Bekijk het origineel

De heiliging Gods

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De heiliging Gods

8 minuten leestijd

En Ik zal in u geheiligd wenden voor de ogen der heidenen. Ezechiël 20 : 41b

De gemeente des Heeren zingt wel eens in haar openbare samenkomsten: „Gij rijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer'". David, de Heflijke in psalmen, erkent in Psalm 119 de vlekkeloze deugden Gods, in het bijzonder Gods rechtvaardigheid. Die erkenning is vrucht van de bearbeiding des Heiligen Geestes en van wederbarende genade, waardoor alleen God gekend wordt als een rechtvaardig en volmaakt Wezen. Van nature wordt God zo niet gekend; dan is de mens blind en heeft verkeerde denkbeelden van God. Maar genade leert buigen in het besef van Gods grootheid en majesteit, eigen nietigheid en zonde, waardocr ^et hnrf vernederd wor-'^t. l~)riarin wordt de Heere verheerlijkt, want bet is Zijn eigen werk.

Het is de bediening des Heiligen Geestes in Zijn volk, waardoor zij een recht inziclit krijgen in de deugden Gods. En tegenover 4ie heilige en rechtvaardige God zien zij zichzelf als diep gevallen, ellendige zondaars, die niets hebben om voor God te kunnen "bestaan. Daar valt men voor God in de schuld en schrijft Hem recht en geredhtigheid toe; daar erkent men dat hel recht is als men zou moeten verloren gaan. Al onze gerechtigheid wordt dan als een wegwerpelijk kleed, het oordeel Gods rust op alles wat van de mens is. „Uw loon. Uw straf beantwoordt aan Uw eer".

Loon, niet naar verdienste, maar naar genade, belooft en geeft God aan degenen, die in kinderlijke vreze voor Gods aangezicht leven. Maar ook zal diezelfde God de zonde straffen, want Hij moet ze straffen vanwege Zijn rechtvaardigheid en 'heiligheid. Hij heeft de zonde Zijner uitverkorenen ook gestraft in de Zoon Zijner liefde. Die als Borg en Middelaar de zonde Zijns volks vrijwillig op Zich nam, daarvoor met bitter lijden en sterven verzoening deed en Gods recht voldoening gaf. Genade is dan ook alleen om Christus' wil en sluit alles van de mens uit. Dat doet het volk des Heeren het recht Gods erkennen en billijken en bij doorgaande bediening des Heiligen Geestes liefhebben, zelfs boven hun eigen zaligheid. Ko zorgt de Heere Zelf voor de eer Zijns Naams in de harten Zijner gunstgenoten, Hiaar ook door het straffen en bezoeken van de zonde in degenen, die buiten Christus zijn en weigeren te bukken voor de Heere en die daarenboven de zonden vasthouden. Dat is ook duidelijk te zien tl de historie van Israels volk. De Heere is een heilig God, heilig in Wezen, zodat zweren bij Zijn heiligheid is een zweren bij Zichzelf. Het is een onkreukbare heihgheid, zodat de heilige engelen, het aangezicht bedekkend, uitroepen: „Heilig, heilig, 'heilig is de Heere der heirscharen; de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol". En ook de vier dieren uit de Openbaring van Johannes hebben geen rust, dag en nacht, zeggende; „Heilig, heilig, heilig is de Heere".

Ook in de harten van Zijn volk openbaart de Heere Zijn heiligheid. Als Abraham het Wezen Gods met aanbidding beschouwt, vernedert hij zich in stof en as, evenals Job wanneer de Heere Zich aan hem openbaart. De Heere is van eeuwigheid tot eeuwigheid Dezelfde in heiligheid. Bij Hem is geen verandering, !'c? ^ begin en geen einde. Hij blijft Zichzelf volkomen gelijk. Al Zijn daden zijn daarmede in overeenstemming, zoals de verkiezing en verwerping, het vergeven van de zonde om Christus' wil en het laten liggen van de verworpenen in de staat der ellende, waarin de mens zich moeden vrijwillig gebracht heeft door Zijn bondsbreuk in Adam. Al Zijn soevereine handelingen zijn openbaring van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid. De zonde moet God straffen omdat Hij te rein van ogen is om het kwade te kunnen aanschouwen, en eer Hij de zonden Zijner uitverkorenen ongestraft liet, heeft Hij ze in de Zoon Zijner liefde gestraft en voldoening geëist aan Zijn gesehonden recht.

Er is echter verschil in heilig zijn en geheiligd worden. In bovenstaande woorden is sprake van geheiligd worden. Dat wil niet zeggen, dat God meerdere heiligheid ontvangen kan, want Hij is de Volmaakte, de Algenoegzame in heiligheid. Wie zou heiligheid toebrengen aan God, Die Zelf de Bron van alle heiligheid is? Wanneer van Gods volk gezegd wordt, dat zij geheiligd worden, dan wijst dat op de heiligmaking, dat is een instorting van heiligheid, waarin ook trappen zijn en waarin toename nodig is. Maar als van God gezegd wordt, dat Hij zal geheiligd worden, dan wü dat zeggen, dat Hij verheerlijkt zal worden en dat Zijn heiligheid erkend zal worden. Zo heeft de Heere Zich geheiligd in de zonen van Aaron, door hen te doden als zij vreemd vuur brachten op het altaar. Ook wilde de Heere Zich heiligen in Mozes, toen hij sloeg op de rots in plaats van te spreken, zeggende: „Omdat gij- Ueden Mij niet geheiligd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen Israels, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk ik haar gegeven heb". Zo ook ten tijde van de profeet Ezechiël, die met de gevankelijk weggevoerden in Babel was. Vanwege afgoderij en gruwe- Hjke afval van Israels God waren zij naar Babel gezonden. Zwaar had het oordeel Gods dat volk getroffen. Alles scheen verloren. Israels volk was weggevoerd, Jeruzalem een puinhoop, de tempel verwoest. Satan en wereld waren, zo het scheen, overwinnaar in de oorlog tegen God; een oorlog, gevoerd vanaf het Paradijs, alle eeuwen door, in de wereld, in de kerk, in Zijn volk. Maar al lijkt satan overwinnaar, God zal zorgen voor de eer Zijns Naams. Hij zal in Israël geheiligd, dat is, verheerlijkt worden voor de ogen der heidenen. Temidden van al de oordelen zal God nog een overblijfsel laten naar de verkiezing der genade, waarin Hij Zich zal verheerlijken. Naar Zijn soeverein welbehagen zal Hij Zijn Naam groot maken in de behoudenis der uitverkorenen en in de verwerping en ondergang der goddelozsn, hetzij Joden, hetzij heidenen. Laten de heidenen Israels God verachten. Hij zal voor hun ogen geheiligd worden op zulk een wijze, dat het spotten hun vergaan zal.

Ezei'hiël was- met de ballingen in Babel en had geprofeteerd van de ondergang des rijks en dat God Zijn volk straffen zou vanwege hun gruwelijke afval. Het oordeel was gekomen, zij waren weggevoerd naar Babel en dachten zich met de Chaldeën te vermengen, ook in hun afgodendienst. En nu komt God door de Geest der profetie bij monde van Ezechiël in Zijn onwankelbare trouw tot dit verloren volk te spreken van Zijn handelingen, en wel op een vdjze, die wij beschreven vinden in vers 33: „Zo waarachtig als Ik leef, 'spreekt de Heere Heere, zo Ik niet met een sterke hand en uitgestrekte arm en met een uitgegoten grimmigheid over u zal regeren". Hij zal Zijn recht verheerlijken in de kastijdingen. Dat volk zal het te weten komen, dat de toorn Gods over de zonde groot is. Zijn krachtige hand zullen zij gevoelen en zij zullen ondervinden, dat het vreselijk is om God tegen te hebben. EH Zijn hand zullen zij niet kunnen afslaan en zeggen: Wat doet Gij? Geen broos sterveling zal de Godsregering krachteloos maken. De gevolgen van de zonde zullen bitter zijn vanwege de tuchtroede, die God zal opheffen. In eca weg van tegenheden en druk zullen ze gelouterd worden en vernederd, en dan zullen wij weten dat het God is, met Wie zij te doen hebben. Dezelfde uitgegoten grimmigheid, waardoor ze naar Babel werden gevoerd, zou nog op hen blijven rusten totdat zij zichzelf schuldig kennen zouden. Om hen tot wezenlijk schuldbesef te brengen, zal God hen uit de volkeren voeren en vergaderen uit de landen en hen brengen in de woestijn der volkeren. Gelijk eertijds de Heere Zijn volk uitvoerde uit Egypte en hen bracht in de woestijn, zo zal Hij hen weder in de woestijn brengen om met hen te rechten, aangezicht aan aangezicht. En zoals ze weleer in de woestijn Paran de straffe hand Gods gevoeld hadden in de straffen op de overtredingen, zo zal ook nu God klaar doen bemerken, dat Israël niet goedkoop zondigde. Hij zal hun het ordentelijk voor ogen stellen; hen ontdekken aan hun schuld, aan hun diep ellendige staat. Maar dan ook zal de vrijmacht der verkiezing en de Hefde Gods in de Messias zich gaan openbaren. Als dat volk zich zal schuldig kennen en niets heeft om te kunnen voldoen, daa zal de Heere Zelf, als de God des verbon ds, dat volk onder de roede doen doorgaan en brengen onder de band des verbonds.

Rotterdam Ds. GHH. VAN DAM

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

De heiliging Gods

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken