Bekijk het origineel

De heiliging Gods

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De heiliging Gods

8 minuten leestijd

En Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen der heidenen. Ezechiël 20 : 41b

Dat onder de roede doen doorgaan, ziet op de handeling 'der priesters met de offenschapen. Als ze de schapen één voor één door de deur lieten uitgaan, kreeg het tiende schaap een teken met een roede, ten bewijze, dat het voor de Heere was. Zo zou God het overblijfsel naar de verkiezing der genade voor Zichzelf afzonderen en brengen onder de band des verbonds, dat is, ze doen wandelen in de wegen des Heeren. En 'dan valt de scheidinCT; niet allen zullen begiftigd worden met genade.

Daar zullen ook wederspannigpn zijn, die zullen doorgaan in de verharding van de zonde. Maar die tegen Hem zouf'en overtreden, zouden worden uitgezuiverd. De Heere maakt een scheiding tussen verkorenen en verworpenen, tussen Zijn volk en de wereld, om Zich sterk te bewijzen aan Zijn 'tegenstanders. Zij zullen in 't land Israels niet wederkeren, integendeel, zij zullen in Babel in hun zonden sterven, zonder schuldvergevende genade, door eigen schuld. De Heere trekt de hand Zijner genade van hen af, een afkeer hebbende van hun geveinsdheid. Zaj noemden des Heeren Naam, maar hielden , vast aan hun drekgoden. De Heere wilde echter niet, dat op die wijze Zijn Naam ontheiligd en misbruikt werd. Hij eiste oprechte, volkomen liefde en was met een gedeeld hart niet tevreden. Maar op Mijn heüige berg te Jeruzalem, zo sprak de Heere, zal Mij het oprechte volk dienen. Daar zal Ik een welgevallen in hen nemen, niet vanwege him waardigheid, maar vanwege het nieuwe leven en de vruchten daarvan, zijnde Mijn eigen werk, door de HeOige Geest gewrocht in hun harten. Ik zal een welgevallen aan hen hebben, om de liefelijke reuk himner offeranden, die heenwijzen naar de offerande van Christus. De gelovige Israëliet ziet immers op de komende Immanuël. De Heere zou dus een welgevallen in hen nemen, vanwege het geloof, dat Hijzelf in hun hart werken zou, welk .geloof zich in de vrucht zou openbaren. En dan lezen we: „En Ik zal in u geheiligd worden voor de Ogen der heidenen". De Heere zal dus geheiligd worden in een volk, dat zich onder het oordeel Gods bevond vanwege de zonde, waarmee men God de rug had toegekeerd. Een verloren volk, ver van God en Zijn dienst, in een vreemd land, is te zien als een beeld van de mens, die in zijn natuurstaat leeft. Er is geen vragen naar de rechten Zijner gerechtigheid, zij stellen God niet voor hun Ogen. Maar God wordt geheiligd door het recht, dat zullen zij ondervinden, als God-Zijn werk in hen doen zal. Hij zal het hun doen gevoelen, door de kracht Zijns arms, dat ze moeten breken met de wereld en hun zelfgekozen godsdienst. Zij zullen met hun aangezicht komen te staan voor Gods aangezicht, als in Zijn tegenwoordigheid, geplaatst voor het heilig recht, dat voldoening eist, en dat door hen geschonden is. Dan zal het hunnerzijds een verloren zaak \vordcn. Wie zal God zien en leven? Een volk, waaraan zoveel gearbeid was, en zoveel zorg aan besteed was. God had hun verderf niet gezocht, maar door eigen schuld waren zij gekomen in een. •••laat van diepe ellende, zonder verwachting ooit weer met God in gemeenschap Je komen. Zo zal God plaats maken in de weg der ontdekking voor genade. Hij maakt eerst een ondei-werp. Zonder ontdekking van schuld is er geen behoefte aan vergeving. Het zou dan ook onherstelbaar verloren zijn, indien God Zelf niet een weg had uitgedacht naar het vrije van Zijn welbehagen. Maar juist daarom zal God verheerlijkt en Zijn Naam geheiligd worden in Zijn recht en genade.

Daarom zal Hij ze onder de roede doen doorgaan en ze brengen onder de band des verbonds. Hij zal ze Zich eigenen, afzonderen en wonderen van genade in hen verheerlijken. Zij zullen als eertijds hun vaderen in de woestijn. Zijn recht, maar ook Zijn genade leren kennen. Hartelijk zullen zij tot Hem wederkeren met belijdenis van zonden, maar ook met een lust en liefde om voor Hem te leven, en dat zal zijn tot verheerlijking Gods en heiliging van Zijn Naam. En hoe meer genade God him schenken zal, hoe meer zij Hem in al Zijn deugden zullen liefhebben. Zij zullen in de oefeningen des geloofs aan zichzelf en al het geschapene sterven en Gods recht liefkrijgen zelfs boven eigen zaligheid, om te ervaren, dat voor zulken een eeuwige gerechtigheid is aangebracht, door Hem, Die hun zonden op Zich nam en voldoening gaf aan Gods recht. Door het geloof mag dat volk zioh verenigen met dat heilig Offerlam, afgeschaduwd door de offeranden, om alleen te steunen op het werk van Immanuël. Welk een verwondering en aanbidding vervult dan hun hart, als zij met blijdschap des geloofs mogen weten, dat hun schuld verzoend is, Gods recht voldaan is en de gemeenschap met God hersteld is. En dat genadewerk zal zich naar buiten openbaren in de vruchten des Geestes.

Het zal gezien worden door de heidenen. De Heere zal geheiligd en verheerlijkt worden voor de ogen der heidenen. Die heidenen zullen weten, dat Israël een God heeft. Die weliswaar de zonden bezoekt en Die voor de handhaving van Zijn recht zal zorgen. Die zelfs de zonden in Zijn volk niet stilzwijgend vooibijgaat, maar Die Zich ook heiligt door genade te bewijzen aan boetvaardigen. Die door de kracht des Heiligen Geestes tot Hem wederkeren, zullen voor de ogen der heidenen zijn als leesbare brieven van vrije genade, waarin God Zichzelf zal verheerlijken eeuwig en altoos. Daaruit zullen de heidenen weten, hoe groot en heerlijk het is, om zulk een God tot zijn deel te mogen hebben. \Vaar Israël het beeld is van de kerk van. alle tijden, geldt deze genadebedeling ook van de kerk in deze tijden. Ook nu heiligt God Zich in Zijn voDc voor de ogen der heidenen. Hij heiligt Zichzelf en wordt geheiligd in Zijn recht. Buiten het recht Gods om, is er geen zaligheid, want recht en gerechtigheid zijn de vasligheden Zijns troons. Maar voor dat volk, dat God liefheeft, ook in Zijn recht is er hoop, dewijl Christus het recht j-ied vervuld. Daar de weg van Israël dus de weg van al Gods volk is, is het niet te vei-wonderen, dat het soms door diepe wegen heen gaat, als God een mens wil verlossen van het grootste kwaad en brengen wil tot het hoogste goed.

De mens heeft in zijn diepe val geen begrip overgehouden van God en Goddelijke zaken. Doch niet alleen is het verstand verduisterd, ook is de wil geheel van God afgekeerd. In de banden van zonde en bederf, in een staat van vervreemding en onvermogen, kan niemand zijn broeder immermeer verlossen. In het Babel dezer wereld, vol zonde en afgoderij, liggen alle mensen van nature in volslagen onmacht neder; om zich ooit of immer door eigen krachtsinspanning te kunnen verlossen is onmogelijk. Ook menselijke welwillendheid schiet ten enenmale te kort; het zal daar op heen moeten, dat de Heere Zijn Naam mocht willen verheerlijken, door zaligmakende genade te schenken aan een alles verbeurd hebbend mensenkind.

Indien het Hem behagen mocht Zijn Naam te heiligen voor de ogen der heidense en .wereld.se mensen, door de duidelijke blijken en vruchten des Heiligen Geestes, dan heeft Hij daartoe het vermogen. Hij kan de droeve zondebanden breken, die de zondaar van nature binden. Hij kan de heerschappijvoerende kracht der zonde breken en verlossen uit alle geweld des duivels. Hij kan verlossen op een Goddelijke wijze door een almachtig vermogen en Hij kan Zich heiligen op welke wijze Hij wil. Niemand zal ooit Zijn hand kunnen afslaan en zeggen: Wat doet Gij?

Niet alleen is God almachtig. Hij is ook vrijmachtig, om te doen wat Hem behaagt. Hoe gelukkig is de mens, wie het mag gebeuren, dat God hem niet naar recht M'il schuldig keuren, opdat Zijn Naam eeuwig zal verheerlijkt worden in zijn behoudenis. Hoe jammerlijk velen zullen in het Babel der wereld blijven en daar voor eeuwig in omkomen. Weerspannigheid heeft reeds zijn duizenden verslagen en zal het blijven doen tot aan het eind der dagen. Ook in hen zal God geheiligd worden voor de ogen der heidenen, maar in Zijn heilige toom en in Zijn straffende hand, tot vernielino- van elke tegenstander.

Hoe groot zal dat onderscheid zijn, vooral ten jongste dage, dat onderscheid tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, tussen die, die God dient en die, die Hem niet dient. Maar God zal geheiligd, dat is verheerlijkt worden, hetzij in ons behoud of in onze ondergang. Zijn doen is enkel majesteit, aanbiddelijke heerlijkheid, indien de ware verlichting des verstands ons maar in staat zou stellen om al Zijn daden te bezien in het licht van Gods getuigenis.

Rotterdam Ds. CHR. VAN DAM

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

De heiliging Gods

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken