Bekijk het origineel

Begroting van Sociale Zaken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Sociale Zaken

17 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

i. Hoewel de kwestie der prijzen allereerst bij de begroting van Economische Zaken thuis behoort, valt er toch niet aan te ontkomen, dat er ook bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken de nodige aandacht aan geschonken wordt. Het vraagstuk der lonen en dat der prijzen toch staan met elkaar in zeer nauw verband. Stijgen de lonen dan is er veelal niet aan te ontkomen, dat ook de prijzen omhoog gaan. Om die prijsverhoging ongedaan te maken zou men de lonen weer moeten gaan verhogen, maar het is voor ieder duidelijk, dat men daarmede geen stap verder komt, want men komt als men die kant opgaat, aan geen eind. Wanneer dit echter van staatkundig gereformeerde zijde in de Kamer gezegd wordt, dan doet men het zelfs van achter de ministerstafel voorkomen alsof men het zo even genoemde verschijnsel door toepassing van het prijsstabilisatiebeleid volkomen onder de knie heeft. Zo deed althans de minister van Sociale Zaken, de heer Suurhoff, het verleden jaar voorkomen toen 'hij, hetgeen van staatkundig gereformeerde zijde over de lonen en prijzen was opgemerkt, als simpel voorstelde. OpmerkeUjk is het echter, dat, wat deze minister een jaar geleden als simpel kwalificeerde, thans door hem zeK in de van hem uitgaande stukken, is neergeschreven. In de rede, welke Ir. van Dis namens de S.G.P.-fractie bij de behan­

deling der bovengenoemde begroting hield, wordt dit duidelijk aangetoond. Daar ook de andere te berde gebrachte onderwerpen voldoende duidelijk zijn, kunnen wij het bij deze korte toelichting laten. We geven thans het eerste gedeelte der rede, om dan D.V. de volgende week het tweede gedeelte en de repliekrede te geven. Ir. van Dis sprak als volgt: Mijnheer de Voorzitter! In de Memorie van Antwoord, behorend bij deze begroting, komen enkele passages voor, welke verscheidene door ons in het verleden gedane uitspraken volkomen bevestigen. Eén van deze uitspraken was, dat wij van oordeel waren, dat er van de zijde der regering maar al te veel gebouwd werd op vertrouwen en op hopen, terwijl er voor dat vertrouwen en die hoop geen enkele

deugdelijke grond

aanwezig was. Hoe heeft de regering in het verleden — om slechts een enkel voorbeeld te noemen — niet haar vertrouwen uitgesproken ten aanzien van de gunstige resultaten, welke zij hoopte te verkrijgen, door de soevereiniteit van Nederland over Indië aan Indonesië over te dragen! Hoe hoog gespannen waren voorts haar verwachtingen met betrekking tot de Unie met Indonesië, waarvan zij de hoop koesterde, dat deze de eeuwen zou verduren. 1 Hoe zijn eohter al die als hoopvol aangemerkte verwadhtingen als zeepbellen na een luttel aantal jaren mt elkaar gespat! De hoop bleek een ijdele hoop te zijn en het vertrouwen v/as naar de woorden uit Job gelijk het

huis van een spiimekop.

Zo is het ook gegaan, Mijnheer de Voorzitter, met de goede hoop, welke de minister van Sociale Zaken 'n paar maanden geleden had ten aanzien van de prijzen van bepaalde levensmiddelen. lp de Memorie van Toelichting toch deelde de minister toen mede, dat het prijsindexcijfer van het levensonderhoud gedurende de eerste vier maanden van 1957 — afgedacht van de verhoging ten gevolge van de bijdrage inzake de Algemene Ouderdomswet — gehjk was aan dat van december 1956. Per 15 juni van dit jaar trad echter plotseling een stijging met 4 punten op, die volgens de minister voornamelijk het gevolg was van de

sterk opgelopen prijzen

van aardappelen en fruit. Het betrof hier dus, zo verklaarde de minister, slechts seizoenstijgingen, die met de bestedingsbeperking niets te maken hebben. De minister liet op deze verklaring dan ook in de Memorie van Toelichting direct volgen: „Gehoopt mag worden, dat deze stijging tegen het einde van het jaar weer zal zijn verdwenen". Mijnheer de Voorzitter! Wij bevinden ons thans dicht bij de laatste maand van het jaar, maar de door de minister uitgesproken hoop is niet in vervulling gegaan. In de Memorie van Antwoord deelt de minister dienaangaande mede, dat de prijzen van aardappelen en fruit op een voor de tijd van het jaar

ongewoon hoog niveau

zijn blijven liggen. En wat de prijzen van andere voor het levensonderhoud noodzakelijke artikelen betreft, ook ten aanzien hiervan verklaart de minister, dat deze gestegen zijn. Zo zelfs, dat hij ten volle de bezorgdheid deelt, welke met betrekking tot deze aangelegenheid in het Voorlopig Verslag wordt uitgesproken. In verband hiermede. Mijnheer de Voorzitter, wil ik thans wijzen op een tweede onzerzijds niet zo lang geleden in de Kamer gedane uitspraak, welke in de Memorie van Antwoord bij deze begroting bevestiging vindt, namelijk deze uitspraak, dat het de mensen met

kleine inkomens

edjn, op wier ruggen de bestedingsbeperkende maatregelen het hardst zouden neerkomen. In de Memorie van Antwoord toch komt de minister tot de erkenning, dat momenteel in het bijzonder door de groepen met lage inkomens inderdaad een groter offer wordt gebracht dan in het bestedingsbeperkingsprogramma was voorzien. Tengevolge der bestedingsbeperkende maatregelen zijn namelijk de kosten van het levensonder^ houd dermate gestegen, dat het stijgingspercentage, hetwelk de regering blijkens de Nota inzake beperking der bestedingen tegen het einde van 1957 op 6, 8 pot. had gesteld, reeds

belangrijk overschreden

is. Bleef de stand van het indexcijfer tot aprü van dit jaar 5 maanden op 110 (als men dit cijfer in 1951 op 100 stelt), over september 1957 steeg het reeds tot 119. Bij de stijging der prijzen van levensbehoeften kwam dan nog de bijdrage voor de Algemene Ouderdomswet en de huurverhoging, waarvoor velen wel een compensatie ontvingen, doch vele anderen niet. Toch bevinden zioh onder de laatstgenoemden ook velen, die van een klein inkomen moeten leven. Wij denken hierbij aan de laag gepensioneerden, de kleine renteniers, de kleine zelfstandigen, de weduwen en zovele anderen, die over een smalle beurs beschikken en die ook

geen compensatie

gehad hebben. Zij allen worden door het steeds duurder wordende leven wel het allerzwaarst getroffen. Voor hen zijn de noodzakehjke levensmiddelen duurder geworden, zij moeten een hogere huishuur opbrengen en als zij niet van het betalen voor de Algemene Ouderdomswet uitgesloten zijn, moeten zij ook hiervoor nog opbrengen. Behalve het stijgen der prijzen van de noodzakelijke levensmiddelen en van de huren zijn ook — ondanks het prijsstabilisatiebeleid — onderscheidene

tarieven van overheidsbedrijven

omhoog gegaan. Zo zijn de spoor- en posttarieven dit jaar gestegen, de laatste zelfs tweemaal kort na elkaar, de tarieven van plaatselijke vervoermiddelen, van gas en elektriciteit zijn al evenzeer verhoogd. Deze tariefstijgingen worden door de middenstands- en andere bedrijven danig gevoeld, maar ook door hen, die van lage inkomens moeten leven. Nu heeft de minister ten aanzien van de hiergenoemden nog maatregelen in uitzicht gesteld, namelijk verhoging van de kinderbijslag. Volgens de Memorie van Antwoord moest hierover echter eerst nog het oordeel van het bedrijfsleven gehoord worden, wat volgens publikaties in de pers inmiddels heeft plaatsgehad, met het resultaat, dat de werkgevers er in toegestemd hebben om een tijdelijke toeslag van 10 cent per kind te geven tot een bepaalde dagloongrens. Dit geldt dus alleen, zoals in de Memorie van Antwoord staat, voor hen, die in loondienst zijn. Alle anderen, die niet in loondienst zijn, krijgen deze bijslag dus niet. De

vergeten groepen,

onder wie er toch ook velen met niet verdienende kinderen zijn, grijpen er dus ook hierbij weer naast. Dit is wel zeer onbillijk. Wij misgunnen het de lager bezoldigden, die in loondienst werken en niet verdienende kinderen hebben te onderhouden, niet, dat voor hen door de werkgevers de kinderbijslag wat wordt verhoogd, maar de billijkheid eist dan toch, dat ook eens aan de vergeten groepen wordt gedacht. Twee jaar geleden heeft de minister met het oog op de vergeten groepen verklaard, dat de S.E.R. dit probleem in studie had, doch tot op heden bleek van het resultaat van deze studie nog niets en bleven maatregelen ten behoeve dezer groepen achterwege. Een volgend onderwerp, Mijnheer de Voorzitter, dat hier meermalen door ons, zij het in het kort, ter sprake is gebracht, betreft de invloed van

verhoging der Ionen

op de prijzen. Ook ten aanzien hiervan kan geconstateerd worden, dat een door ons gedane uitspraak in de schriftelijke stukken bij dit hoofdstuk der rijksbegroting bevestigd wordt. Wij hebben hierbij op het oog de uitspraak, dat, indien loonsverhoging tot prijsverhoging leidt, men de loonsverhoging beter achterwege kan laten, omdat de loontrekkers er dan niets wijzer van worden, maar er wellicht op achteruit- in plaats van op vooruitgaan. Ook hebben wi| er toen op ge­

wezen, dat dit door vele arbeiders zelf wordt ingezien. Toen één en ander echter door ons hier gezegd werd, werd dit door de minister gedoodverfd als een simpele voorstelling van zaken, weUce hem deed denken aan de titel van een boek, namelijk „Impressies van een simpele ziel".

Het kan echter verkeren.

Mijnheer de Voorzitter. Nauwehjks toch is een jaar verstreken sedert de minister deze aardigheid debiteerde, of hij erkent niet slechts de juistheid van die zogenaamde simpele opmerkirg, maar hij neemt haar zelfs over, evenals dit ook gedaan werd door zijn partijgenoot de heer Burger! De harde werkeHjkheid, door de minister van Sociale Zaken in zijn Memorie van ToeHchting als een ernstige situatie aangeduid, heeft de minister daartoe gebracht. Ontdaan van alle gecompliceerdheid en quasi wetenschappelijkheid verklaart toch de minister op biz. 10 van de Memorie van Toelichting in alle eenvoud: „Ter zake van de loonontwikkeling zal het duidelijk zijn, dat een stabiel loonniveau, ondanks de opgetreden prijsstijgingen, in de huidige situatie een eerste vereiste is om niet in een loon- en prijsspiraal terecht te komen". De minister heeft zich hier alzo in gelijke zin uitgesproken als onzerzijds verleden jaar werd gedaan, toen door mij werd betoogd, dat wij iedere arbeider gaarne een behoorlijk loon toewensen, mits de financieel-economische omstandigheden dit toelaten en loonsverhoging niet tot gevolg heeft, dat de prijzen daardoor omhooggaan. En voor wat

de heer Burger

^Jietreft, Mijnheer de Voorzitter, zij verwezen naar een verslag van de op 16 november 1.1. te Utrecht gehouden fakkeldragersdag van de Partij van de Arbeid, alwaar de heer Burger inzake de lonen en prijzen volgens de „Nieuwe Haagsche Courant" van 16 november opmerkte: , , In de huidige situatie ziet het er naar uit, dat een loonronde geen nuttig effect zal hebben voor de werknemer. Beter is gelijkblijvend loon met geleidelijk aan meer koopmogelijkheid dan hoger loon met in het beste geval gelijkblijvende koopmogelijkheid". Zowel de minister als de heer Burger verkondigen thans dus hetzelfde wat verleden jaar onzerzijds werd opgemerkt. Overgaande tot een ander onderwerp. Mijnheer de Voorzitter, wensen wij thans enkele opmerkingen te maken over de

werkgelegenheid.

Dienaangaande blijkt uit de gewisselde stukken, dat onderscheidene factoren er toe hebben meegewerkt, dat hierin vermindering is opgetreden, al is het aantal werklozen nog niet bepaald verontrustend te noemen. Desniettemin is het voor hen, die ontslagen werden, verre van aangenaam. De maatregelen inzake beperking der bestedingen en de kapitaalschaarste zijn hier voor een belangrijk deel oorzaak van. Met name in de wegenbouw wordt er sterk geklaagd over de verminderde werkgelegenheid als gevolg van het verminderen van het aantal overheidsopdrachten, evenals in de spoor- en waterbouwsectoren. Ook in de metaal- en metaalwarenindustrie neemt de werkloosheid echter toe. Nog maar kort geleden werd in de pers (12 november j.l.) vermeld, dat de

Koninklijke Demka Staalfabrielcen

te Utrecht vergunning hadden gevraagd bij de Arbeidsinspectie in haar afdeling walserij een werktijdverkorting van 24 uur per week toe te passen, wat voor 300 van de 2000 arbeiders betekent, dat zij gedeeltelijk op wachtgeld worden gesteld. Bovendien zal de directie van dezs fabriek vergimning moeten vragen om een aantal arbeiders te ontslaan. Ook bij Werkspoor worden moeilijkheden ondervonden ten gevolge van de bestedingsbeperkende maatregelen, waardoor orders voor de spoorwegen uitblijven. Bij de Utrechtse Elektro-Metaalindustrie werden 50 arbeiders ontslagen, bij de Metaalwarenfabriek Nefa te

Leiderdorp

kortgeleden zelf 100, waarvan er slechts 15 bij de Verenigde Touwfabrieken t» Leiderdorp een nieuwe werkkring konden vinden. In de landbouw zijn er ook tekenen, welke wijzen op een te verwachten toeneming van de werkloosheid, vooral in de ontwikkelingsgebieden. Wij vragen ons dan ook af, of het niet noodzakelijk is, dat er bij de uitvoering van bestedingsbeperkende maatregelen meer rekening wordt gehouden met de gevolgen er van voor de werkgelegenheid. Dit geldt voor alle delen van on* land, ook voor de

noordelijke provinciën,

die zich in menig opzicht bij de andere gebieden achtergesteld gevoelen. De minister heeft in de Memorie van Antwoord over de toestand in de noordelijke provinciën enkele opmerkingen gemaakt, waaruit blijkt, dat de werkgelegenheidssituatie aldaar zijn bijzonders aandacht heeft. Dit is inderdaad dringend nodig. Er is daar inzake het scheppen van werkgelegenheid nog lang niet verricht wat er gedaan had kunnen worden. Er werden toch in de jaren 1950— 1956 slechts 7500 arbeiders ingeschakeld, terwijl dit er 35000 hadden moeten zijn. Er \vordt in deze provinciën door de autoriteiten dan ook geklaagd over een

stilstand

in de op gang gekomen ontwikkeling van van het economisch leven, zo zelfs, dat vergeleken bij het overige deel van Nederland van een relatieve achteruitgang kan gesproken worden. Men heeft in het noorden zodoende met uitermate grote moeilijkheden te kampen en wanneer de regering in gebreke blijft hier de nodige maatregelen te treffen, dreigt de ontwikkeling zelfs catastrofaal te worden. Velen verlaten deze provincies om elders te gaan werken; voor de periode van 1950—1956 bedroeg hun aantal reeds 61000, terwijl het Centraal Planbureau berekend had, dat het aantal vertrekkenn den in de periode van 1950—1970 slechts 26000 zou bedragen! Hieruit blijkt alweer overduidelijk, dat op het maken van berekeningen op dit terrein

niet de minste staat

valt te maken. Dit wegtrekken der bevolking brengt voor deze provincies ook financieel grote nadelen mede. De uitkeringen uit het Gemeentefonds aan de onderscheidene gemeenten worden er met vele miljoenen door verminderd, terwijl de middenstand wegens vertrek der bevolking in de jaren 1950—1956 een omzetverlies had van ca. 40 miljoen per jaar. Daarbij komt, dat het noorden wel moet zorgen voor de opleiding der jeugd, maar dat deze naar elders buiten de noordelijke provincies vertrekt, zodra dit mogelijk is, zodat de economische voordelen andere gebieden van het land ten goede komen. Desniettemin is de werkloosheid in de noordehjke provia- eies niet gering. Afgezien nog van de zogenaamde verborgen werkloosheid in de landbouw, die ook aanzienlijk is, waren er in 1956, dus in een jaar van hoogconjunctuur, in het Tioorden

15500 werkloze mannen,

dat is ca. 5 pet. van de mannelijke beroepsbevolking. Zowel uit het wegtrekken der bevolking als uit de grote werkloosheid, welke zich voornamelijk onder de oudere, moeilijk te verplaatsen werklozen voordoet, blijkt, dat de landbouw en het veenbedrijf niet meer voldoende werkgelegenheid bieden, terwijl er niet voldoende nieuwe bronnen van bestaan bijgekomen zijn. Wij bevelen het probleem der werkgelegenheid in de noordelijke provincies dan ook ten zeerste in de aandacht van de minister aan, en niet alleen van hem, doch ook mede in die van zijn ambtgenoten, opdat datgene, wat nodig is, verricht zal worden om voor de

sociaal-economische vraagstukken,

waarmede men in deze provincies te worstelen heeft, een redeUjke oplossing te vinden en deze onder beding van Gods zegen en in diepe afhankelijkheid van Hem tot stand te brengen. De minister heeft in de Memorie van Antwoord in verband met de situatie in het noorden nog opgemerkt, dat aan hem, noch aan zijn ambtgenoot van Economische Zaken gevallen bekend zijn, waarin arbeiders werden ontslagen. Toch is dit wel het geval geweest, namelijk te Emmen in een metaalwarenfabrieic, waar ten gevolge van de bestedingsbeperking onlangs 45 man moesten ontslagen worden, zoals dat ons werd medegedeeld, toen kortgeleden door ons werd deelgenomen aan een bezoek aan de noordelijke provincies. Mijnheer de Voorzitter! Wij gaan thans over tot het bespreken van onderwerpen van geheel andere aard, namelijk die, welke betreking hebben op wat men in de stukken noemt: de sociale zekerheid. Dienaangaande wordt de minister in het Voorlopig Verslag als het ware omhangen met

lauwerkransen

vanwege de door hem in de Memorie van Toelichting gedane toezeggingen met betrekking tot spoedig te verwachten wetsontwerpen inzake regelingen voor een algemeen toe te kennen kinderbijslag, voor weduwen en wezen en voor een nieuwe Invaliditeitswet. Het eerstgenoemde wetsontwerp, namelijk dat inzake de algemene kinderbijslag, is inmiddels reeds bij de Kamer ingediend; aan de beide andere wordt volgens de Memorie van Antwoord met grote voortvarendheid gewerkt. Het spreekt vanzelf, Mijnheer de Voorzitter, dat wij op het zoeven genoemde wetsontwerp thans niet ingaan. Wanneer het in openbare behandeling komt, zal ons standpimt daartegenover genoegzaam blijken. Wij beperken ons thans slechts tot een algemene opmerking over de

sociale dwangverzekeringswetgeving,

die wij op principiële, staatsrechtelijke, economische en financiële redenen blijven veroordelen. Deze afwijzing van de specifieke verzekeringswetten houdt echter allerminst in, dat wij de behoeftigen en de arbeiders in geval van invaliditeit, ziekte, ouderdom, en wat dies meer zij, aan hun lot zouden willen overlaten. Een dergelijke voorstelling van zaken is in het verleden wel menigmaal gegeven en zij wordt af en toe nog wel gegeven, maar deze voorstelling is totaal vals en in strijd met wat door ons in de Kamer is voorgestaan en bepleit.

In de crisistijd van de dertiger jaren bijvoorbeeld, hebben wij er bij de regering voortdurend op aangedrongen om de werkloze arbeiders geen schriele, maar een behoorhjke steun te verlenen. Ook aan de noodwet ouderdomsvoorziening o hebben wij destijds, gezien de

hooggeklommen nood,

onze steun niet onthouden. Wij staan dus niet op het standpunt, dat de overheid in deze in het geheel geen taak zou hebben, gelijk er zijn, die dit beweren. Dit standpunt kunnen wij echter, gezien de historie, niet delen. De gereformeerden toch hebben van ouds voorgestaan, dat behalve de kerk en de particulieren ook de overheid te deze wel degelijk een taak te vervullen heeft, daar zij heeft te zorgen, dat alles met goede ordonnantie onder de mensen toegaat. Ten tijde van de Repubhek der Verenigde Nederlanden bestond er dan ook in verscheidene plaatsen, onder meer te Delft, een innige samenwerking tussen de diaconie en de organen der overheid. Daarbij werd echter niet het verzekeringssysteem toegepast, doch er werd hulp geboden daar, waar dit nodig was, dus naar behoefte. Dit staan ook wij voor. Het grote voordeel van dit door ons voorgestane stelsel is onder meer, dat daardoor veel

administratieve rompslomp

zou vervallen. Een tweede voordeel is, dat het

verantwoordelijkheidsbesef

niet wordt afgestompt, zoals dit bij het verzekeringsstelsel het geval geweest is en nog is. De regering klaagt in haar stukken over het feit, dat er zoveel geld aan consumptieve uitgaven besteed wordt en zo weinig geld wordt gespaard. Ook door de minister van Sociale Zaken is dit in de Memorie van Toelichting op zijn begroting gedaan, als hij daarin zelfis zijn bezorgdheid uitspreekt over het feit, dat het besparingsoverschot der aan spaarbanken toevertrouwde gelden van 283 miljoen gedurende de eerste vijf maanden van 1956 terugliep tot slechts 92 miljoen in de overeenkomstige periode van 1957. Wij zijn van oordeel. Mijnheer de Voorzitter, dat het gevoerde regeringsbeleid, staande in het teken van de staatszorg

mede één van de oorzaken is, dat de spaarzin, welke vroeger één der karakteristieke kenmerken van ons volk was, zo zeer teloor is gegaan. Wij zeiden „mede één van de oorzaken", want er zijn nog andere oorzaken, welke de spaarzin belemmeren en zelfs uitdoven. Wij noemen slechts de

„van de wieg tot het graf",

inflatie,

waardoor de koopkracht van het geld sterk verminderde, voorts de hoge lasten en belastingen, waaronder het volk gebukt gaat. In het begin van dit jaar is er wel een

heel zware, ineuwe last

bijgekomen, namelijk die, welke de Algemene Ouderdomswet op ons volk legt. Wie anders in staat was om bijvoorbeeld ƒ 400 per jaar te sparen, wordt dit door deze wet in vele gevallen onmogehjk gemaakt. Wie weet ook hoevelen geld van de spaarbank hebben moeten halen om aan de geldelijke verplichtingen ingevolge deze wet te voldoen? Wij kunnen op de onrechtvaardigheden, welke aan deze wet verbonden zijn, niet alle ingaan. Bij de behandeling der wet hebben wij ze meer in den brede genoemd. Slechts op een paar punten willen wij de aandacht vestigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1958

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Sociale Zaken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken