Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

CXXXIX.

Ds. de Liefde's dwaalgevoelen nader aangetoond. Beroep op Heidelbergse Catechismus.

De voorstanders van de leer ener algemene voldoening en verzoening hebben zioh vanzelfsprekend op onderscheidene teksten uit Gods Woord beroepen om hun leer aannemelijk te maken. Vooral de teksten, waarin de woorden „wereld" en „allen" voorkomen, werden en worden nog door hen aangegrepen om het te doen voorkomen, alsof zij geheel en al op de basis van Gods Woord staan, wanneer zij hun dwaalleer verkondigen. Behalve op Bijbelteksten beroepen zij zich ook op de Belijdenisschriften, met name op de Heidelbergse Catechismus en daarvan het antwoord op vraag 37, welke aldus luidt: „Wat verstaat gij door het woordeke: Geleden? " Hierop wordt geantwoord: „Dat Hij aan lichaam en ziel, de ganse tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, de toom Gods tegen de zonde des gansen mensehjken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met Zijn hjden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve".

Ziet ge wel, zo zeggen de voorstanders der algemene voldoening en verzoening, ook de Heidelbergse Catechismus leert, dat Christus de toom Gods tegen de zonde van het gehele menselijk geslacht gedragen heeft. En zo is het ook, aldus beweren zij verder, want als dit niet zo was, dan zou Christus' bloed niet kunnen getuigen tegen hen, die verloren gaan. Ook ds. de Liefde beriep zich op het antwoord behorend' bij de 37e vraag der Heidelbergse Catechismus. Hij deed dit in een geschrift, dat tot titel draagt: „Gedachten over het verband tussen de verkiezing en de algemeenheid der verzoening". Wij kunnen vanzelfsprekend' niet al te breed op dit geschrift ingaan, daar dit een hele verhandeling zou worden. Daarom zullen wij ons bij enkele hoofdzaken moeten bepalen. Ds. de Liefde schreef onder meer het volgende: ' „Over dit leerstuk (nl. der algemene verzoening) begint zich al meer en meer 'n geweldige strijd in ons vaderland en bepaaldelijk onder de reohtzinnigen te ontwikkelen. Het splitst hen in twee partijen, waai-van ik niet durf bepalen, welke de andere in getalsterkte overtreft. Zonder het te willen of zelfs van te voren te vermoeden, ben ik door mijn gesohrif tje over het verband tussen de verkiezing en de algemene verzoening enigszins aan het hoofd 'komen te staan van de zogenaamde ruimere richting en 'dat brengt mij niet alleen

niet in verlegenheid, maar ik verheug er mij van harte over. De waarheid, dat de Heere Jezus Christus niet slechts voor de uitverkorenen, maar voor alle mensen gestorven is, is mijn enig Evangelie. Ik ken geen ander; en zo er een ander was, zou ik hopeloos en radeloos worden, evenzeer als ik zonder troost en hoop zou zijn, indien de waarheid, dat God Zich degenen uitverkoren heeft, die zalig worden, bevonden werd een leugen te zijn. Indien ik er een roem in wilde stellen, echt gereformeerd te heten, dan zou ik juist hierin mijn sterkte zoeken. Want niemand is minder remonstrant en zuiverder gereformeerd, dan die de algemeenheid der verzoening tegehjk met de bijzonderheid der verkiezing leert. De Heidelbergse Catechismus toch spreekt in de 37ste vraag aldus: „Wat verstaat gij onder het woordje geleden? " Waarop hij antwoordt: „Dat Hij aan lichaam en ziel, de ganse tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, de toom Gods tegen de zonde van het ganse menselijk geslacht gedragen heeft". Sterker dan met deze woorden, zou ik niet weten, de algemeenheid der verzoening uit te drulcken. Dat is 'de leer der Gere-

formeerde Kerk en wie anders leert, is niet gereformeerd". Tot zover ds. de Liefde. De gereformeerden kunnen het er mee doen. Volgens ds. de Liefde waren dan ook de oude gereformeerde theologen niet gereformeerd! Hij stelde het voor, alsof de kerk der reformatie wel de algemene verzoening voorstond en dus werkelijk gereformeerd was, terwijl de gereformeerde vaderen dit volgens hem rdet waren. Dat De Liefde inderdaad' deze consequentie trok, blijlct uit Ket volgende, waarin hij schrijft: „voor de onbepaalde vereerders der oude schrijvers en

kerkleraars is deze leer der algemene verzoening, verenigd met de verkiezing, een steen des aanstoots en ^en rots der ergemis. Want het is deztil'ken eigen, de roem te bejagen, van de weg Gods tot zaliging van zondaren als een goed afgerond stelsel te kunnen begrijpen en uitleggen. In 'zulk een stelsel past ook de leer, dat Christus alleen voor dg uitverkorenen gestorven is, volkomen. Want zo iets kan het menselijk verstand duidelijk begrijpen, maar een algemene verzoening en toch een verkiezing aan te nemen — daar is geloof toe nodig. Zulk een geloof is echter de mens een dwaasheid en ergernis, omdat hij dan tevens erkennen moet, dat hij bij God een onvernuftig beest is, en dat zijn vaderen, met al hun scherpzinnigheid en stelselroem, insgelijks als onvemuftige beesten geredeneerd hebben. En dit laatste is hem nog wel het ergste, want tast men zijn vaderen aan, dan tast men zijn godzalige adeldom aan, en wie is er niet trots op zijn adel? De gereformeerde vaderen hebben ontegenzeggelijk geleerd, dat Christus alleen voor de uitverkorenen gestorven is; de Gereformeerde Kerk echter heeft dat niet geleerd. Er moet nu bewezen worden, dat het ganse men­ selijk geslacht de uitvei'korenen zijn, ea — dan zijn de vaderen gered". Vervolgens beroept Ds. de Liefde zich op Gods Woord. „Dat Woord zegt mij — aldus De Liefde — dat God in Christus was de wereld met Zichzelf verzoenende. Dat is voor mij, die een deel der wereld uitmaak, zulk een blijde boodschap, zulk een kostelijke schat, dat ik hem tot geen prijs loslaat. Die wereld laat ik mij door niemand, vwe hij ook zij, verkleinen, zelfs niet om één persoon, want die ene persoon mocht juist ik eens zijn en dan stond ik hopeloos buiten de verzoening. ... Ja, zo het mogelijk ware, dat er een engel kwam om het woord wereld uit die tekst weg te nemen, of er bij te voegen: de wereld min één, ik zou hem te lijf gaan en mij met hem doodvechten. Ik voel een behoefte om de ganse wereld lief te hebben, opdat zij behouden worde. Ik gevoel, dat deze behoefte uit God is. Ik gevoel, dat het uit de duivel zijn zou, indien ik wenste, dat één > mens in de wereld niet behouden werd. Maar indien ik hartelijk wensen moe^, dat allen behouden worden, dan wenst God het nog veel meer. Want mijn liefde kan onmogelijk groter zijn dan die van God. „Alzo lief heeft God de wereld gehad". Weigelukzalig is de man, die dit verstaat en ook alzo de wereld hefheeft".

Tot 'hiertoe weer Ds. de Liefde, die we maar eens uitvoerig aan het woord gelaten hebben, opdat de lezer zijn gevoelens te dezer zake zelf beoordelen kan. Ieder zal nu wel moeten erkennen, dat we volkomen naar waarheid schreven, dat Ds. de Liefde tot de voorstanders van de leer der algemene verzoening behoorde. Het is te begrijpen, dat hij deswege krachtige bestrijding vond'. Het waren vooral Ds. Postma en Ds. van Velzen, die in hun blad „De Bazuin" tegen zijn leergevoelen, alsook tegen zijn kleineren van de vaderen opkwamen. Hierover echter iets meer dn het vervolg, waanbij dan ook zal blijken, dat deze predikant, die 'zioh voor zijn dwaalleer zo gaarne op de Heidelbergse Catechismus beriep, anderzijds maar weinig sympathie voor dit kostelijk geschrift aan de dag legde. {wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken