Bekijk het origineel

Het Delta-plan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het Delta-plan

18 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer Kodde

Zoals bekend, heeft de ontzettende watersnoodramp van Februari 1953, waarbij ongeveer 1850 mensen om het leven kwamen en een groot verhes aan have en goed geleden werd, er toe geleid, dat men plannen is gaan beramen, welke, voor zover dat menselijkerwijs gesproken mogehjk is, een grotere mate van veiligheid tegen het aanstormende zeewater teweeg zouden kunnen brengen. Daartoe werd door de regering een commissie ingesteld, welke na zorgvuldig onderzoek met voorstellen kwam, die door de regering werden overgenomen en belichaamd in een wetsvoorstel, dat kortweg aangeduid wordt als het ontwerp TDeltawet. Het in dit wetsontwerp aangegeven plan beoogt het afsluiten van de zee-armen tussen de Westerschelde en de Rotterdamse Waterweg, waarmede, als er geen tegenvallers komen, een tijdsduur van op zijn minst 25 jaar gemoeid is, terwijl de kosten op circa 2y2 miljard gulden begroot zijn. Reeds is een begin gemaakt met de voorbereidende werkzaamheden voor de eerste grote afsluitdam, die in het Haringvliet zal aangebracht worden. Ook andere onderdelen van dit reusachtige werk zijn reeds onder handen genomen, zoals het Drie-eilandenplan, dat Noord-Beveland met Zuid-Beveland en Walcheren zal verbinden, en voorts de hoogwaterkering in de Hollandse IJssel, welke bijna gereed is.

Hoe indrukwekkend dit plan op zichzelf echter moge zijn, er kleven ook ernstige bezwaren aan. Wij denken hierbij aan de belangen der visserij in Zeeland, aan de oester- en mosselcultures, aan de garnalenvisserij, waarbij plaatsen als Yerseke. Veere, Tholen, Amemuiden, doch ook andere plaatsen buiten Zeeland, b.v. Stellendam, zo nauw betrokken zijn. Om deze belangen veilig te stellen, is er veel moeite voor gedaan om de regering te bewegen in plaats van de thans voorgestelde afsluiting een andere methode toe te passen, namelijk door middel van een geperforeerde dam voor de kust, waardoor de oester- en mosselcultures zouden kunnen blijven ter plaats waar zij thans zijn, terwijl het gemeentebestuur van Veere krachtig opgekomen is voor het aanbrengen van een sluis in de bij Veere aan te brengen dam. Het betreffende wetsontwerp kwam de vorige week bij de Tweede Kamer in behandeling. Vooral uit de provincie Zeeland was de belangstelling op de gereserveerde tribune zeer groot. De belangrijkheid van dit grootse werk, dat niet alleen voor Zeeland, maar voor heel Nederland van zo groot gewicht is, waarom er dan ook met het volste recht van een nationaal plan gesproken kan worden, bleek ook uit het groot aantal Kamerleden, dat aan de discussie deelnam. Namens de S.G.P.-fractie werd dit gedaan door de heer Kodde, die als Zeeuw en als burgemeester van Zoutelande wel zeer nauw bij dit plan betrokken is. Daar zijn rede duidelijk genoeg voor zichzelf spreekt, zullen wij het bij deze korte inleiding laten en de rede laten volgen. De heer Kodde sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter! Ik dank u en de anderen, die daaraan hebben medegewerkt, dat mij de gelegenheid is geboden, thans nog te spreken. Mijnheer de Voorzitter! Het gebeurde in 1953 toont ons, dat de veiligheid, die wij aanwezig achtten, niet aanwezig was. Wij zullen ons niet verzetten tegen het streven om die veiligheid te vergroten, maar wij willen er toch wel op wijzen, dat „die God bewaart, wel bewaard is", en dat die God slechts een veiligheid kan geven, die groter is dan ooit een mens ons geven kan. Wij leven in een tijd, waarin het technisch kennen en kunnen een hoogtepunt heeft bereikt, dat ons begrip te boven gaat. Het verontrust ons echter, dat - maar al te veel blijkt, dat die kennis wordt gebruikt tot

verheerlijking van de mens

en niet tot verheerlijking van God. Dat vooropstellende, wil ik u, Mijnheer de Voorzitter, mededelen, dat wij nog enige bezwaren hebben tegen dit ontwerp van wet. Als eerste bezwaar wil ik naar voren brengen de tijd van behandeling. Reeds nu is de uitvoering begonnen en zijn er zoveel voorbereidingen getroffen, dat het schier niet meer mogelijk zal zijn nog invloed te oefenen op hetgeen men zich heeft voorgenomen uit te voeren en op de uitvoering zelf. Toch is het een zaak, welke van grote omvang en gewicht is, zeer zeker voor Zeeland. Een deel van ons land — al mag dat dan nu niet het grootste deel zijn en al is het thans wat moeilijk bereikbaar, en al wonen daar veel mensen, die een andere kijk op de zaken hebben dan zij, die in, wat men noemt, het centrum, wonen — zal door die werken veel worden veranderd. Reeds daarom zal het zo nodig zijn, dat deze aangelegenheid niet alleen technisch wordt bekeken, maar dat ook andere belangen daarbij worden bezien. Daarom heb ik bezwaar tegen de

zo late behandeling,

ook al heb ik er waardering voor, dat spoedig na de ramp voorbereidingen zijn getroffen. Mijnheer de Voorzitter! U zoudt kunnen stellen, dat, als .het wetsontwerp spoediger aan de orde was gesteld, de stem van het Zeeuwse volk, althans door Zeeuwen vertolkt, niet in de Staten-Generaal was gehoord. Dat stem ik toe, maar nochtans zijn tegen een behandeling, terwijl de werken, waarom het gaat, reeds worden uitgevoerd, wel bezwaren aan te voeren. Ik wil trachten enige van die bezwaren te noemen, die ik meen beter aan te voelen, omdat ik te dien opzichte wel ervaring heb gekregen door het gebeurde in Walcheren. Walcheren is verkaveld. Veel is er veranderd. Er is een wet, maar ik heb wel het gevoel gehad, toen wij met die ruilverkavehng bezig waren, en het werk reeds een heel eind was gevorderd, dat wij toch nooit de rechtszekerheid konden verkrijgen, die wij zouden hebben gehad als de wet er eenmaal was. Al wil ik nu niet stellen, dat de uitvoering zoveel anders zou zijn geweest, acht ik toch, dat zulks de rechtszekerheid nooit ten goede komt. En rechtszekerheid is toch wel van groot belang. Zo wil ik nu ook als een bezwaar noemen, dat er te weinig mogelijkheid is gegeven om tevoren kennis te nemen van de Deltaplannen. Dit geldt

nfet alleen de burger,

die door de uitvoering in een geheel andere positie kan komen, maar het geldt ook de besturen van provinciën en gemeenten. Als ik er aan denk, dat in een gemeente, die ik van nabij ken, de plannen slechts schoorvoetend, en dan nog wel onder enige drang, werden bekend gemaakt, dan kan ik dat niet prijzen, maar acht ik dat een niet juiste wijze van handelen. Als ik bedenk, dat een gemeentebestuur, dat een plan van uitbreiding op bescheiden schaal wil wijzigen, dat plan tevoren ^m mm moet ter inzage leggen, terwijl hier een plan aanhangig is, hetwelk van veel groter invloed is dan ooit een plan van uitbreiding kan zijn, terwijl niet voldoende tevoren de gelegenheid wordt geboden om daarvan kennis te nemen en bezwaren in te dienen bij een instantie, die geacht kan worden boven de partijen te staan, dan acht ik dat een groot bezwaar. Ik wil er dadelijk bijvoegen, dat van de personen, welke met de uitvoering worden belast, er zijn, die trachten zo veel mogelijk aan die bezwaren tegemoet te komen. Gaarne wil ik die personen prijzen, maar wij staan hier voor het stellen van regelen, en die dienen toch zo te zijn, dat het rechtsgevoel niet wordt gekrenkt. Nu kan worden gesteld, dat het toch alles technisch is, maar ik heb reeds gezegd, dat hier veel meer dan enkel technische zaken aan de orde zijn. Zeker, de wijze, waarop de dijken zullen moeten worden gebouwd, die zullen wij aan de deskundigen niet alleen moeten, maar ook willen overlaten. Maar het gaat er om, dat de

bestuursorganen

geen gelegenheid hebben gehad, van de plannen tevoren kennis te nemen en ook hun bezwaren in te brengen alvorens reeds veel vaststond. Nu kan worden gesteld, dat zulks nu nog kan en ook steeds heeft gekund, maar nogmaals wü ik daartegenover stellen, dat in de wet daaromtrent niets wordt geregeld. Op blz. 2 van de Memorie van Antwoord wordt wel gesteld: , , Evenzeer achten wij het vanzelfsprekend, dat in een vroeg stadium allerlei belanghebbende organen bij de voorbereidingen worden ingeschakeld", doch op blz. 3 is vermeld, dat met onderscheidene diensten in overleg zal worden getreden. Niet gaarne vidl flf stellen, dat het niet nodig zal zijn, die diensten te raadplegen en de mogelijkheid te geven van hun inzichten te doen blijken, maar het verontrust mij, dat wel de diensten zijn genoemd, maar niet de besturen, en dus blijkbaar met „organen" „diensten" worden bedoeld. Ik vrees, dat te weinig met de andere gevolgen, dan alleen het veilig stellen tegen het geweld der baren wordt gerekend. En die gevolgen liggen in het economische, maar ook in het bestuurlijke, ja zelfs in het godsdienstige vlak. Gaarne zag ik dan ook, dat de besturen alsnog zullen worden geraadpleegd en dat deze de vrijheid wordt gelaten, adviezen te vragen aan wie zij ook wensen, dus ook aan de eigen diensten — haast wilde ik zeggen: vanzelf — maar ook aan anderen, voor wie zij menen, dat zij bij de zaken belang hebben of daarin kunnen adviseren. Zal de aangebrachte wijziging, dat „na overleg wordt gewerkt" voldoende waarborg bieden? Ik vrees! Ik hoop dan ook nog te mogen vernemen, dat ik de zaak onjuist heb ingezien, of dat het zeker de bedoeling is, de besturen van provincie, gemeenten en polders de gelegenheid te schenken, van de plannen tijdig kennis te nemen en hun eventuele bezwaren in te dienen. Dan zal er nog wel de mogelijkheid blijven, dat het kennis nemen niet veel baat afwerpt, als er niet een gelegenheid wordt gemaakt, dat door een persoon of personen, die boven de partijen staan, een uitspraak kan worden gedaan. Ik begrijp de moeilijkheid om nog iemand te vinden, die boven de partijen staat, maar het zal toch van belang zijn, dat waj iemand kuimen krijgen, die, als het ware boven de partijen staande, tot een uitspraak kan komen. Ik denk, dat het zeer zeker mogelijk zal zijn om een procedure in de wet vast te leggen, waardoor het horen van de Raad van State noodzakelijk zal zijn en waardoor het dus mogelijk zal worden, dat partijen hun belangen bij de Raad van State kunnen bepleiten. Ik meen, dat de regering gaarne goed wordt voorgelicht, dat zij gaarne rekening wil houden met wat er leeft, maar dan mis ik juist de toezegging, de besturen te zullen horen. Op blz. 3 van de Memorie van Antwoord is gesteld, dat nog overleg gaande is over het instellen van een sociaal-economische raad, en dan is er ook aanleiding om te vragen, te overleggen over het, meer dan tot dusver is gedaan, inschakelen van de besturen. In dit ontwerp is ook opgenomen de versterking van de

zeewering aan de Wester-Schelde.

Het is mij bekend, dat de Westerschelde niet een vaarwater of zeearm is, waarover wij vrij de beschikking hebben. Immers, ook België heeft daarbij belangen en die belangen zijn in een verdrag vastgelegd, dat wij hebben te eerbiedigen. Gelukkig neemt dat de mogelijkheid niet weg, te overleggen en bij het bereiken van overeenstemming veranderingen aan te brengen. Er schijnen nog bezwaren te zijn bij onze zuiderburen tegen een inpoldering van het Land van Saeftinge. Gaarne hoop ik, dat het de regering mag gelukken die bezwaren weg te nemen, want voor Zeeland zal het van belang zijn als die inpoldering kan plaats hebben. In nauw verband daarmede staat de vraag, of er inderdaad verhoging van het water zal plaats hebben, als de andere zeearmen zijn afgesloten, en ook of er verhoging zal plaats hebben in België, indien de door mij genoemde inpoldering tot stand komt. Ook wil ik in dit verband mijn teleurstelling er over uitspreken, dat de normalisering van de Westerschelde niet urgent wordt geacht. Volkomen begrijp ik, dat het vraagstuk

internationaal overleg

eist, maar moeten nu eerst grote kosten worden gemaakt om de dijken te verhogen, en dan een normahsatie worden uitgevoerd? Heeft België dan ook geen voordelen van een normalisatie? Nederland heeft die naar mijn mening wel en daarop vwl ik nog wel terugkomen. Het is voor mij teleurstellend, dat het Land van Saeftinge moet blijven . zoals het is en dat er geen overleg wordt gepleegd over de normalisatie van de Westerschelde. Wat het Land van Saeftinge betreft, dient toch ook te worden gelet op het feit, dat de grond rijp is en dat langer uitstel de grond niet beter, maar wel slechter zal doen worden. Door de inpoldering zou er weer land beschikbaar komen, en dat is zo hoog nodig, omdat ook het aantal landbouwers toeneemt en de toename van de bevolking nieuwbouw nodig maakt, die beslag op zeer veel grond legt. Daarom wil ik toch wel vragen, aan die beide zaken, welke nauw met elkander verband houden, alsnog aandacht of meer aandacht te schenken. Over alles, wat rondom de

delingsdijk in Schouwen

heeft plaats gehad, zal ik nu niet veel zeggen. Wel begrijp ik, dat niet met zekerheid kan worden gesteld, welke oppervlakte het minst gevaarlijk en dus het meest te verkiezen is bij doorbraak. Dat kan niet worden gesteld, want alles hangt er maar van af met welk een vloed men te maken heeft. Toen Walcheren kunstmatig geïnundeerd werd, duurde het veertien dasg aleer het water zich over de gehele ntvi pervlakte verspreidde. Het is geheel ia anders, als een dijk bezwijkt door d druk van het water, dat door storm opgedreven, want dan zal de openino dadelijk veel groter worden en het ver schil tussen de stand van het water het niveau van het land veel groter ziin Voor de veiligheid van mens en dier za het van groot belang zijn, dat de opper, vlakte gi-oot is, opdat de waterstanc langer laag zal blijven, ''maar bij het herstel zal gemakkelijker een dichting plaat, hebben, als de polder klein is. Het is om die reden wel te betreuren, dat er een geschil is ontstaan. Een groot bezwaar wel, dat door de afsluitingen van de zeearmen takken van bestaan in Zeeland worden bedreigd, zo niet vernietigd Daarbij doel ik op de

en de oester- en mosselcultuur garnalenvisserij vanuit Veere.

Het zal niet gemakkelijk zijn om de kosten voor het verhogen van de veiligheid laag te houden en de belangen, zo juist genoemd, niet te schaden. Toch mogen wij niet van de gedachte uitgaan, dat het onmogelijk is. Het is wel een kwestie van kosten. Daarbij mag niet vergeten worden, wat de oesters o.a. opbrengen aan deviezen. Ook mag niet vergeten worden, dat in de genoemde bedrijven velen werk vinden en dat het uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk zal zijn, die personen aan een andere mogelijkheid van bestaan te helpen. Niet vergeten mag worden, plaats als dat een Yerseke zal uitsterven, als het niet meer mogelijk zal zijn de oestercultuur daar te behouden. Yerseke zal alleen geholpen kunnen worden door een geperforeerde dam in de Oosterschelde. Daartegen worden op blz. 13 van de Memorie van Antwoord bezwaren aangevoerd. Er wordt een bedrag van 250 miljoen nodig geacht voor die inlaatwerken, Maar daartegenover zal een bedrag kunnen worden bespaard op de inlaatwerken in het Veeregat, met name op de proef, welke wordt genomen of moet worden genomen inzake de oestercultuur. Het is de bedoeling om, indien die proef slaagt, de oesterbedrijven naar het Brouwershavensche Gat en de Grevelingen over te brengen, omdat de kosten van in- en uitlaatopeningen daar veel minder hoog zijn. Vijftig a 125 miljoen gulden worden daarvoor nodig geacht. Er moet dus worden gerekend met een hogere uitgaaf bij de

perforatie van de Oosterscheldedam,

in de orde van grootte van 125 of 200 miljoen gulden. Dat is geen klein verschil. Maar zijn met de kosten van de inlaat in het Brouwerhavensche Gat alle kosten genoemd? Wat zal er nodig zijo voor de verplaatsing, voor de bouw van woningen en alles, wat met de oestercultuur samenhangt? Het is niet denkbaar te achten, dat de kwekers in Yerseke kunnen blijven, als ei verplaatsing plaats heeft. Dus zullen woningen, scholen, kerken, opslagplaatsen, winkelbedrijven en alles, wat met de oesterkwekerij verband houdt, verplaatst moeten worden. Nu zal ook worden aangevoerd, dat ae Oosterschelde bij het maken van in- ei uitlaten zout blijft, dat zulks de streeli schaadt en dat er behoefte is aan zo^' water. Kan worden medegedeeld wat de kosten zullen zijn van het brengen van dit zoete water, als het er eenmaal is, naar * plaatsen waar dat nodig is? Die plaatsen liggen toch op verre afstand? Die plaat' sen liggen niet in Zeeland. Is er geen andere mogelijkheid om zoet water te m' , j„ waar het nodig is? Er zal gewezen ïorden op de invloed van het zilte wai, j op de landbouw. Het is een feit, dat •„ Zeeland het klimaat zilt is, maar ik icbt nog niet bewezen dat de nadelen Jaarvan zo groot zijn als weleens wordt voorgesteld. Er wordt immers ook wel jg opvatting gehuldigd, dat het zilte tliniaat de kwaliteit van sommige proiuWen hoger doet zijn. Voor de fruitteelt

jjl er zelfs voordeel kunnen zijn, als het jjijiaat zilt blijft, want dat houdt de nachtvorsten tegen, zodat het nog een vtaag blijft, of, althans Zeeland, baat jal hebben bij het vormen van een zoet- ^•aterbassin. pe verzilting van de bodem, welke in Zeeland voorkomt, inzonderheid op Schouwen, zal kunnen worden bestreden ioor een goede afwatering, zoals in Walcheren, in de Zuid-Watering, wel blijkt. Daarom meen ik, dat te weinig is gere- Isnd met andere belangen, met alles, wat hieraan vastzit. Er is ook te weinig rekening gehouden met de mens, want bij zal verplicht worden wat anders te gaan doen, zich te verplaatsen of zich bij de wordende toestand neer te leggen. Het is voor mij aan twijfel onderworpen, of een overbrenging naar het Brouwersliavensche Gat mogelijk zal blijken. Het is ook een vraag, of de proef in het Veeregat nog wel voldoende bewijzen zal leveren. Daarbij denk ik ook aan de temperatuur van het water. Hoe het ook zij, ik meen sterk te moeten aandringen op een nader beraad om de oesterteelt in Yerseke te doen blijven. Eventuele bezwaren, die België zou kunnen hebben omdat er dan mogelijk een dam meer in het vaarwater zal komen. dienen op andere wijze te worden opgelost. Wanneer ik hier deze kaart voor mij zie, dan schijnt er nog iets anders aanhangig te zijn. Ik wist namelijk niet, dat er reeds een project bestond voor een

Antwerpen-Rijnkanaal.

Dat blijkt volgens deze kaart wel te bestaan. Ik meen althans, dat de op die kaart voorkomende groene baan daarop duidt. Ik zou niet weten waarop die lijn aunders moest duiden. Bezwaren hiertegen zijn er dus blijkbaar niet meer. Ik hoop, dat wij ook in dit geval niet voor een voldongen feit zullen worden gesteld, maar dat deze zaak voldoende tijdig in de Kamer aanhangig zal worden gemaakt, opdat wij er ons over kunnen uitspreken. Wanneer ik dat kanaal hier voor mij zie, geloof ik, dat er toch ook nog wel andere mogelijkheden zijn, waardoor wij geen moeilijkheden hebben met Yerseke, met de oesterteelt en met de dammen, dat er misschien nog wel een kanaal gegraven kan worden, dat heel wat minder zal kosten dan dit. Ik begrijp, dat ook een deel van Noordbrabant bij een dergelijk kanaal enige voordelen kan hebben, maar ik meen toch, dat wij hier zeker vast kunnen stellen, dat het geperforeerd afsluiten van de Oosterschelde, waardoor dammen nodig zullen zijn tussen Schouwen- Duiveland en Tholen, opdat het zoute water zich daar niet verder verspreidt, voor België geen moeilijkheden zal opleveren. Wat de mosselen betreft, zal het gaan om het behouden van een goede verwaterplaats, opdat, de kwaliteit van de Zeeuwse mossel blijft zoals die nu is. Ook dat zal nauw samenhangen met de al of niet gehele afsluiting van de Oosterschelde. Over de garnalenvisserij vanuit Veere wil ik straks nog iets zeggen, als ik, de Memorie van Antwoord volgend, bij het Drie-eilandenplan of de afsluiting van het Veeregat kom. Thans wil ik de aandacht vragen voor hetgeen op blz. 15 van de Memorie van Antwoord voorkomt over de vaste verbinding tussen zuid- en midden-Zeeland. Gedeputeerde Staten van Zeeland — ook de vorige spreker heeft er reeds op gewezen — hebben op de noodzaak van een vaste oeververbinding gewezen in de documentatie, onder 04. De kosten zullen niet gering zijn, maar als wij zien, dat de wachttijden en wat dies meer zij het bedrijfsleven, naar vermoed wordt, in 1960 18 miljoen gulden zullen kosten, is het duidelijk, dat er iets moet gebeuren. In hoeverre er verhaal nodig en mogelijk zal zijn, laat ik nog in het midden. De Antwerpse tunnel is ook niet meer in staat nog meer verkeer op te nemen, dus daarheen kunnen wij het verkeer niet leiden. De provinciale bootdiensten kosten ook veel geld en eisen voortdurend meer zorg. Ook deze kunnen geen goede oplossing bieden. Voor de ontwikkeling van Zeeland is het van zeer groot belang, dat

Zeeuwsch-Vlaanderen

als het ware aan midden-Zeeland wordt gekoppeld en dat er tevens een goede verbinding met België komt. Er moet een gemakkelijke wisselwerking mogelijk zijn. De vestiging van industrie zal daarmede gebaat zijn. Dat is niet alleen een belang voor Zeeland, maar voor het gehele land. Gaarne verwijs ik naar bijlage 1 van de reeds genoemde documentatie. Het is van groot belang voor ons land, dat de industrie verspreid is, dat er geen opeenhopingen zijn in bepaalde gebieden. De problemen rond randstad Holland zouden worden verkleind, als er in Zeeland meer industrie kwam, en mede daarom is een betere, een vaste verbinding nodig. Hier is nu bij uitstek een mogelijkheid om de belangen van Zeeland te dienen en ook andere belangen voor te staan. In verband hiermede wil ik toch nog terugkomen op de normalisatie van de Westerschelde. Als die normalisatie tot stand kon komen, dan zou ook het verkeersprobleem van minder omvang zijn, het zou althans gemakkelijker zijn op te lossen. Ik acht het wel nodig, dat ernstig wordt overwogen wat gedaan kan worden. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1957

De Banier | 8 Pagina's

Het Delta-plan

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken