Bekijk het origineel

Uit de Staten van Gelderland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Staten van Gelderland

6 minuten leestijd

I.

Bij de behandeling der begroting voor het jaar 1958 in de Staten van de provincie Gelderland werd namens de fractie der S.G.P. het woord' gevoerd door de heer Doeleman. Daar de lezers van „De Banier" in deze provincie ongetwijfeld gaarne eens zullen willen kennisnemen van wat er in de Staten hunner provincie door de vertegenwoordigers der S.G.P. naar voren wordt gebracht, zullen we van het door de heer Doeleman bij bovengenoemde gelegenheid gesprokene, een enigszins bekort verslag geven.

Spreker begon met op te merken, dat hoewel de S.G.P.-Statenleden menigmaal hun goedkeuring aan het beleid van Gedeputeerde Staten niet kunnen geven, hij toch zijn waardering walde uitspreken voor de vele arbeid, welke door dit College en ook door de ambtenaren, in dienst der Provincie, worden verricht.

Overgaande tot de algemene beschouwingen over de begroting, wees spreker allereerst op de droevige tijd waarin wij leven, vanwege de grote afval van de hoge God, welke steeds grotere vormen aanneemt en voorts vanwege de revolutiegeest, waarvan zo velen bezield zijn. Spreker zag hierin een oordeel Gods, daar al wat van de hoge God afvalt, gewisselijk vallen moet. Die revolutiegeest, welke het eerst in het Paradijs de kop opstak, staat lijnrecht tegenover wat God in Zijn Woord en wet gebiedt en ook tegenover al wie naar God vraagt. Spreker wees vervolgens op de beide wereldoorlogen, waarmede God bet mensdom geslagen had, doch ze hadden de mens niet op de rechte plaats gebracht. Ook in ons land hebben volk en overheid er niet uit geleerd om zich voor God te verootmoedigen en tot Hem terug te keien. Die in ons land weleer zovele wonderen verricht heeft. Er was dan volgens spreker alle reden voor om overheid en onderdanen toe te roepen: Land, land, land! hoort des Heeren Woord. Keer weder tot de wet en de Getuigenis, indien zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad zullen hebben. Dat Woord blijft voor alle tijden van kracht.

Spreker stond daarna nog eens stil bij de zegeningen, weDce de Reformatie over ons land en volk had gebracht, maar ook hce velen tot on- en bijgeloof, tot atheïsme, occultisme en duivelskunstenarij vervallen zijn. Ook de afscheuring van Indië van Nederland werd door spreker hierbij nog ter sprake gebracht en daarbij er op gewezen hoe nu daar iemand aan het hoofd staat, die van de christelijke godsdienst niet wil weten, wat mede te wijten is aan de zogenaamde goede diensten van de grote mogendheden. Vrijheid werd er geroepen, de Indische volkeren hadden ook recht op vrijheid, doch de overdracht heeft allerminst de vrijheid aan de Indische volkeren gebracht. Spreker wees er vervolgens op hoe ons volk en zijn overheid met hoon en spot overladen werden, waarbij hij de vraag stelde of er nog hardere slagen moesten vallen, voordat er een wederkeren tot God zal plaats hebben. ZuUen 'wij niet moeten vrezen en beven, dat, indien de geweldige roepstemmen in de wind worden geslagen, het wel eens te laat kon zijn of worden, aldus spreker. Zal ons volk eens verstaan wie de grootste vijanden van ons volk zijn. Zijn het niet de verkwanselaars van de onvervalste leer der vaderen? Van de Waarheid, die do vaderen, door de onwederstandelijke werking van Gods Geest en door Zijn onfeilbaar Woord, hadden leren kennen? Zijn het niet de verlaters van Gods Woord en wet en van de daarop gegronde inzettingen?

Spreker wees er vervolgens op, hoe weinigen er zijn, die het in waarheid de psalmist mogen nazeggen: Ik ben een vriend, ik ben een metgezel Van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen. En leven naar Uw Goddelijk bevel. O Heer', hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen. Gij doet op aard' aan alle scheps'len wèl. Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen.

Spreker wees er daarna op, hoe noodzakelijk het is om gebedsdagen uit te schrijven, waarbij de overheid als dienaresse Gods behoorde voor te gaan, door in de vergaderingen God in het openbaar- aan te roepen en voor alles Zijn zegen af te bidden. In dit verband werd voorts gewezen op koning David, die er voor in de bres sprong, toen hij vernam, dat de God der slagorden Israels werd gehoond. Indien de overheid blijft voortgaan op de weg van Godsmiskenning, is te vrezen, dat de maat eens vol wordt, en wie zal dan bestaan?

De overheid toch heeft als dienaresse Gods een voorbeeld te geven, door af te breken de bossen, de hoogten en de beelden, in figuurlijke zin gesproken. De overheid ga namelijk voor in het verbieden van de ontheiliging van Gods dag door sport en spel, toneel, bioscoop, dans en wat dies meer zij. Voor ieder overheidspersoon hgt hier een dure roeping en een grote verantwoordelijkheid. Indien men niet tot deze maatregelen overgaat, zal men ook geen lust hebben. God in het openbaar aa» tt roepen in den gebede. Toch zal het ook voor de overheid gelden, kies heden wie gij dienen zult, of God of de wereld, een tussenweg is er niet. Als overheid en onderdaan het vaa God zouden gaan verwachten, aldus spreker, zou er mogelijkheid bestaan, om uitgeholpsn te worden uit de zeer benarde toestand, waarin ons volk hier te lande en in Indonesië verkeert Spreker ging hierna nog eens in op de dwaze sportvergoding van onze tijd. Men meent, aldus zeide de heer Doeleman, dat de sport en de sportvergo. ding tot Tj& gen van de mensheid is en de overheid doet er helaas aan mede, doch tot haar ondergang. In toenemeii. de mate jworden de couranten gevuld met dwaze sportuitslagen. Ook wordt een groot gedeelte van de zendtijd der radio daarvoor gebruikt. De mens is vol van sport, maar ledig van de vreze des Heeren. Honger is er bij zeer velen alleen naar brood en spelen en geen honger naar de gerechtigheid. Toch blijft het Woord Gods van kracht: Zoek eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid en alle andere dingen zullen u toegeworpen worden.

Op dit alles ziende, aldus spreker, behoeft het niet te verwonderen, dat men thans in een tijd van bestedingsbeperking leeft als men weet, dat in het verleden en ook heden miljoenen weggeworpen worden ' en werden aan sportdoeleinden, toneel, kunst, danskunst en wat dies meer zij. Indien men' Gods Woord niet tot richtsnoer heeft, wat wijsheid zou men nog hebben? Dan is ook alle voorspoed schijn. Vandaag denkt men geen dings gebrek te hebben en te leven in een tijd van hoogconjunctuur en morgen zit men iir een enorme financiële debacle. Hoe zijn jaar op jaar de waarschuwende stemmen in hogere en lagere colleges in de wind geslagen, omdat ze bij de wijzen dezer wereld dwaasheid worden geacht. Toch zal het eens blijken naai het eeuwig blijvend en onfeilbaai Woord van God geweest te zijn, de één ten voordeel, de ander ten oordeel. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

Uit de Staten van Gelderland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken