Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXXXIV. Uit Groens brief aan Ds. van Velzen over het leerstuk der uitverkiezing voor kinderen.

Zoals reeds werd opgemerkt, heeft mr. Groen van Prinsterer het verweer, door ds van Velzen in zijn apologie geboden, beantwoord in een brief, welke te vinden is in het tweede deel van de „Verspreide Geschriften". In zake de opmerkingen van ds van Velzen betreffende bepaalde schoolboekjes, waarin naar het oordeel van Groen ten onrechte het leerstuk der verkiezing ter sprake werd gebracht — hoe en op welke manier dit gedaan was, werd düor Groen niet vermeld — schrijft Groen het volgende: „Ik begin met opgaaf van hetgeen ik liet- misprijs, om aldus eenvoudig en duidelijk te bepalen wat ik afkeur. Ik ben niet tegen leerstellig onderwijs; nooh in de zin waarin alle waarheid leerstellig mag worden genoemd, noch in die meer stelselmatige omvang en vorm waarvoor menigeen in onze tijd zo uitermate beducht is.

ik ben niet, behoef ik dit te zeggen? tegen het gebruik van de Bijbel op de school; alsof men enkel uittreksels zou mogen gebruiken, *»vaarin men opzettelijk sommige waarheden verzwijgt. ft ben niet tegen het gebruik van de Catechismus op de school; ofschoon ik "iMn, dat het catechetisch onderwijs, let onderricht in de godsdienstleer, weliiont even goed en beter gegeven wordt "1 afzonderlijke uren en onder meer rechtstreeks toezicht van de predikant. '» ben niet tegen de vermelding, ook 'an kinderen, van het leerstuk der verkiezing; naar mij voorkomt, onafscheioelijk van de leer der "vrije genade, waar- '" ik de bron van „ware ootmoed, van wlkomen gemoedsrust en van dankbare "jver" erken". •*ia deze opsomming van hetgeen door ^fen niet werd afgekeurd, volgt thans *t door hem wel veroordeeld werd. •Jienaangaande luidt zijn antwoord als volgt:

„Doch ik ben er wel tegen, dat de verkiezing in de spelboekjes worde geleerd, • en, om u duidelijk te maken wat mij eigenlijk mishaagt en ergert, zij het mij vergund u, in het waarschijnlijk ook door u bedoelde boekje, de bladzijdeop te geven, die ik inzonderheid in het oog had. Wat op die bladzijde staat, ziedaar wat ik niet verlang. Geen verkondiging der predestinatieleer aan een kind, dat voor het eerst met de woorden van vier lettergrepen bekend wordt. Dit acht ik met de eerste regels ener ohristehjke opvoedkunde in strijd. Ik schreef, „zo ik wel onderricht ben", omdat ik de mogelijkheid onderstelde, dat dergelijke samenvoeging van bijkans alfabethisch onderricht met de diepten Gods, ook door degenen, die met u instemmen, zou - worden veroordeeld; omdat ik deze, naar mijn inzien, allerschadelijkste verkeerdheid niet gaarne, zonder enig voorbehoud, op rekening der Afgescheidenen zou hebben gesteld. Ik heb dus niet mijn pen geleend „om, zonder genoegzame grond, als daadzaken te vermelden wat der gemeente tot smaad verstrekt". Het schoolboekje is kerkelijk afgekem-d, schrijft gij en doet opgaaf van de reden waarom; doch het is u ontgaan, dat gij hierdoor bewezen hebt, niet de ongegrondheid of voorbarigheid, maar de juistheid mijner aanklacht. De kerkeraad vond er „vele fouten in, waardoor sommige punten de leer betreffende, kwalijk worden voorgesteld". Doch het is niet de verkeerde voorstelling, het is de voorstelling zelf waartegen ik opkom. Ik onderzoek niet of in het spelboekje de uitkomsten der Dordtse Synode met onberispelijkheid der opgave zijn medegedeeld; ik vraag niet op welke wijs aldaar van de ver­ kiezing gewag wordt gemaakt: ik beweer, dat de mededeling zelf niet te pas komt; dat voor kinderen, op de jaren, waarin zij doorgaans het eerste leesonderricht ontvangen, de vermelding der verborgenheden van de Heilige Schrift, in theologische vorm, ontijdig en schadelijk is. Ik weet, dat er geschreven staat „uit de mond der kinderkens en der zuigelingen - hebt Gij Uw lof toebereid"; maar ik acht, dat men de zin dezer merkwaardige woorden miskent en de Schriftuurplaats misbruikt, wanneer men daaruit vrijheid ontleent om de kinderen, als zij nauwelijks onderscheid weten tussen hun rechter- en linkerhand, te voeden met hetgeen voor de godgeleerden van Dordrecht vaste kost was".

Tot zover Groen, uit wiens antwoord blijkt, dat zijn bezwaar niet gericht was tegen de manier van voorstellen, niet tegen de wijze waarop van de uitverkiezing in het bewuste schoolboekje gerept was, maar tegen het vermelden van dit leerstuk op zichzelf. Ofschoon hier vragen te stellen zouden zijn, zullen - we hier van afzien, omdat ons van de inhoud van het door Groen bedoelde boekje niets bekend is en ook niet weten voor welke leeftijden het bestemd was. Wij bepalen ons daarom liever bij wat Groen wel genoemd heeft, namelijk bij een boekje van de hand van de bekende Ds. H. de Cock. Dienaangaande schreef Groen in zijn brief aan Ds. van Velzen:

„Ik heb een ander spelboekje voor mij, kerkelijk goedgekeurd door H. de Cock, wien ik niet beoordeel, maar die, volgens u, de voornaamste pilaar onder de Afgescheidenen geacht werd. Zie, wat deze goedgekeurd heeft, mag wel gerekend worden met de zin en geest van vele Afgescheidene gemeenten overeenkomstig te zijn. Ik acht het goedgekeurde boekske desniettemin afkeurenswaard. Ik lees op blz. 5, het leerstuk der Drieeenheid; op blz. 9 „de Heere had over Adam en Eva gedachten des vredes"; op blz. 10 „Jezus kwam in de wereld om alleen zijn volk zalig te maken van hun zonden". Dergelijke dogmatische uitdrukkingen in een spelboekje zijn mij het bewijs, dat de vervaardiger, hij moge een vroom en welmenend man zijn, voor het brengen van kinderen tot de Heiland ten enenmale ongeschikt is". Zoals men ziet, kon Groen inzake het onderrichten van kinderen in de waarheid naar Gods Woord maar zeer weinig hebben. Hier zouden wij dan ook de vraag kunnen stellen wat er van Groens verklaring, hierboven woordelijk weergegeven, namelijk: „Ik ben niet tegen de vermelding, ook aan kinderen, van het leerstuk der verkiezing", overblijft als hun, zonder dat het woord uitverkiezing gebezigd wordt, wordt voorgehouden, dat de Heere Jezus in de wereld kwam om alleen zijn volk zalig te maken van hun zonde. Een andere vraao-, die gesteld kan worden is of de kinderen dan geleerd moet worden, dat de Heere Jezus voor alle mensen gekomen is in deze wereld, voor alle mensen ook geleden heeft en voor alle mensen gestorven is. Dan eohter zouden ze onderwezen worden in de leer der algemene voldoening, een leer, die door de belijdenis met alle beslistheid veroordeeld wordt. Wel toch is de dood des Heeren van oneindige kracht en waardigheid, overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld, maar de levendmakende en zalimiakende kracht er van, strekt zich alleen uit tot de uitverkorenen. De Heere Jezus heeft het Zelf zo duidelijk gezegd, dat Hij niet voor de wereld bad. Evenzo leed en stierf Hij ook niet voor de wereld. Zou dit - de kinderen niet mogen, ja moeten onderwezen worden? "

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1957

De Banier | 9 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1957

De Banier | 9 Pagina's

PDF Bekijken