Bekijk het origineel

Een dode hond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een dode hond

6 minuten leestijd

Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben? 2 Samuel 9 : 8

efibóseth was afkomstig iiit het huis in Saul. Dit huis van Saul leefde in luwigdurende vijandschap met het huis David. Zo ook wij. Wij zijn kinderen IS toorns, vijanden van God en Zijn ge- Ifde Koning, meer liefhebbers der weisten dan Hefhebbers Gods. In onze nanr en geaardheid meer gelijkend op de livelen dan op de engelen. Wij komen len voort uit het huis van de helse ml. Jezus zegt: „Gij zijt uit de vader de livel, en wilt de begeerten uws vaders len", Joh. 8 : 44. Wij zijn liefhebbers ia onszelf en haters Gods. Vijanden larbij van vrije genade. Er is niemand, e God zoekt, allen zijn zij afgeweken. 0 daarom als God een zondaar opzoekt, m vindt Hij hem met de wapens in zijn . Die wapens heb ik in het Parajs tegen God opgenomen. O, als schuld eens schuld wordt. Maar o eeuwig onder, dan wordt genade genade. Want iddelozen worden gerechtvaardigd en janden worden met God verzoend. Nie- 1 stof ontvangt gena, Jezus stierf op olgotha. Amen, Goddelijk Evangelie, nen zegt mijn ziel hierop. efibóseth bevond zich in 't huis van achir. Machir wil zeggen: huis van «pmanschap. In dit huis bevinden wij IS van nature aUen. In dit huis van iesteüjke koopmanschap wegen we geld t voor hetgeen geen brood is, en onze beid voor hetgeen niet verzadigen kan. ier toch slaapt de mens zeer vast in, in is duivels armen. Hij heeft een verbond imaakt met de dood en een voorzichtig irdrag met de hel. Maar o aanbiddelijke ion Gods, Gij zijt gekomen om de wer- !n des duivels te verbreken. In een owig verbond heeft Hij Zichzelf met ! Vader verbonden om mij uit de wrede van de dood eens los te maken. Béén in mijn Borg wordt teniet gedaan * verbond met de dood en mijn voorverdrag met de hel. 'ze Machir was een zoon van Ammiël. "imiël, dat wil zeggen: zoon des dage- Ms. Dit nu was ons aller naam in de der rechtheid. Immers het licht van 'ddelijke gunst omscheen ons in die '"gelijke dageraad van het schone Parijs.

»A lioe is thans die gezegende toe- "> il veranderd. I plaats van zonen des dageraads zijn sonderen der duisternis. We hebben ' duisternis liever gehad dan het licht, de dood begeerd boven het leven. lar eerst niets kwaads was, is nu niets ^S' Artikel 14 van onze geloofsbelij- •i's zegt: „Overmits al het licht, dat in 'S, in duisternis veranderd is". O óipzaüge tóestand.

Ween, kind der aarde, ween, omdat ge een zondaar zijt. O bange nacht van schaduw des doods, die zich over ons heeft uitgespreid. Verduisterd in het verstand om de Alwetende te kennen; verduisterd om onszelf te kennen.

Maar wie peilt de hefde Gods in Christus, dat nu voor duisterlingen en doemelingen gepredikt wordt: „Het voDc, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien". Al de duisternis, waarin ik besloten lag, is over Hem gekomen. Die God uit God en Licht uit Licht is. Al de kwellingen der verdoemden in de hel zijn als in één brandpunt saamgevallen op Zijn Middelaarshart, toen Hij temidden van de donkerheid der verdoemenis uitriep: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? " Zie hier de grond en de poort, waardoor duisterlingen geroepen worden tot Gods wonderbaar hcht, om in Hem hersteld, weer Ammiël — zoon des dageraads te zijn. Want een nieuwe dageraad gaat op waar Jezus zich ontdekt:

Zijt Gij, o mijn Heiland, Gij tot mij gekomen, Hebt Gij mij gezocht, die naar U niet en vroeg?

Mefibóseth betekent: hij, die de schande wegwerpt. Dit nu doet de zondaar niet van nature, neen, veeleer is de zonde zijn element, hij beweegt zich in de schandelijkheden der zonden als een vis in het water. Doch één, die de schande wegwerpt, wordt hij alleen door wederbarende genade. Bij het ontdekkend licht des Geestes toch leert zulk één zijn eigen diep bederf, zijn schande en ellende kennen, leert hij verstaan, dat hij een liefhebber van zichzelf en een eerrover Gods is. De geestelijkheid der wet maakt de zonde tot zonde, ja dan wordt de zonde tot schuld. Hij leert zich diep wegschamen voor God. Zijn zonden worden hem een last. Hij wordt een gebogene, een zuchter, die uitroept:

Is er dan, o groot Ontfermer, Is er voor een nare kermer. Voor een schreier nog gehoor? Is er nog een open oor? Doch bij de bekommering over de schuld gaat tevens gepaard die hartelijke keus en begeerte om, indien mogelijk, geheel voor de Heere te leven. Wij zien hier dus een gehele omkering. Vroeger minde hij zichzelf op het allermeest en was God het Voorwerp van zijn grootste haat, en dit was zijn schande. Nu leerde hij God liefkrijgen op het allermeest, en daaruit vloeit vanzelf, dat zuDc één nu van zichzelf gaat walgen. Maar ach, hoewel het bij hen is met de zonde: henen uit! daar moet een ander aan te pas komen, die de schande voor zulk één wegwerpt. Want vervidd wordt: „Al wiest ge u met salpeter en al naamt u veel zeeps, zo blijft nochtans uw ongerechtigheid op u". O, hoe krijgen we Hem onmisbaar van node, die door de Vader besteld is als de Held der hulp. Die toch alleen is machtig om de zonde Zijns volks weg te nemen. Hij verlost van het grootste kwaad. Hij werpt de schande weg. O wonder van genade. Welzalig hij, wie 't mag gebeuren. Klaagde hij: „Mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden"? Vroegen zij; „Wie neemt mijn schuld weg? Hoe word ik rechtvaardig voor GodF' Hij kwam en nam die schuld op Zich. Hij nam ze over. Hij wieip ze weg, zo ver, zó mateloos ver, dat de dichter zingt:

Zo ver het west verwijderd is van 't oosten, 2/> ver heeft Hij, om onze ziel te troosten. Van ons de schuld en zonden weggedaan.

Mefibóseth kwam uit Lodebar. Lodebar nu betekent weideloos, onvruchtbaar. In die staat verkeren wij allen. Wij kunnen voor God nooit één vrucht meer oplev& ren, wie we ook zijn. Daarom, wereldhng, schrijf boven uw wensen en begeerten: „Lodebar". Vroom kerkmens, maar nochtans vreemdeling van God en Christus, die genoeg hebt aan een vleselijke belijdenis, schrijf boven al uw godsdienst: „Lodebar". Bekommerd mens, maar die uw grond hebt in al de bewegingen uwer ziel, zo lang ge daar genoeg aan hebt, maar niet als een hongerende en dorstende uitgedreven wordt tot de gerechtigheid van Christus, schrijf boven uw tranen en zuchten: „Lodebar".

Volk van God, die nog zo menigmaal wet en Evangelie dooreen vermengt en menigmaal genoeg hebt aan uw omzetting, bekering enz., die misschien veel praat, maar weinig beleeft; in uw spreken is de Geest niet, maar de geest van de „bekeerde mens". Schrijft daarom boven uw bekering: „Lodebar", onvruchtbaar. Geen vrucht in de mens. Gewogen, gewogen, en te hcht bevonden. Dit is een weg van oefeningen, maar dan. ook de zekere weg om het volle gewicht te ontvangen in Hem, Die zegt: „Ulieder vrucht wordt uit Mij gevonden".

Sliedrecht Ds. C. SMITS

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1957

De Banier | 8 Pagina's

Een dode hond

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken