Au- •"Sné, in zijn naaktheid niet was aan- J'aard, Reeds door prof. Fabius is deze «wering in 1924 in zijn „Studiën en ^ohetsen" bestreden. Fabius wees er on. aer meer op^ dat Groen in zijn „Het Recht der Hervormde Gezindheid" heeft verklaard, dat het leerstuk der voorbeschilcking, waartegen ook een gemoedelijk christen somtijds bezwaar heeft of meent te hebben, terecht enigermate op de voorgrond gesteld werd, in een tijd, toen met de verloochening hiervan de omverwerping van de ganse Evangeliewaarheid bedoeld werd. Hieruit blijkt wel onomstotelijk, dat Groen geen tegenstander was van het leerstuk der uitverkiezing, zoals „De Nederlander" beweerde, want dan zou hij niet geschreven hebben, dat dit leerstuk destijds (in het begin der 17e eeuw) terecht enigermate op de voorgrond is gesteld.

Voorts wijst prof. Fabius nog op een geschrift van Groen, gericht aan het adres van dr. J. H. Scholten (1849), waarin Groen verklaarde, dat hij met rijpen rade en volkomen overtuiging schreef, dat voor sommigen te dier tijd het aanranden van een leerstuk, bij uitnemendheid voor hatelijke en ongerijmde misvorming vatbaar, bestrijding der waarheden, die de kern en kracht van het Evangelie uitmaken, ten doel had en voorts in hetzelfde geschrift, dat verloochening der praedestinatie het voordelig terrein was van een ongeloof, dat, tegen de kern van het Evangelie gericht, zich uitgezocht had om de aanval te beginnen. Ook uit zijn „Handboek der Vaderlandse Geschiedenis" blijkt in gene dele, dait Groen een voorstander was van de leer der uitverkiezing, laat staan dit leerstuk met kracht verworpen zou hebben, zoals van Christelijk Historische zijde in 1924 verkondigd werd. Veeleer blijkt uit dit Handboek, dat Groen het remonstrantisme, dat aan genoemd leerstuk zulk een dodelijke haat toedroeg, als een groot gevaar heeft beschouwd, dewijl het enerzijds overhelde naar het ongeloof, anderzijds vanwege de door de remonstranten voorgestane leer van de vrije wil, naar Rome. Ook heeft Groen in zijn Handboek de aandacht gevestigd op Engeland, waar het remonstrantisme als in een spiegel getoond heeft, waarheen de zege ook in ons land zou hebben geleid, namelijk: a. Qverhelling der Episcopaalse kerk (een kerk zoals de Groot ze wenste) naar het pausdom; b. willekeur, geweld en wreedheid tegen de Puriteinen; c. omwenteling, tengevolge der machteloosheid van ontrouwe geestelijken en dwangzieke overheid tegen een evangelisch en op aloude vrijheden naijverig volk. Gezien de hierboven genoemde uitspraken van Groen, zou men de waarheid schromelijk geweld, en hiermede Groen zelf, schromelijk onrecht aandoen, wanneer men hem zou voorstellen als een tegenstander en vijand van het leerstuk der uitverkiezing. Een andere vraag is echter of Groen dit leerstuk niet te veel op de achtergrond heeft willen houden, omdat hij anders vreesde velen te zullen afstoten, wier medewerking hij begeerde. Wat deze vraag betreft, wil het ons voorkomen, dat deze bevestigend moet worden beantwoord. Dit kan onder meer blijken uit hetgeen Groen liet volgen op de bovenaangehaalde passage uit zijn geschrift: , , Het Recht der Hervormde Gezindheid". Het ging hierbij over de tegenwerping, dat men om consequent te zijn, de onvoorwaardelijke ondertekening der Formulieren moest eisen tot in de minste 'bijzonderheden wanneer men het handhaven der Formulieren van Enigheid voorstond. Volgens het standpunt der oude gerefoimeerden behoorde dit inderdaad zo te zijn. Vandaar dat zij van de aanstaande bedienaren des Woords de ondertekening eisten van een formulier, waarin deze met hun handtekening oprecht en in goede consciëntie voor God moesten verklaren, dat zij van harte gevoelden en geloofden, dat al de artikelen en stukken der leer, in de Belijdenis en de Heidelbergse Catechismus begrepen, mitsgaders de verklaring over enige punten der voorzeide leer in de Nationale Synode, anno 1619, te Dordrecht gedaan, in alles met Gods Woord overeenkomen. Groen wensfce in deze echter, naar het ons wü voorkomen, de lijn niet zo strak te trekken. Hij schrijft namelijk in zake de bovengenoemde tegenwerping, dat bij vorige gelegenheden hieromtrent reeds veel gezegd is; dat er in de Ned. Herv. Kerk nooit een nauwgezetheid tot in het ongerijmde gevergd is, dat het leerstuk der voorbeschikking, waartegen ook een gemoedelijke christen somtijds bezwaar heeft of meent te hebben, terecht enigermate op de voorgrond gesteld werd in een tijd toen met de verloochening hiervan de omverwerping van de ganse Evangeliewaarheid bedoeld werd (de 17e eeuw dus), maar, zo liet hij hierop volgen, in onze dagen zou voorzeker twijfeling of vooroordeel op dit punt, met hartelijke overtmging van eigen bederf en onvermogen, van vrije genade en behoefte aan vernieuwing door de Heilige Geest gepaard, geen reden van uitsluiting opleveren. Voorts was naar Groens oordeel de voorname vraag niet of de FormrJieren verbindend zijn in de gehele omvang der leer dan wel of er toegeeflijkheid, naar gelang der omstandigheden, omtrent punten, welke met hoofdwaarbeden in verband staan, kan worden betoond. Blijkt hieruit reeds, dat Groen te dezer zake de lijn niet zo strak wenste gespannen te zien, in het vervolg zal dit nbg nader aangetoond worden. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken