Bekijk het origineel

Algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting 1958

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting 1958

22 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ds Zandi

Op dinsdag 15 oktober hadden de algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting 1958 plaats. Over het algemeen droegen deze een mat karakter. De redevoeringen der Kamerleden namen een middag en-een avond in beslag. Alle fractie-voorzitters van de onderscheidene partijen namen er aan deel, ook die van de S.G.P., waarvoor Ds. Zandt het woord voerde. Op tal van punten kon deze niet diep ingaan, dewijl hem slechts een spreektijd van 40 minuten was toegewezen. Hij hield de hieronder staande redevoering, welke geen nadere toelichting behoeft. Wij laten diens rede, zoals zij uitgesproken werd en in de Handelingen van de Tweede Kamer is afgedrukt, hier onverkort volgen. Ds. Zandt sprak het navolgende: Mijnheer de Voorzitter! Het kan niet ontkend worden, dat het regeringsbeleid velen in den lande in toenemende mate verontrust en ontstemt. Het is voorwaar geen kleine groep Nederlanders, die zich in hun bestaan bedreigd zien

door de steeds voortschrijdende staatsbemoeienis,

welke de regering met de steun van de overgrote meerderheid van de parlementsleden drijft. Vele landgenoten uiten bittere klachten over het feit, dat gelden hun door staatsinstellingen uit hun zakken worden geklopt. Dezen kunnen het maar moeilijk verdragen, dat onder meer contributies worden afgedwongen voor instanties, waarvoor zij niets gevoelen, ja, welke zij zelfs sohadehjk voor hun bedrijf achten. Deze staatsdwang is hun een bron van ergernis en dit niet alleen om het hun afgeperste geld, maar ook niet minder door de maatregelen van bureaucratie en ambtenarij, waardoor zij in hun bedrijfsleven geknecht woi-den. Het ergert hun, dat zij zelfs op eigen erf geen baas meer zijn en door allerlei voorschriften en beperkingen der regering in hun bedrijf geschaad en gedwarsboomd worden. Wij hebben hierbij niet alleen het oog op een

groep van veehouders,

die al hun vee ontnomen werd, omdat zij om des gewetens wil niet de maatregelen der regering konden aanvaarden. Het is niet alleen deze groep, maar een veel en veel grotere groepering van bedrijfsgcnoten, die de staatsdwang moe zijn en terugverlangen naar een billijke vrijheid, welke er eeuwen aaneen in hun bedrijf bestaan heeft. Mogen ei- al onder hen zijn, die de vrijheid ter bereiking van eigen ongeoorloofde baatzucht begeren, van verreweg de meesten hunner kan dit volstrekt niet met gegronde redenen worden gezegd. Het betreft hier een zeer groot aantal maatschappelijk eerbare lieden, nuttige burgers der maatschappij, die zich in een soort van slavernij onder het juk van het staatsabsolutisme gebracht zien. Voor hun ontstemming bestaat alle reden. Het is inderdaad maar al te zeer staatsdwang op staatsdwang. Bovendien is het niet geheel denkbeeldig, dat deze nog uitgebreid zal worden. Er gaat toch

een grote zuigkracht

uit van de socialisten in het Kabinet, waardoor K.V.P.-ers tot antirevolutionairen en christelijk-historischen toe worden meegezogen. Soms zo sterk, dat eens beleden beginselen daardoor totaal verloochend worden. Zo bestaat er nog altijd grote kans, dat de uitvoering van

de p.b.c,

met welke uitvoering het niet boteren wil, met de sterke arm van de staat doorgedreven zal worden. Er zijn toch reeds stemmen opgegaan, dat hier staatsdwang gebruikt zal moeten worden. Hetzelfde geldt

voor de ondernemingsraden,

welke een uiterst kwijnend bestaan lijden. Op zichzelf hebben wij er niet het minste bezwaar tegen, dat er in het bedrijf overleg gepleegd wordt tussen de werkgevers en werknemers. Wij juichen dit zelfs toe, omdat, toen dit vrijwillig geschiedde, er daardoor menigwerf inderdaad goede resultaten voor het bedrijf zijn verkregen. Doch desalniettemin bevreemdt het ons niet, dat het met de uitvoering van de wet op de ondernemingsraden zo bitter slecht gaat. Daar blijkt zowel bij de werknemers als bij de werkgevers slechts geringe belangstelling voor te bestaan. Dit behoeft geen verwondering te wekken. Ook daarin is de staatsbemoeienis ten top gevoerd. Het wemelt daarin letterlijk van raden van allerlei soort. De bureaucratie en de ambtenarij vieren er hoogtij. Een zaak, welke op eenvoudige, doelmatige wijze te leiden zou zijn, heeft men in het knellende harnas van allerlei staatsmaatregelen gestoken. Mijnheer de Voorzitter! Zijn de ondernemingsraden allesbehalve een succes voor degenen, die ze wettelijk hebben ingevoerd, en bestaat ook daarvoor een ontstemming bij velen, nog veel en veel groter is het getal dergenen, die zich uiter mate gegriefd voelen

over de huurwetten,

zoals deze door de regering zijn voorgesteld en door de meerderheid van het parlement zijn goedgekeurd. Zeer naar waarheid is deze wetgeving een wangedrocht genoemd. Zij is dit, van welke kant ook beschouwd, voor al degenen, die er bij betrokken zijn. Zij is dit zelfs meer dan dat voor de huiseigenaren. Door deze wetgeving toch is aan hen een groot, grievend onrecht aangedaan. De staat heeft zijn handen uitgestrekt naar en zich toegeëigend, wat hem niet toekwam. Hij vergreep zich aan het geld van particulieren, waarbij hij hun eigendomsrecht aantastte. Hier heeft de staat niets meer of minder gedaan dan zich schuldig gemaakt

aan een beroving,

waarbij hij maar eventjes de helft van de vermeerderde huuropbrengst naar zich heeft overgeheveld. Moreel gezien, is dit een hoogst ernstig vergrijp; financieel gezien een flinke schadepost voor talloze mensen, hetgeen met allerlei schoonklinkende woorden in de officiële stukken der regering werd goedgepraat. Niet alleen kregen de huiseigenaren een heel bittere pil te slikken, tal van huurders ook al. Een verhoging met 25 pet. van de huren heeft het leven voor vele Nederlanders nog benauwder gemaakt dan het al was. Hierbij heeft zich

ook een oiu-echt

voorgedaan. Sommige categorieën van Nederlanders werd de schade, welke zij door huurverhoging beliepen, vergoed, doch andere niet, waaronder de dusgenaamde vergeten groepen, die het juist zo hard nodig hadden. Mijnheer de Voorzitter! Heeft de huurverhoging grote ontstemming in grote kringen van ons volk gewekt, dit is ook al zo gesteld

in de kringen van vele gemeentebesturen.

Daar zijn gemeentebesturen, die ook al ernstig bezorgd zijn en hartgrondig klagen over de zo hoog geklommen en zich steeds xiitbreidende staatsmacht. Daarentegen zijn ernstige bezwaren geuit door degenen, van wie men zich niet af kan maken, gelijk men dat vaak doet met de bewering, dat zij uit reactionaire hoek afkomstig zijn. Neen, het zijn gemeentebesturen, die zich met de regering als progressief aankondigen! En onder heu is

zelfs een gemeente

waarvan de burgemeester een vooraanstaand lid is van de P.v.d.A., welke burgemeester nochtans in een nota in een waar klachtenboek op het punt van de financiering van de kapitaalsuitgaven aan het adres van onze regering heeft gezonden. In die nota worden de verschillende ernstige grieven over het beleid der regering geuit. Zo wordt daarin onder meer gezegd; de regering devalu-. eert de gemeenteraad tot een papieren letter en de raad zelf tot een lijdelijk verlengstuk van het regeringsapparaat door goedkeuring van kredieten tot zich te trekken. Voorts wordt in die nota gezegd: uitvoering van de ministeriële circulaire van 12 juli, die eist, dat nieuwe investeringen slechts mogen worden gedaan, als de financiering met vast geld verzekerd is, leidt tot een ontwrichting van het gemeentelijk leven, wanneer beperkt moeten worden tot een bedrag, waarvoor op 12 juli juridische verplichtinjjen bestonden. Dit regeringsbeleid, zo wordt voorts gezegd, dat de circulaire voorschrijft, is economisch niet verantwoord en zal onmiddellijk leiden tot een ongemotiveerd beroep op de kapitaalmarkt. En ook al wordt in de nota verklaard, dat tot schade van de gemeente Rotterdam door regeringsmaatregelen de noodzakelijke werken niet kunnen worden uitgevoerd. Een soortgelijke klacht wordt ook al door

het college van burgemeesters en wethouders van Groningen

geuit, waar door dit college gezegd wordt, dat het het onaanvaardbaar acht, dat de gemeenten door beperking van het rentegamma van de kapitaalmarkt worden gehouden, waardoor zelfs de meest noodzakelijke investeringen achterwege moeten blijven tot schade van een goed beheer van de gemeenten. Aan deze hier geuite klachten en bezwaren zouden nog veel meer andere van gemeentebesturen toe te voegen zijn, terwijl het ook al niet aan kladhten uit het bedrijfsleven ontbreekt, dat door

de bestedingsbeperldng

— die in grond en wezen niet anders dan bezuinigingen zijn, maar dit woord wil de regering blijkbaar niet gebezigd zien — schade lijdt. Dit is wel zeker, dat het regeringsbeleid ook op genoemd punt ontstemming en ontevredenheid in brede kringen van ons volk verwekt heeft. En dit is volstrekt niet het enige, waardoor deze door het beleid der regering verwekt zijn. Ook een grote kring van ambtenaren.

en vvel de lagere en middelbare ambtenaren, gevoelen zich in hun traktement ten achter gesteld bij de hogere ambtenaren. Zij hebben reeds aangekondigd, dat zij voor de verhoging van hun salarissen zullen gaan demonstreren. Ook de voorzitter van de rooms-katholieke mijn-, werkersbond, de heer Dohmen, heeft aan zijn misnoegen op krasse wijze uiting gegeven, waarbij hij zeide geen vertrouwen meer te stellen in de rijksbemiddelaars. Op allerlei wijze en op verschillend gebied komt een sterke ontstemming ten aanzien van het regeringsbeleid aan de dag. Hierbij is voor de positie van de regering toch wel zeer erg, dat

de hoogconjunctuur

aan het wijken is en in sommige bedrijven reeds geheel geweken is. Er is een zeer ernstige daling van de waarden op de Amsterdamse beurs ingetreden. Ook het bedrijfsleven in Amerika vertoont reeds zwakke plekken. Indien het waar is, dat de beurs een barometer voor de gang van het maatschappelijke leven is, en daarvan is ongetwijfeld veel waar, faat het er wel donker uitzien, en dat ö ook voor de regering, te meer na het verlies van Indië door de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, waartegen wij ons sterk verzet hebben en welke bovendien geschied is op een wijze, welke moeilijk slechter had kunnen zijn. Van de zijde der regering is nog betrekkelijk kortgeleden gezegd, dat onze welvaart, waarvan zij meermalen hoog heeft opgegeven, geen schijnwelvaart was, maar het blijkt nu toch wel, dat zij meer scheen dan zij werkelijk was, waar zij ons nu al, na zon betrekkelijk korte tijd, gaat verlaten, althans aanmerkelijk verminderd is. De regering zal er wel aan doen, daarmede ernstig rekening te houden.

Bij de depressie in de jaren 1930

waren wij de eerste in deze Kamer, die de regering er op attent maakten. Wij kregen toen van achter de regeringstafel, uit de m.ond van een minister, die inmiddels overleden is, op vrij hooghartige wijze te horen, dat de regering van een depressie of van een naderende depressie niets bekend was. Nochtans is die depressie gekomen, en wel op een ontzettende manier. Wat nu heden betreft, en ook over de toekomst doen wij — het zij met nadruk gezegd — geen enkele voorspelling.

Het getuigenis van de Heilige Geest, bij monde van de apostel Paulus gesproken, celdt toch nog op de dag van heden en zal ook altijd gelden, om het even wat de wdjsheid der wereldwijzen er tegen inbrengt of op bedisselt, namelijk: O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen. Het is tenslotte God de Heere en niet de wijsheid der wereldwijzen, noch de Raad van Ministers, noch de bekwaamheid der bedrijfsleiders, die het wereldbestuur leidt. Hij is Degene, Die alle macht in de hemel en op de aarde heeft, en ook de Enige, Die kan zeggen: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Mijnheer de Voorzitter! Dit neemt echter niet weg, dat, als wij letten

op de tekenen van de tijd

— wat ons in Gods Woord bevolen is te doen — wij met grote bezorgdheid over het heden en de toekomst vervuld zijn. De gang van zaken in Amerika is voor ons land van grote betekenis. Wij zijn toch van lieverlede de sloep geworden, welke achter het grote Amerikaan schip drijft. Wat in Amerika thans maatschappelijk terrein voorgevallen en voorvalt, en niet minder wat daaro in het eigen land voorvalt en voorwvJ len is, geeft ons alle reden tot deze zorgdheid. Er zijn ten onzent

al bedrijven,

die arbeiders vanwege de slechte m van zaken hebben moeten ontslaan, waarde en de aandelen dezer bedrijvei is op de Amsterdamse beurs op eg, schrikaanjagende wijze gedaald, en niet alleen deze, maar ook die van andere bedrijven, vrijwel van alle bedrijven Daarop lettende kunnen wij nu al in zekere zin

van een depressie

spreken. Wanneer men zakenmensen spreekt, zeggen dezen ook, dat het ii hun zaken in korte tijd veel slapper is geworden. Van achter de regeringstafe is nog kort geleden bij de behandeljno van het Verdrag inzake de Euratom en de Gemeenschappelijke Europese Marltl vvel verklaard, dat ons volk de moeilijkheden te boven zal komen, maar dit is de

taal van de wereldwijze

die met het Godsbestuur generlei rekening houdt. Daaruit spreekt op dit punt ongetwijfeld een grote wereldgelijkvormigheid. En dat niet alleen; de vraa» rijst hier bovendien meteen, hoe ons volk de moeilijkheden te boven komt en zal komen, en welk een ellende bij die moeilijkheden in menig gezin geleden zal worden. Met deze moeilijkheden valt waarlijk niet te spotten en het geeft blijk van lichtzinnigheid, indien enig mens o! macht daar maar luchthartig over heen wil stappen of spreken. Het heugt ons uit onze kinderjaren zeer wel, welk een bittere arxnoede, welk een diepgaand maatschappelijk leed in de jaren 1890 en 1891

in tal van arbeidersgezinnen

is geleden, alsook, dat tal van lieden, onder wie boeren, vroeger kapitaalkraclitig, hun bedrijf bij gedwongen publieke verkoop onder de hamer zagen gebracit. Doch, Mijnheer de Voorzitter, wij behoeven nog niet eens zo ver in de geschiedenis terug te gaan om ons te herinneren, in welke hooggaande maatschappelijke moeilijkheden 'n zeer groot deel van ons volk verkeerd heeft. Het zijn de dertiger jaren,

met hun grote werkloosheid, met hun stempellokalen, waarheen zovele Nederlanders twee keer per dag zich hadden te begeven, waarin ook armoede en zelfs gebrek in vele arbeidersgeziiinen hebben geheerst en tal van Nederlandse industrieën en bedrijven in hoogst zorgelijke omstandigheden hebben verkeerd, want ook heel het bedrijfsleven verkeerde toen in een zeer kwijnende staat Daarvan wordt in menig bedrijf thans ook iets aangetroffen, hetgeen menig Nederlander in grote zorgen doet leven en voor hem soms hoogst ernstige gevolgen heeft. Een bepaald aangrijpend, frappant voorbeeld daarvan wensen w) onder de aandacht van de regering te brengen. Uit een hoogst betrouwbare bron det binnenschippers, waarin men de volle waaAeid van hetgeen wij gaan zegf instond, werd ons het navolgende m& gedeeld.

Een binnenschippef

droeg in de tijd van de hoogconjunctuur een scheepswerf op, voor zijn rekening een groter schip te bouwen dan hij ^^ zat. Doch ziende, waar het met de scheepvaart heenging, bood hij betrekieliik ko''^ geleden de scheepswerf een Jiadevergoeding van niet minder dan f 40.t)OO aan, indien deze zijn order irilde anuieren. De scheepswerf weigerle echter zijn aanbod te aanvaarden, Jaar de kiel van het schip reeds was geud en de voor de bouw benodigde uaterialen reeds waren gekocht. Dit kracht de schipper in dusdanige moeiïjkheden, dat hij, om een volksuitdruk- Hig te gebruiken, er geen gat meer in no en een einde aan zijn leven maakte. \u zullen de tegenheden in het bedrijf,

de moeilijkheden,

jm een uitdrukking der regering te gebruiken, stellig voor alle Nederlanders (jet zulke droeve, diep beklagenswaarijjue ffevolgen hebben als zij voor deze man hadden, doch dit geeft allerminst reden om de moeilijkheden te onderschatten. Het is wel zeker, dat moeilijkheden menige bedrijfshouder het leven uiterst zwaar maken, soms geheel vernallen. Het is voor menigeen een zaak, waarmee hij naar bed gaat, na halve of hele slapeloze nachten weder opstaat en waarover hij de gehele dag met zorg vervuld is. En nu. Mijnheer de Voorzitter, is het zo «esteld, dat

niet aUeen de biimenvaart,

maar ook de buitenvaart en ook in andere bedrijven zich de tekenen van een malaise vertonen. Het zou onbillijk en ook niet juist zijn, indien wij de schuld er van geheel op dit Ministerie en op de vorige Ministeries schoven, maar toch zouden wij anderzijds geen getrouw en ook geen waar beeld van de toedracht der zaken geven, indien wij haar vrij van alle schuld verklaarden. Het is toch aldus gesteld, dat

de na-oorlogse Ministeries

wel ter dege schuldig staan aan de huidige gang van zaken. Zij hebben de staatsuitgaven op een niet te verantwoorden wijze maar de lucht in gedreven. Zij hebben" van de hoge boom geleefd, alsof zij over een boom te beschikken hadden, waaraan zij maar even hadden te schudden en de gouden tientjes er dan bij miljoenen wel zouden afvallen. Daarbij is er, alsof het geld geen waarde had, door de Ministers met rijksgeld gesmeten.

De belastingbetaler

«as er goed voor om met zware lasten en belastingen dit wanbeleid te dekken. Hoog, zeer hoog tooh, waren — wat zelfs door de Minister-President erkend is - de belastingen, welke opgebracht moesten worden, opgevoerd. Dat daardoor het bedrijfsleven in tal van zijn takken ernstig getroffen werd, is niet te ontkennen. De zo hoog nodige investeringen moesten ook al mede daardoor in menig bedrijf achterwege blijven. -Nieuwe machines en andere voor het oedrijf onontbeerlijke vernieuwingen tonden niet worden aangebracht. Hier- "ij 'komt nog, dat de belastingen en lasten voor tal van Nederlanders een harde beproeving waren en zijn, dewijl zij door "en met grote moeite moesten worden «Pgebracht. Ons zijn gevallen bekend, dat zij slechts opgebracht konden worden door het kapitaal of het kapitaaltje, "at men bezat, aan te spreken. Vooral

voor ongehuwde,

jlleenstaande personen, die onbillijk ™og belast zijn, zijn de belastingen een ^'eel en veel te sware last. Vele voorstanders van de regering en ook de regering zelf erkennen de onbillijkheid van de zo zware belastingen ten aanzien van de ongehuwde personen, maar nochtans staat daarin geen wijziging aangebracht te worden, want — dat tekent de zaak heel erg — van regeringswege is verklaard, dat de huidige staat van 's Rijks financiën dat niet toelaat. Zo ver is het dan al gekomen, ja, zo ver. dat

de belastingschroef

opnieuw moet worden aangedraaid om de lege schatkist te vullen. 'Dat door de hoge belastingen en lasten mede het bedrijfsleven, de kip, die de gouden eieren moet leggen, ernstig geschaad en dat een deel van ons volk zwaar wordt getroffen, kan niet worden ontkend. Doch wat nood, volgens de verklaring, van achter de regeringstafel gedaan, zal ons volk immers de moeilijkheden wel te boven komerr. Men vrage echter niet hoe. Meermalen onder een stroom van zorgen en tranen, met niet onder woorden te brengen ellende, jammer en kommer en verlies van bedrijf en bestaansinkomsten. Hierbij bindt de regering — hetgeen wij met haar van groot belang achten — ons volk op het hart, toch

' vooral te sparen

en toch bedacht te zijn op bezitsvorming. Zij heeft daartoe zelfs een voorstel ingediend en nog een ander aangekondigd, doch wat moet daarvan terechtkomen, als de inflatie doorgang vindt. Het is waar, dat de Minister van Financiën, de heer Hofstra, heeft gezegd, dat deze inflatie een krachtig halt zal worden toegeroepen. Hij heeft daarbij zelfs het regeringsbeleid, zoals dat in 1956 en 1957 is gevoerd, openlijk en onomwonden afgekeurd. Doch volledig, heidshalve had hij het beleid van de achtereenvolgende naoorlogse Ministeries behoren af te keuren. Dit beleid toch heeft er aanmerkelijk toe bijgedragen, dat wij reeds heel ver

de weg van inflatie

zijn opgegaan. Jaar op jaar immers is de gulden onder hen in waarde verminderd. En dit mede doordat verhoging van lonen steeds door verhoging van prijzen is gevolgd, waardoor wij in een vicieuze cirkel terecht zijn gekomen. Nu heeft Minister Zijlstra wel de prijsstabilisatie afgekondigd, doch hij heeft deze evenmin kunnen handhaven als de laatste Franse Minister van .Financiën deze heeft kunnen handhaven. Allerlei prijzen zijn verhoogd en zullen nog worden verhoogd. Men denke maar aan de verhoging van de posttarieven en aan die van de elektriciteits- en gastarieven. De prijsstabilisatie zal daarenboven door onze toetreding tot de Euromarkt nogal zoveel minder te handhaven zijn. Wij willen in deze rede niet terugkomen in beschouwingen over de Euromarkt. Alleen wensen wij

onze grote verwondering

er over uit te spreken, dat voorstanders van de vrijhandel hun stem hebben gegeven aan het verdrag, dat zo sterk het protectionisme drijft, en die daarbij hun beginselen toch wel overboord hebben geworpen, alsook daarover, dat de regering, welke verklaart, dat één der voornaamste punten van haar regeringsbeleid is, de inflatie te keren, zich heeft aangesloten bij het verdrag van de Euromarkt, waarin elk statenlid de volkomen vrijheid is gelaten de inflatie in te voeren, hetgeen wellicht andere staten medesleept. En juist de inflatie zou voor ons volk, wat de regering zelf ei-kent, een zeer zware slag zijn. Ue regeringsmaatregelen zijn met deze verklaring echter wel in flagrante strijd. Niet alleen de Euromarkt legt de schatkist zware verplichtingen op, rnaar ook zijn er tal van maatregelen aan te wijzen, welke zij neemt, die hetzelfde doen. Men denke maar aan de toimen gouds, welke zij verspilt aan allerlei instituten, waaronder de Organisatie der Verenigde Naties, aan de miljoenen, welke zij uitgeeft voor allerlei subsidies, bijvoorbeeld aan sport en spel, opera en comedie, tot aan het dansen toe. Bovendien bezuinigt zij niet, althans lang niet voldoende, op de zo hoog door haar en door haar voorafgaande Kabinetten opgevoerde staatsuitgaven. Dit alles heeft mede tot gevolg, dat wij thans "

een lege schatkist

hebben en bovendien zwaar onder de schulden zitten, gelijk ook al het geval is met de gemeenten. Zover is het gekomen, dat de regering nota bene

tegen 6 pet.

moet gaan lenen, over welk percentage de socialisten in vroeger jaren in hun pers moord en brand geroepen hebben. Deze lening wordt dan uitgegeven onder de schoon klinkende betiteling van „woningbouwlening". Hierbij willen wij opmerken, dat de regering in vroeger jaren de woningbouw veel krachtiger ter hand had moeten nemen. Toen waren de materialen goedkoper en de lonen lager. De naoorlogse Kabinetten treft hierbij wel ter dege schuld. Zij hebben

de woningnood,

die de grote bron van maatschappelijke volksellende, jarenlang niet krachtig genoeg bestreden, een bestrijding, welke nu met vermeerdering van niet geringe kosten gepaard gaat. Wel heeft dit Kabinet in tegenstelling tot hetgeen voorheen het geval was, aan de particuliere bouwers een groter contingent te bouwen woningen toegekend, namelijk ' 40.000. Doch van de zijde van de particuliere bouwers is reeds te kennen gegeven, dat zij van dit aanbod onder de huidige omstandigheden en mede gelet op de door de regering opgestelde subsidieregeling geen gebruik te maken. Ook te dezer zake ziet het er allesbehalve rooskleurig uit. Dit geldt ook ten aanzien van de politieke delinquenten en verder, om maar iets te noemen, ten opzichte van

de republiek der Zuid-Molukken.

De regering heeft in de Troonrede een schone verklaring aangaande het onrecht afgelegd. Zal nu ook door de regering de republiek der Zuid-Molukken recht gedaan worden, alsook

aan tal van politieke delinquenten,

wie onrecht is aangedaan, onder wie ambtenaren, die uit hun betrekking gezet zijn of anderszins schade bekomen hebben? Ook willen wij bij de regering aanbevelen, dat zij

de zo schrikkelijke onveiligheid

op de verkeerswegen, waaraan steeds meer en meer doden en gewonden ten slachtoffer vallen, zal helpen keren. Tevens bepleiten wij bij de regering, dat zij oog zal hebben

voor de noordelijke provincies

en alles in het werk zal stellen, wat dienstig is aan de bevordering van de bloei van deze provincies. Mijnheer de Voorzitter! Wat ons verreweg het meeste verontrust betreffende het regeringsbeleid, is, dat daarbij al sinds jaren alles van de mens, diens inzicht en krachten, verwacht wordt en

de enige betrouwbare leiding van Gods onfeilbaar Woord

genegeerd wordt. Het regeringsbeleid wordt bepaald door een revolutionair sentiment. Zo was het, toen de regering alleen bestond uit voormarmen van de K.V.P. en de P.v.d.A. en zo is het ook thans nog, nu benevens hen in het Kabinet ook christelijk-historischen en antirevolutionairen zitting hebben. Het laatste is wel zeer vreemd en onverklaarbaar, als wij letten op hetgeen in vroegere jaren door de voormannen en in de pers van de antirevolutionairen en christelijk-historischen over de socialisten als een

onchristelijke en verderfelijke macht

geschreven is. Thans zitten dan twee antirevolutionaire en twee christelijkhistorische Ministers met deze onchristelijke en verderfelijke macht in een Kabinet verenigd, gaan zij daarmee arm in arm verbonden mee, en dat nog wel onder het minister-presidentschap van een socialist, en verlenen zij en hun partijgenoten in het parlement steun aan een in allerlei opzicht socialistische wetgeving en aan allerlei regeringsmaatregelen met een beslist socialistisch karakter. Het is wel een zeer snelle afloop der wateren, welke deze partijen ons thans te aanschouwen geven. Ook werken zij er hard aan mede, dat hun program van beginselen, waarin verklaard wordt, dat één van de eerste en voornaamste doeleinden van de partij is, dat het protestantse karakter onzer natie gehandhaafd wordt, als een vod papier wordt verscheurd. Wij zien toch, dat

de macht en het aanzien van Rome

nog van jaar op jaar vermeerdert. Wij zien het in de benoeming van burgemeesters en in die van ambtenaren. Wij zien het op allerlei wijze, ook in het houden van processies in gemeenten, waar de Grondwet dit verbiedt; in de advertenties van openbare colleges in het zuiden van ons land, waarbij in flagrante strijd met de Grondwet in de oproep van sollicitanten voor overheidsbetrekkingen de protestanten bij voorbaat worden uitgesloten. Mijnheer de Voorzitter! Van welke kant ook bezien, zien wij de toekomst, ook ten aanzien van de land- en tiiinbouw, met grote bezorgheid, ja

zelfs donker in

en dit mede door het regeringsbeleid, waarin Gods Woord en Wet genegeerd worden. Daarop ziende is zelfs het ergste te vrezen. Zware oordelen zijn over ons heengegaan. Twee wereldoorlogen hebben wij beleefd. Doch daaruit is niets geleerd. Integendeel, de verharding onder ons volk is zeer groot. Wat zou het een zegen zijn, indien onze regering zich in haar beleid naar Gods Woord en Wet gedroeg en ons volk aanspoorde om het pad der zonde te verlaten en zich als schuldig voor God te verootmoedigen. Doch helaas, als wij daarop aandringen, staan wij

geheel alleen

in deze Kamer. En toch, in het houden van Gods geboden is alleen het heil voor ons volk te verwachten. Anders kunnen, naar Gods Woord ons leert, nieuwe oordelen niet uitblijven bij de algemene Godsverzaking. Deze oordelen kondigen zich aan, al mogen wij de gro- te lankmoedigheid Gods niet over het lioofd zien, als wij er op letten, hoe, trots alle geredeneer over ontwapening, de bewapening steeds hoger en hoger wordt opgevoerd en steeds meer dood en verderf zaaiende wapenen, zoals de atoombom, de waterstofbom en de langeafstandsraket, worden vervaardigd. •

Eén vonk

is er slechts nodig en de gehele wereld kan weer in viuir en vlam staan. Want, daar gaat geen streep vanaf, wat van de hoM God afvalt, moet zeker vallen en wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1957

De Banier | 8 Pagina's

Algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting 1958

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken