Bekijk het origineel

Algemene Financiële Beschouwingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene Financiële Beschouwingen

14 minuten leestijd

Vervolg van de rede van Ir van Dis

II. Voordat wij het tweede gedeelte van de rede, welke Ir, van Dis namens de fractie der S.G.P. bij de Algemene Financiële Beschouwing in de Tweede Kamer uitsprak, laten volgen, zullen wij eerst even een fout moeten recht zetten. Het zal de lezers namelijk opgevallen zijn, dat in het eerste gedeelte der rede in de vierde kolom van de tweede pagina van het vorig nummer van „De Banier", regel 28 van onder af, een woord voorkomt, dat onjuist weergegeven is. Het is het woord: „voldoende". In de Handelingen staat echter: „onvoldoende", en dat moet het dan ook zijn. Hoewel de lezers zelf wellicht reeds ingezien hebben, dat hier van een drukfout sprake is, vonden wij het toch wel wenselijk om van deze gelegenheid gebruik te maken de fout te herstellen, te meer daar uit onze lezerskring de aandacht er op gevestigd werd. Wij kunnen niet toezeggen, dat dit voortaan steeds zal gedaan worden, daarom doen wij bij voorbaat een beroep op de clementie der lezers. Thans volgt het tweede gedeelte van de rede van Ir. van Dis, waarbij nader commentaar overbodig is, daar onzes inziens de inhoud voldoende duidelijk is. Mijnheer de Voorzitter! Wat voorts de verhoging van het tarief der

vermogensbelasting

met 20 pet. betreft, Mijnheer de Voorzitter, ook daartegen hebben wij ernstige bedenkingen. Het is toch zo gesteld, dat de regering zelf voortdurend aangedrongen heeft en nog steeds aandringt op besparingen. Zo bijvoorbeeld verklaart zij in de miljoenennota op blz. 8, dat het zowel met het oog op het herstel van het evenwicht op de betalingsbalans als de uitvoering van het huidige woningbouw programma noodzakelijk is, dat de

besparingen

toenemen, en voorts, dat het vraagstuk van de vergroting van de besparingen van primair belang is voor de volkshuishouding. Doch inmiddels komt de Minister van Financiën met voorstellen, waardoor het sparen door degenen, die dit zouden kunnen doen, juist bemoeilijkt en tegengewerkt wordt. De regering doodt alzo met haar maatregelen de

spaarzin

in plaats van deze aan te kweken en aan te moedigen. Mijnheer de Voorzitter! In het Voorlopig Verslag vs'ordt er door een aantal leden de aandacht op gevestigd, dat velen in plaats van te sparen hun geld uitgeven voor het aanschaffen van

dure voorwerpen

als radio- en televisietoestellen, bromfietsen, koelkasten en dergelijke meer. Onzes inziens is dit sterk in de hand gewerkt door het beleid der vorige ministeries, waaronder de gulden steeds meer van zijn waarde verloor. Hieraan, alsook aan het feit, dat de belastingdruk veel te hoog is, is het te wijten, dat er zulk een grote schaarste aan kapitaal is. Op dit verschijnsel wordt ook in de miljoenennota de aandacht gevestigd, wanneer de Minister daarin opmerkt, dat het tekort aan besparingen mede tot uiting is gekomen in de ernstige

verkrapping. welke op de kapitaalmarkt is opgetreden. Om hierin verbetering te brengen, zal het nodig zijn, dat de waardevermindering van de gulden, welke reeds zulk een beduidende afmeting heeft aangenomen, krachtig tegengegaan wordt. Indien dit niet piaatslieett en het vertrouwen in het regeringsbeleid

zo diep geschokt

blijft als dit tevoren was en bij velen ooic thans nog is, zal er van de maatregelen, welke men ter bevordering van het sparen voornemens is te treffen, bitter weinig terechtkomen. Ook de door de Minister aangekondigde maatregel tot verhoging der vermogensbelasting met 20 pet. is daartoe allesbehalve bevorderlijk. Zeer terecht werd ten aanzien van deze maatregel door prof. Smeets in zijn door mij reeds gememoreerde verhandeling over de rijksbegroting voor 1958 van een

paradox

gesproken, waar toch deze maatregel tot gevolg heeft, dat juist degenen, die wèl gespaard hebben, extra-opcenten op de vermogensbelasting moeten gaan betalen. Deze verhoging is vooral voor hen, die van een klein vermogen moeten leven, wel zeer bezwaarlijk. Zij is zelfs ook

onbillijk

te noemen, waar hierdoor een bepaalde categorie zwaarder belast wordt, terwijl de belastingdruk reeds zo zwaar is. Ook in ander opzicht is het regeringsbeleid niet vrij van

onbillijkheden.

We denken hiefbij aan de ongehuwde, alleenstaande personen, die reeds uitermate zwaar belast zijn, terwijl toch ook voor hen het leven zoveel duurder is geworden, maar van wie bovendien gevergd wordt, dat zij meebetalen aan regehngen, welke door de regering zijn aangekondigd en waarvan er één verleden week reeds is ingediend, namelijk de regeling inzake de Kinderbijslagwet. In het „Algemeen Handelsblad" van 1 november 1.1. werd met het oog hierop zelfs van een grove onbillijkheid gesproken. Onbillijk is het ook, dat

ambtenaren,

die jarenlang hebben moeten betalen voor hun pensioen, en evenals alle anderen voor de Algemene Ouderdomswet moeten opbrengen, zich 4/5 van de uitkering krachtens deze wet zien afgenomen, zodat zij bij pensionering slechts 1/5 ontvangen van wat de andere landgenoten krijgen. Onbillijk is het voorts, dat aan de

ene groep

van ambtenaren salarisverhoging wordt toegekend, terwijl deze voor andere groepen, namelijk de lagere en middelbare ambtenaren, wordt afgewezen. Hoezeer dit door de hierbij betrokkenen als een onrecht wordt aangemerkt, blijkt overduidelijk uit de door hen belegde vergaderingen en al evenzeer uit de namens hen en ook door hen ons toegezonden adressen en brieven. Onbillijk ook is het

in hoge mate,

om het hierbij te laten, dat zij, die geen uitkering van de Algemene Ouderdomswet willen hebben, toch voor deze wet belasting moeten betalen. Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn het met de minister eens, dat de inflatie moet worden bestreden, waaraan wij echter wensen toe te voegen: voor zover dit met menselijke middelen mogelijk is. Het heeft ons hierbij getroffen, dat de minister hieromtrent thans een

^^^^ «dl geluid]

laat horen dan verleden jaar, toen k' p verklaarde, het geen schande te vinden J om zich aan de rand van de inflatieaf grond te bevinden, als we er maar niei invallen. In de miljoenennota merkt Hp minister thans echter op, dat inflatoire fi. nanciering duidelijk in strijd is met j» eisen van de

algemeen-economische

situatie, zodat een voortzetting van hetgeen te dien aanzien in 1956 en 1957 is geschied, volgens hem dient te worden vermeden. Hiermede wordt alzo het hileid, dat in de laatste jaren gevoerd is door de minister zelf

afgekeurd en veroordeeld,

De geachte bewindsman had daarbij nog verder kunnen teruggaan dan 1956 en 1957, daar het beleid van de naoorlogse ministeries er sterk toe bijgedragen heeft dat wij zo ver op de weg van inflatie zijn voortgeschreden, met als gevolg, dat de spaarzin werd ondermijnd, voor zover het nog mogelijk was te sparen. Het Ieven werd toch steeds

duurder,

zodat er voor velen voor sparen niets of niet veel overbleef. In het bijzondei geldt dit wel voor de vergeten groepen en alle anderen, die van een klein inkomen moeten leven. Door hen werd en wordt de

waardevermindering

van de gulden wel het sterkst gevoeld, Bestrijding der inflatie — we herhalen het — achten wij dan ook noodzakelijk, wat echter niet wil zeggen, dat onrecht en onbillijkheden daarbij maar bestendigd moeten blijven. Integendeel, er zal alles in het werk behoren te worden gesteld om deze uit de weg te ruimen. Terugkerend tot het bestrijden der inflatie. Mijnheer de Voorzitter, zijn wij van oordeel, dat andere maatregelen niet achterwege kunnen blijven. Met name zullen de uitgaven van het Rijk

veel krachtiger

moeten worden beperkt en zal er bij het uitvoeren van werken de grootst mogelijke soberheid moeten worden betracht. De rijksuitgaven toch zijn in de loop der jaren tot een ontzaglijlce hoogte gestegen. Bedroegen zij voor de Gewone Dienst over 1952 zonder de afschrijvingen 4274 miljoen, , in 1955 waren ze gestegen tot 6141 miljoen, terwijl ze aan het eind van 1957 vermoedelijk tot circa

7200 miljoen

zullen opgeklommen zijn. In zes jaar tijd is dit alzo een stijging van de rijksuitgaven op de Gewone Dienst met een bedrag van circa 2900 miljoen of rond 3 miljard, of in procenten uitgedrukt: ruim 67 procent. Voor de gehele dienst blijkt in dit aantal jaren de stijging der uitgaven circa

2700 miljoen

te bedragen. Deze sterke toeneming is ongetwijfeld mede het gevolg van do sterk toegenomen bemoeiingen van de staat met het maatschappelijk en economisch leven. Om tot een besnoeiing van betekenis van de rijksuitgaven te komen, is het daarom dringend nodig, dat de staat zijn taak gaat inkrimpen in plaats van deze uit te breiden, gelijk dit in 1957 andermaal heeft plaats gehad door de maatregelen inzake het

blokkeren van de huren,

wardoor de staat zichzelf gelden van articulieren tegen zeer lage rente ter ieschikking stelde. it toenemen van de staatsbemoeiing in laatste jaren komt ook zeer duidelijk ot uiting in het toenemen van het aan- , 1 ambtenaren. Terwijl er toch op 1 jauari 1951 in totaal 95.543 burgerambtearen waren, wat dit aantal op 31 januri 1955 reeds tot 107.220

este'^en en wordt hrm aantal op de beloting voor 1956 en 1957 respectievejlc geraamd op 118.032 en 120.702, wat lzo neerkomt op een stijging sedert 1 januari 1951 met 26 procent. \'u heeft de minister in de miljoenennota medegedeeld, dat twee factoren op de lieffroting voor 1958 hun stempel hebben jedrukt, namelijk het financieren van de «ningwetbouw en het streven naar beperking van de rijksuitgaven. Wat de

woningbouw

betreft, achten vdj het een verbetering, dat de regering de gemeenten van de financiële last, voortvloeiende uit de woningbouw, ontheven heeft. En voorts bepleiten wij dienaangaande, dat de regering alles in het werk zal stellen, dat er een zo groot mogelijk aantal woningen u\ worden gebouwd, waarbij vooral de kurprijs van groot gewicht is. Wat de beperking der rijksuitgaven betreft, waarvoor door de minister een bedrag van 523 miljoen wordt genoemd, vragen wij ons af of hier niet een te

rooskleurige

(oorstelling wordt gegeven. Volgens prof. Witteveen in zijn beschouwing over de miljoenennota 1958 in „Economisch-Statistische Berichten" van 9 oktober 1957, llz. 809, is de door de minister aangegeven daling der uitgaven zelfs

meer schijn dan wezen.

Van het genoemde bedrag van 523 miljoen moeten namelijk, volgens prof. Witteveen, om te beginnen enkele bedragen afgetrokken worden, die monetair van geen betekenis zijn, zodat er aan bezuiniging slechts circa 170 miljoen overblijft. EB ook op dit bedrag is nog het

één en ander

aan te merken, daar er enerzijds 111 miljoen in begrepen zijn wegens vermindering van de uitkeringen van oorlogs- en wtersnoodschade, en het anderzijds nog M grote vraag is of de defensieuitgaven inderdaad zullen dalen met het bedrag, fa de minister volgens de miljoenennota verwacht.

Prof. Witteveen

™t dan ook tot de conclusie, dat het streven naar bezuiniging voor de nor- "lale uitgaven nog slechts tot resultaat «eff gehad, dat er een stabilisatie in *t uitgavenpeil is bereikt. De bezuini- 8'ngen, die aan de ene kant bereikt zijn, «'Orden namelijk weer teniet gedaan door stijgingen aan de andere kant. Welke bezuinigingen de minister echter leeft weten aan te brengen, ten aanzien 'M de hoge subsidies aan

sport en spel, toneel, dans en opera,

••ie onder meer tot de door ons zo gehemde „heilige huisjes" behoren en tezsmen tientallen miljoenen verslinden, is * rninister totaal in gebreke gebleven. Deze prijken nog onverminderd op de '^groting, gelijk ze reeds jarenlang op de fchtereen volgen de begrotingen prijkten 'Jit is al evenzeer het geval met de mill'enen, welke jaarlijks uitgetrokken wor- '1 ten behoeve van het

intemationalisnie.

van de internationale organisaties en conferenties, welke uitgaven gewoonlijk de ramingen verre overtreffen, en, gelijk uit de miljoenennota blijkt, voortdurend stijgen, zó zelfs, dat voor dit doel voor 1958 een bedrag op de begroting voorkomt, dat 50 müjoen hoger is dan voor 1957, een gevolg van het toetreden tot de Europese Economische Gemeenschap, waaraan voor Nederland in economisch opzicht zulke

grote gevaren

verbonden zijn. Gelet op het feit, Mijnheer de Voorzitter, dat de uitgaven van het rijk nog lang niet voldoende beperkt zijn, vragen wij ons dan ook af, daarbij in acht nemend, dat ons land circa 1 miljard meer uitgeeft dan het nationale inkomen bedraagt, of de door de minister genomen en aangekondigde maatregelen in staat zullen zijn om ons land door en over de moeilijkheden heen te helpen. Wanneer zelfs

partijgenoten

van de minister daarop niet gerust zijn, hoe moeten dan zij daar wel niet tegenover staan, die van oordeel zijn, dat de overheid zich veel te veel inlaat met het maatschappelijk en economisch leven, met het gevolg, dat de uitgaven een enorme vlucht hebben genomen en de belastingen tot een schier

ondraaglijke hoogte

zijn geklommen, terwijl steeds maar weer nieuwe lasten en belastingen worden opgelegd, gelijk ook thans weer in het voornemen ligt om de omzetbelasting op verscheidene artikelen, alsmede de vermogensbelasting te verhogen. Voor wat de door mij bedoelde partijgenoten van de minister betreft, wijs ik slechts op

Dr. van de Woestijne,

die in „Het Parool" van 25 september 1.1. tot de conclusie kwam, dat, als de voor ons liggende begroting gerealiseerd wordt, er toch nog een achterstand van een

half miljard

te financieren overblijft, wat er dus op neerkomt, dat dit eenzelfde achterstand is als waarop wij in 1956 vastgelopen zijn. Dr. Van de Woestijne merkt dienaangaande dan ook zeer terecht op, dat het geenszins zo gesteld is, dat, als deze begroting maar aangenomen wordt, de rest wel terecht komt. Andere stappen zullen volgens hem niet achterwege mogen blijven, doch ten deze laat de miljoenennota ons geheel in de mist. Ook wij achten stappen nodig. Mijnheer de Voorzitter, doch zoals reeds door mij werd aangegeven, wensen wij die niet te zoeken in een verder gaande verhoging der belastingen,

en zeker niet van de inkomstenbelasting,

zoals door vertegenwoordigers van de P.v.d.A. wordt bepleit, maar onder meer in het besnoeien van de talrijke subsidies, waarvan er enkele door mij reeds genoemd zijn, en voorts in het terugdringen van het

staatsdirigisme,

dat het particulier initiatief verdringt, de bevolking op hoge lasten brengt en de burgers in hun vrijheid beknot. In brede kringen van ons volk kan men over dit staatsdirigisme de

bitterste klachten

vernemen. Het is ook één van de voornaamste redenen, waarom velen uit protestants-christelijke kringen ten zeerste ontevreden zijn over de gang van zaken in hun partijen. Wij wijzen op de aanhangers van de stichting

Johannes Althusius,

waarin Anti-Revolutionairen en Christelijk-Historischen eensgezind samengaan in de strijd tegen het zo sterk doorgedrongen staatsdirigisme. Veelzeggend is in dit verband ook de brochure van

getiteld: Dr. Hommes

„ZuUen wij nog A.R. blijven"

Ook hierin valt een fel protest te beluisteren tegen de ver voortgeschreden staatsbemoeiing en de staatszorg, als uitingen van de socialistische welvaartsstaat, waarin alles verwacht wordt van de mens, van zijn rede en overleg, van zijn kennen en kunnen, waarin het

materialisme

hoogtij viert, maar waarin voor God en Zijn rechten en inzettingen geen plaats is. Er zal dan ook, om ons weer bij het financiële beleid te bepalen. Mijnheer de Voorzitter, een krachtige ombuiging van dit beleid moeten plaats hebben. Zo dit niet gebeurt, staan ons, vooral bij een ongunstige wending van de conjunctuur, zeer

ernstige gevolgen

op financieel, economisch en sociaal gebied te wachten. De door de minister aanbevolen middelen zijn, hoe grote waardering wij overigens voor zijn gaven en werkkracht hebben, beslist niet voldoende. Wij staan met dit oordeel niet alleen. Zo schreef „Elseviers Weekblad" d.d. 21 september j.l. onder meer, dat deze begroting

absoluut te weinig

verwezenlijkt en vooral in veel te traag tempo; voorts, dat de structurele versterking, welke zij tegen een nieuwe „aanval" op de gulden biedt, zowel in kracht als tempo ver onder het noodzakelijke blijft. Ook in het

„Tijdschrift voor Overheidsadministratie"

d.d. 26 september 1.1. werd een sterkere inkrimping der rijksuitgaven bepleit. Met een bezuinigingetje hier en het uitstel van een plan daar, zo werd door de hoofdredaktie van dit orgaan opgemerkt, zal men er in deze sector niet komen, om dan hierop te laten volgen:

, , Men zal de overheidsbemoeiing, die in ons land benauwende vormen heeft aangenomen, eens drastisch moeten gaan inperken. Het systeem van een staat, die alles doet met behulp van belastingopbrengsten, welke alleen in de na-oorlogse tijd verantwoord wa- .ren, blijkt zonneklaar te hebben gefaald". Hiermede wordt in korte bewoordingen weergegeven, Mijnheer de Voorzitter, wat onzerzijds

bij voortduring

in de loop hier in de Kamer naar voren is gebracht en ook bij de onlangs gehouden algemene politieke beschouwingen, evenals thans, weer is bepleit. Bij deze algemene beschouwingen. Mijnheer de Voorzitter, wensen wij het te laten, doch niet dan na er nog eens bij de regering op aangedrongen te hebben haar beleid daarheen te richten, dat het leven niet steeds duurder, maar goedkoper wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1957

De Banier | 8 Pagina's

Algemene Financiële Beschouwingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken