Bekijk het origineel

De Geneesmiddelenwet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Geneesmiddelenwet

27 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir. van Dis

Nadat er circa zes jaren lang over het wetsontwerp in zake een nieuwe ge- •aeesmiddelenwet gedokterd was, kwam het eindelijk bij de Tweede Kamer in behandeling. Dat de voorbereiding zo lang geduurd heeft, vindt zijn oorzaak in het feit, dat bij dit wetsontwerp niet alleen volksgezondheidsbelangen, maar ook economische belangen zo nauw betrokken zijn.

Reeds kort na de indiening in 1952 werden er dan ook van onderscheidene zijden bezwaren tegen ingebracht. Vooral de drogisten zagen er grote gevaren in voor het bestaan van hun bedrijf. Het is toch zo gesteld tegenwoordig, dat ook door de drogisten tal van verpakte geneesmiddelen worden verkocht. Geneesmiddelen namelijk, die niet schadelijk voor de gezondheid zijn, wanneer de gebruiksaanwijzing, welke er door de fabrikant bij ingesloten wordt, wordt opgevolgd. Er zijn ook schadelijke verpakte geneesmiddelen, maar deze mogen door de drogisten niet verkocht worden. Deze geneesmiddelen zijn op een U.A. lijst geplaatst, wat wü zeggen, dat ze uitsluitend door de apothekers mogen afgeleverd of verkocht worden. Deze U.A. lijst is echter niet bij de wet voorgeschreven. Zij draagt een particulier karakter en is tot stand gekomen door een onderlinge overeenkomst tussen de drogisten en hun leveranciers.

In het wetsontwerp wordt echter van deze U.A. lijst welke in 1928 tot stand kwam en sedertdien geregeld werd aangevuld, met geen woord gerept, evenmin als daarin de drogisten genoemd worden. Er wordt onder meer in voorgesteld een nieuwe U.A. lijst door een daartoe in te stellen commissie te doen samenstellen, zodat niemand weet hoeveel en welke geneesmiddelen op die Hjst geplaatst zullen worden. Het zou dus zeer goed kunnen, dat die lijst zo uitgebreid zou worden, dat er in de toekomst voor de drogisten maar heel weinig te verkopen over zou blijven. Namens alle Kamerfracties werd bij de behandeling van dit wetsontwerp het woord gevoerd. Voor de fractie der S.G.P. werd dit gedaan door Ir. van Dis, die de navolgende rede uitsprak:

Mijnheer de Voorzitter! Evenals van vroeger bij de Tweede Kamer ingediende wetsontwerpen, welke een nieuwe regeling inzake de geneesmiddelenvoorziening beoogden, geldt van het onderhavige wetsontwerp, dat do regering zioh hiermede wel op een uiterst moeilijk begaanbaar terrein heeft begeven. Op een terrein vol

voetangels en klemmen,

waarin menige voorganger van de minister, die thans de verdediging van het ©nderhavige wetsontwerp op zich heeft genomen, beklemd geraakt en onherroepelijk vastgelopen is. Wij zullen er niet toe overgaan een breedvoerig historisch overzicht te geven van wat zich te dezer zake in het verleden heeft voorgedaan, doch ons slechts bepalen tot het in de herinnering terugroepen van wat zich ruim 25 jaar geleden met betrekking tot dezelfde materie heeft afgespeeld. Van regeringswege was toen een wetsontwerp betreffende de uitoefening van de artsenijbereidkunst ingediend, waartegen uit onderscheidene kringen van het bedrijfsleven

krachtig verzet

reéS. Met name waren het de apotheekhoudende artsen, en vooral de drogisten, die zich door dit wetsontwerp zeer ernstig in hun bestaan bedreigd achtten. Voor wat de drogisten betreft, omdat zij in het bepaalde in artikel 3 van dat ontwerp niet minder zagen dan het scheppen van een monopolie voor de handel in geneesmiddelen voor de apothekers. Het was namelijk zo gesteld, dat in het bedoelde wetsontwerp van omstreeks 1930 onder uitoefening der artsenijbereidkunst niet enkel en alleen het bereiden van geneesmiddelen verstaan werd, maar ook het ter aflevering in voorraad hebben of afleveren van geneesmiddelen. Wel werd in artikel 2 een mogelijkheid opengelaten, dat ook door

met-apothekers

geneesmiddelen zouden kunnen worden afgeleverd, namelijk die geneesmiddelen, welke door de minister op advies van de Gezondheidsraad zouden aangewezen worden, doch deze bepaling vermocht bij de drogisten de ongerustheid niet weg te nemen. Dit behoeft ook niet te verwonderen, als bedacht wordt, dat de commissie uit de desbetreffende Gezondheidsraad, welker adviezen maatgevend waren, was samengesteld uit zeven personen, waarvan vier apothekers en slechts één drogist! Bovendien was het deze commissie, die in 1927 de minister had geadviseerd de

beruchte lijst C

te handhaven, waarbij het anderen dan apothekers verboden werd om bijv. zinkzalf, boorzalf, boorvaseline, coldcrème, lanoline beneden de 500 gram, salmiakdrop beneden de 200 gram, zeepspiritus beneden het half kilo, emserzoutpastilles beneden de 200 stuks te verkopen. En daarbij bleef het zelfs niet, want in 1927 werd er nog aan toegevoegd, dat de artikelen' van lijst C niet alleen niet door anderen dan apothekers beneden de aangegeven hoeveelheden verkocht mochten worden als geneesmiddel, maar tevens niet voor een ander doel. Het is dus zeer goed te verstaan, dat de

drogisten

in deze commissie van de Gezondheidsraad niet het minste vertrouwen hadden. Hier kwam nog bij, dat de toenmalige minister van Arbeid, Handel en Nijverheid in zijn Memorie van Toelichting op dit wetsontwerp niet onduidelijk te kennen had gegeven, dat het beoogde doel niet uitsluitend de bevordering der volksgezondheid inhield, maar het versterken van de economische positie en het aanzien van de apotheker. Wij zouden onze beschouwingen over dit wetsontwerp van 1931 nog verder kunnen uitbreiden, doch zullen hiervan afzien en volstaan met te memoreren, dat de Tweede Kamer zich in 1932 met dit wetsontwerp niet heeft kunnen verenigen. Het verzet was zelfs van dien aard, dat de minister, die de verdediging er van op zich genomen had, het maar geraden achtte om de behandeling er van niet voort te zetten, opdat hij zich over het wetsontwerp in rustiger atmosfeer, kon beraden. De beraadslagingen werden hierop

geschorst

en hoewel de betreffende de minister verklaard had de overtuiging te hebben, dat de belangen der onderscheidene bij dit wetsontwerp betrokken groepen zeer wel verzoend zouden kunnen worden, is door hem de materie der geneesmiddelenvoorziening nimmer meer aan de orde gesteld. Eerst 18 jaar later, namelijk in 1950, werd door de toenmalige regering een poging ondernomen zich op dit terrein te wagen. Er werd namelijk een voorontwerp ontworpen, dat binnenskamers in bespreking werd gegeven. Op de inhoud hiervan zullen wij niet ingaan, daar dit ontwerp nimmer tot openbare behandeling kwam. Ook zullen wij het ontwerp, dat in 1951 uitkwam, laten rusten, omdat dit al evenmin aan de orde werd gesteld. Het werd vervangen door een ontwerp^ dat op

12 maart 1952

bij de Tweede Kamer werd ingediend en dat eerst thans, dus nadat er zes jaar overheen gegaan is, door de Kamer in het openbaar behandejd wordt. Wanneer wij kennis nemen van de Memorie van Toelichting bij dit wetsontwerp, Mijnheer de Voorzitter, dan valt er een aanmerkelijk verschil te constateren met de Memorie van Toelichting, welke het zoeven gememoreerde wetsontwerp van 1931 vergezelde. Dit geldt met name ten aanzien van de drogisten, die bij dit wetsontwerp zo nauw betrokken zijn. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bij het huidige wetsontwerp verklaard, dat met de

bezwaren,

welke tegen het ontwerp van 1931 van de zijde der drogisten werden ingebracht, is rekening gehouden, zulks onder meer doordat in plaats van een positieve lijst van geneesmiddelen thans van een negatieve lijst sprake is, zodat de verkoop van alles, wat niet op de lijst voorkomt, ook aan de drogisten is toegestaan. Voorts wordt in dit huidige wetsontwerp de invoering aangekondigd van een lijst van geneesmiddelen, die alleen op recept mogen worden afgeleverd, waarom in 1931 reeds gevraagd was.

Een verdere tegemoetkoming aan vroeger geuite bezwaren van de zijde van de drogisten heeft betrekking op de definitie van het begrip geneesmiddel. Zoals in de Memorie van Toelichting wordt medegedeeld, heeft men, om het hier­ genoemde bezwaar te ondervangen, het begrip

„zelfstandigheid"

ingevoerd en daarnaast tevens aangegeven in welke vier groepen van gevallen een zelfstandigheid tot geneesmiddel wordt. Vervolgens wordt in de Memorie van Toelichting verklaard, dat het wetsontwerp verder regelen geeft inzake de specialité's zonder het goede verpakte geneesmiddel te weren, regelen betreffende de verkoop van geneesmiddelen door anderen dan apothekers, zonder ruw in te grijpen in

bestaande en gegroeide verhoudingen.

Het laatste, Mijnheer de Voorzitter, klinkt inderdaad zeer vertrouwenwekkend. Wanneer in de praktijk naar deze regel zou worden gehandeld, wanneer dus werkelijk in stand werd gehouden wat met veel moeite en toewijding door onderlinge samenwerking van farmaceutische groothandel, fabrikanten en drogisten, waarbij zich aanvankelijk ook de apothekers aangesloten hadden, historisch gegroeid is, dan zou er reden zijn om zich af te vragen, waarom er toch tegen dit wetsontwerp bij de drogisten zulk een sterk verzet gerezen is en waarom het niet veeleer met beide handen is aangegrepen, zodat wij nu al enige jaren een nieuwe wet inzake de geneesmiddelenvoorziening zouden hebben gehad. Dit klemt nog te meer, als wij kennis nemen van wat er iets verderop in de Memorie van Toelichting op blz. 8 wordt verklaard, namelijk dat de in het wetsontwerp bedoelde

U.A.-lljst

in opzet overeen zal komen met de thans bestaande, vanwege de de Pharmaceutische Handelsconventie vastgestelde U.A.-lijst. Ook deze verklaring, Mijnheer de Voorzitter, klinkt zeer hoopvol, maar desondanks hebben al dergelijke uitspraken en verklaringen in de Memorie van Toelichting de drogisten er niet toe kunnen bewegen zich met het onderhavige wetsontwerp te verenigen.

Zo lazen wij dienaangaande in het vakblad der drogisten, namelijk in het nummer van 2 april 1952, de volgende passage:

„Ze (bedoeld werd de Memorie van Toelichting) ziet er zo aanlokkelijk uit en is daardoor even gevaarlijk als de watergeest op de Lorelei, die schippers door haar gezang verlokte tot zij op de rotsen verpletterd werden. Bij het lezen van de Toelichting wordt het gevaar, dat in het ontwerp ligt, over het hoofd gezien".

Uit dit citaat blijkt wel helder en klaar, Mijnheer de Voorzitter, dat de drogisten

niet het minste vertrouwen

hebben in de zo welwillend tegenover hen klinkende verklaringen uit de Memorie van Toelichting. En voor dit gebrek aan vertrouvi'en bestaat ook wel alle reden. In het verleden toch zijn er ten aanzien van plechtig gedane toezeggingen en vertrouwenwekkende verklaringen, in verband met regelingen betreffende de geneesmiddelenvoorziening, zeer bittere ervaringen opgedaan. Vandaar dat in de Memorie van Toelichting gedane verklaringen niet in staat waren en nog niet in staat zijn de ongerustheid weg te nemen, welke het onderhavige wetsontwerp bij de drogisten heeft verwekt. Zoals reeds door mij werd opgemerkt, heeft toch de ervaring genoegzaam geleerd, dat het bij de uitvoering van wetsbepalingen er soms heel anderj naar toegegaan is dan in officiële regeringsstukken, zoals de Memorie van Toelichting bij een wetsontwerp er één is, in uitzicht was gesteld. Ja, soms ook heel anders dan men zou verwachtea na hetgeen aan de leden der Kamer was voorgesteld en zelfs toegezegd. Wij geven hiermede

geen denkbeeldig»

voorstelling van zaken, maar een weergave van wat in het verleden met betrekking tot dezelfde materie, welke d« Kamer thans bezighoudt, is voorgevallen. Om mij in deze nader te verklaren. Mijnheer de Voorzitter, wijs ik op da nog immer van kracht zijnde wet van 1 juni 1865, de wet, regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst, en met name op artikel 30 dezer wet, waarin bepaald wordt, dat behalve door d« apothekers en door de geneeskundigen, tot het afleveren van geneesmiddelen bevoegd, niet mogen worden verkocht de geneesmiddelen, door de minister van Sociale Zaken, een commissie van deskundigen gehoord, beneden de hoeveelheid, daarbij voor elk dier middelen te- bepalen.

Aan dit artikel werd echter uitvoering gegeven op een wijze, welke

volkomen in strijd

was met wat destijds aan de toenmalige Kamerleden was voorgehouden, en zelfs geheel en al in strijd met de inhoud van het artikel zelf. Aan de Kamer was namelijk bij de behandeling dezer wet voorgehouden, dat artikel 30 alleen diende om het bereiden van geneesmiddelen op recept door anderen dan apothekers tegen te gaan, zodat de lijst, welke overeenkomstig dit artikel zou worden opgesteld, uitsluitend de namen zou bevatten van geneesmiddelen, welka voor de receptuur van belang waren, terwijl de hoeveelheden, beneden welke deze stoffen niet mochten worden afgeleverd door anderen dan apothekers, iets hoger zouden liggen dan voor de receptuur.

Bij de uitvoering van dit artikel liep het echter hierop uit, dat het aan anderen dan apothekers toegestaan werd om de meest gewone, onschadelijke zelfstandigheden niet dan in zeer grote hoeveelheden te verkopen. Zoeven aijn hiervan reeds enkele voorbeelden door mij gegeven, waaruit genoegzaam bleek, dat hierbij niet het belang der volksgezondheid een rol speelde, maar het

economisch belang der apothekers.

Dat bij het opstellen dezer lijst, de zogenaamde lijst C, niet het belang der volksgezondheid voorzat, blijkt ook wel hieruit, dat er op deze lijst zelfs zeer schadelijke stoffen voorkwamen en tot heden daarop nog voorkomen, zoals bijvoorbeeld rattenkruid, dat de drogist tot op heden niet mag verkopen in hoeveelheden, beneden de 150 gram, maar wel daarboven!

Zo werd tegen de destijds aan de Tweede Kamer gedane belofte in, getracht om de verkoop van geneesmiddelen door anderen dan apothekers totaal onmogelijk te maken.

Gezien de in het verleden opgedane ervaringen^ waarvan wij er slechts een enkele genoemd hebben, is het dus zeer wel te verstaan. Mijnheer de Voorzitter, dat allen, die als niet-apothekers geneesmiddelen verkopen, uiterst gereserveerd staan tegenover nieuwe wettelijke regelingen op het gebied van de geneesmiddelenvoorziening, waarin hun belangen niet voldoende behartigd zijn, doordat zij er

geheel en al buiten gehouden worden, gelijk dit ten aanzien van de drogisten het geval is in het wetsontwerp, dat thans in behandeling is.

Tegen het in het leven roepen van een nieuwe wettelijke regeling op dit gebied bestaat op zichzelf geen bezwaar, ook Biet bij hen, die tegen het onderhavige wetsontwerp zeer ernstige bezwaren naar voren hebben gebracht en nog (teeds naar voren blijven brengen. Allen zijn het er wel over eens, dat de wet van 1865 verouderd iï en niet meer past voor de huidige toestanden, welke zozeer veranderd zijn bij die van vroeger, toen geneesmiddelen vrijwel uitsluitend op doktersrecept werden verstrekt en veipakte geneesmiddelen, welke fabriekmatig worden bereid, nagenoeg onbekend waren. Deze veroudering van de wet van 1865 blijkt voorts wel zeer duidelijk uit het feit, dat zij schier dagelijks wordt overtreden — men denke slechts aan de zoeven reeds door mij genoemde lijst C — zonder dat de overheid er aan denkt in te grijpen. Meerdere malen is dan ook zelfs door de sterkste tegenstanders van het onderhavige wetsontwerp verklaard, dat zij een

nieuwe wettelijke regeling

van de geneesmiddelenvoorziening niet «lechts zeer gewenst, doch noodzakelijk achten. Dit wil echter niet zeggen, dat elke wettelijke regeling hun welkom is. Dit is bij het huidige wetsontwerp, dat reeds in 1952 bij de Tweede Kamer werd ingediend en dat na veel gedokter nog steeds het Staatsblad niet heeft kunnen bereiken, wel anders gebleken. \'an onderscheidene zijden zijn er bezwaren tegen ingebracht. De fabrikanten van en de groothandel in geneesmiddelen waren en zijn er nog niet over te spreken, de drogisten hebben het wetsontwerp in zijn huidige vorm onaanvaardbaar genoemd, ja ook juristen van naam hebben er sterke kritiek op geleverd. Zo komt

prof. mr. Prins,

in zijn „Kanttekeningen" tot de conclusie, dat het onderhavige wetsontwerp uit een juridisch oogpunt tal van slordigheden vertoont, die volgens hem merendeels te wijten zijn aan een streven om de wetstekst zo ruim mogelijk te dirigeren, wat naar het oordeel van prof. Prins een ernstige bedreiging van de rechtszekerheid vormt. Alle oneffenheden glad te strijken, acht deze hoogleraar vrijwel niet mogelijk, maar wel behoren volgens hem in ieder geval enige noodzakelijke wijzigingen te worden aangebracht.

Mijnheer de Voorzitter! Om slechts op een paar punten de aandacht te vestigen, zij vermeld, dat naar het oordeel van prof. Prins in artikel 4 de vage formule „in het belang van de volksgezondheid" dient te worden vei-vangen door een formulering, welke duidelijk doet uitkomen, dat

aUeen zodanige geneesmiddelen

op de U.A.-lijst worden geplaatst, waarvan de gevaarlijkheid reden oplevert om ze aan de vrije verkoop te onttrekken. Met het oog op de rechtszekerheid, Mijnheer de Voorzitter, kunnen wij ons te deze geheel bij het oordeel van prof. Prins aansluiten. Zoals toch artikel 4 thans luidt, bestaat het gevaar, dat de U.A.-lijst na verloop van tijd zo uitgebreid zal worden, dat er door anderen dan apothekers vrijwel geen geneesmiddelen meer kunnen worden verkocht. Dat deze vrees ook bij de drogisten leeft, blijkt wel zeer duidelijk uit het laatste bij de Kamer door de Federatie van Drogistenbonden ingezonden adres, gedateerd 26 februari 1958, waarin on­ der punt 3 wordt verklaard, dat de drogisten van de indiening van het wetsontwerp af van mening zijn geweest, dat door de negatie van het volksgezondheidsbelang de U.A.-lijst een zeer grote uitbreiding zal ondergaan en dat van de toegezegde handhaving van de bestaande toestand geen sprake zal zijn. Met het oog hierop wordt het dan ook door prof. Prins noodzakelijk geacht, dat de plaatsing van geneesmiddelen op de U.A.-lijst, alsmede de registratie van verpakte geneesmiddelen en de toepassing van het vergunningstelsel onder controle worden gesteld van een

onafhankelijke rechter.

In het Voorlopig Verslag is met betrekking tot de U.A.-lijst eveneens het instellen van de mogelijkheid van beroep bepleit, en wel beroep op de Kroon. De minister heeft dit echter afgewezen. In de Memorie van Antwoord wordt dienaangaande door hem verklaard, dat deze materie zich niet leent voor een beroep op de Kroon, omdat het hierbij gaat om wetenschappelijke vraagstukken en het zich nauwelijks denken laat, dat de Kroon ooit tot vernietiging van een door de minister, na verkregen advies van een veelzijdig samengestelde commissie, genomen beslissing zal overgaan. Een dergelijk beroep laat zich volgens de minister denken voor aangelegenheden van juridische aard, doch niet voor vraagstukken als die, welke hier aan de orde zijn.

Als inderdaad juist zou zijn, wat de minister hier in de Memorie van Antwoord heeft opgemerkt. Mijnheer de Voorzitter, dan vragen wij ons toch af

wat voor zin

het zal hebben, wanneer de belanghebbenden in gevallen, dat er huns inziens ten onrechte artikelen op de U.A.-lijst worden geplaatst, zich tot de minister zouden gaan wenden, gelijk door de minister wordt aangegeven.

Wanneer het zich nauwelijks laat denken, dat de Kroon ooit tot vernietiging van een door de minister genomen beshssing zal overgaan, dan laat het zich evengoed nauwelijks denken, dat het de belanghebbenden zal baten om, wanneer zij zioh bedreigd achten, zich tot de minister te wenden, die zijn beslissing genomen heeft na verkregen advies van de desbetreffende commissie.

Het antwoord van de minister is naar ons oordeel dan ook hoogst onbevredigend. Wij kunnen daarom niet nalaten bij de minister te bepleiten, dat hij zijn standpunt te dezen zal herzien en zich alsnog bereid verklaart om de

mogelijldieid van beroep

hetzij bij een college van beroep voor het bedrijfsleven, zoals door prof. Prins wordt voorgesteld, of bij de Kroon, zoals in één der ingediende amendementen Vk-ordt voorgesteld, te bevorderen. Evenzo wensen vvij de mogelijkheid van beroep te bepleiten ten aanzien van de registratie van verpakte geneesmiddelen, niet bij de minister, zoals in artikel 3, Ud 2, wordt bepaald, maar op de Kroon. Aan de minister wordt toch in het wetsontwerp naar ons oordeel een veel te grote macht toegekend, daar zowat alles, wat in het ontwerp geregeld wordt, afhankelijk is van algemene maatregelen van bestuur. In artikel 26 alleen worden niet minder dan negen gevallen genoemd, waarbij aan de minister het recht wordt toegekend om bij algemene maatregel van bestuur voorschriften te geven. In dit opzicht vertoont dit wetsontwerp grote overeenkomst met dat van 1931, waartegen deswege door de Kamer destijds ook al overwegende bezwaren werden geuit. Evenals toen biedt het onderhavige wetsontwerp — de geachte afgevaardigde de heer Verkerk heeft er zoeven op gewezen en heeft daarbij dr. Beumer aangehaald, die in 1932 over deze materie ook het woord heeft gevoerd — veel meer de

mogelijkheid

van een regeling dan een regeling zelf. Veel te veel wordt er aan algemene maatregelen van bestuur en ministeriele beschikkingen overgelaten. Het bestaan van duizenden nijvere middenstanders, die bewezen hebben, inzake de geneesmiddelenvoorziening een belangrijke en onmisbare rol te vervullen, wat wel in dubbele mate geldt met betrekking tot het platteland, waar de apotheken schaars zijn, wordt daardoor afhankelijk gemaakt van regelingen, die de Kamer thans niet kent en op welker totstandkoming zij ook geen invloed kan hebben. En dit geldt niet alleen voor de drOCTisten, doch ook voor de fabrikanten van geneesmiddelen, die volgens artikel 4 afhankelijk zijn van vergunningen van de minister, waaraan voorwaarden kunnen verbonden worden. Nu is het zeer wel mogelijk, dat in het begin van de uitvoering der wet nog alles bevredigend zal verlopen, maar wie kan zeggen of de uitvoeringsvoorschriften na verloop van tijd, eventueel onder opvolgers van deze minister, niet gewijzigd zullen worden? De positie van de bij dit wetsontwerp betrokkenen hangt dan ook geheel aan een zijden draad, omdat niet in de wet zelf nauwkeurig wordt vastgelegd wat men beoogt. Met andere woorden gezegd: de rechtszekerheid is bij dit wetsontwerp ten enenmale zoek. Ook een andere deskundige op juridisch gebied, nameHjk

prof. van Bemmelen,

heeft dit als één der zeer ernstige bezwaren tegen het onderhavige wetsontwerp aangevoerd. In het van hem afkomstige geschrift van 24 februari 1958 verklaart hij zelfs, dat aan de minister van Sociale Zaken op het gebied der verpakte geneesmiddelen dictatoriale macht wordt toegekend. De minister toch, zo merkt prof.'van Bemmelen op, beslist uiteindelijk over de registratie en is aan niemand, behalve aan de Volksvertegenwoordiging, verantwoording verschuldigd voor zijn te deze genomen beslissingen. En daar de minister de bevoegdheid wordt toegekend om iedere zelfstandigheid als geneesmiddel aan te wijzen, zal het zelfs voor de rechter niet mogelijk zijn, van de één of andere verpakte zelfstandigheid te verklaren, dat het geen geneesmiddel is. De handel in verpakte geneesmiddelen wordt zodoende geheel in handen gelegd van de minister van Sociale Zaken, zonder dat de mogelijkheid bestaat van beroep op een onafhankelijke rechter.

Naar het oordeel van prof. van Bemmelen geeft dit wetsontwerp dan ook

geen enkele garantie

voor de rechtszekerheid op het gebied der verpakte geneesmiddelen, terwijl het volgens hem al evenmin afdoende garantie geeft voor de behartiging van de gezondheidszorg.

Met prof. Prins en mr. Böhtlingh vdjst voorts ook prof. van Bemmelen op de ongerijmdheid van datgene, wat in het wetsontwerp gegeven wordt als definitie van geneesmiddelen, daar zowat elk stoffelijk voorwerp daaronder begrepen zou kunnen worden, wat in twijfelgevallen ongetwijfeld moeilijkheden zal kunnen opleveren. Gezien de tegen de definitie van geneesmiddelen, zoals deze in het wetsontwerp is vastgelegd, inge­ brachte bezwaren zou het dan ook naar ons oordeel veel juister zijn, de interpretatie van het begrip geneesmiddel aaa de rechter over te laten. Thans gaan wij over tot de bespreking van de regeling( welke het wetsontwerp biedt ten aanzien van de

drogistea.

Ten aanzien hiervan. Mijnheer de Voorzitter, is, het zeer begrijpelijk, dat de drogisten er ten zeerste over ontstemd zijn, dat zij in het wetsontwerp helemaal niet worden genoemd, dat hun geen status in het wetsontwerp is toegekend. Dit is des te ergerlijker, omdat zij op eigen initiatief in samenwerking met groothandel en fabrikanten veel hebben tot stand gebracht. Wij denken hierbij aan de U.A.-lijst, dat is de Hjst, waarop artikelen voorkomen, welke uitsluitend door de apothekers en dus niet door de drogisten mogen worden verkocht. Dit zijn alzo artikelen, die ia meerdere of mindere mate schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. Desniettemin is het hiermede zo gesteld, dat, al mogen deze artikelen alleen door de apotheker afgeleverd worden, dit nog niet wü zeggen, dat ze daarom niet aan het publiek in de apotheek zonder vertoon van recept „over de toonbank" worden verkocht.

Zo was het in 1932, zo is het nu nog. In 1932 werden mij even vóór en tijdens de behandeling van het toenmalige 'wetsontwerp

slaapmiddelen

ter hand gesteld als somnifeen, allonal en dial, welke beide laatste op de U.A.lijst met een sterretje staan aangegeven als teken, dat ze schadelijk zijn, middelen, die bij apothekers gekocht en dooi dezen zonder recept afgeleverd waren. En dit gebeurt nog. Het sonéryl bijv., ook een slaapmiddel, dat op de U.A.-lijst voorkomt, is in de apotheek te verkrijgen zonder recept, niettegenstaande de artsen er sterk tegen zijn om het zonder recept verkrijgbaar te stellen.

Aan de drogist is het afleveren van dergelijke slaapmiddelen echter ten strengste verboden. Niet bij de wet, maar door een onderlinge overeenkomst tussen de drogisten en de bona fide fabrikanten en handelaren, die in 1928 een vereniging stichtten onder de naam van „Vereniging ter behartiging van Pharmaceutische Handelsbelangen". De apothekers maakten er maar zeer kort deel van uit. In 1931 bedankten zij, in verband met het toen aanhangige wetsontwerp, voor het lidmaatschap.

De samenwerking tussen de drogisten en hun leveranciers bleef echter bestaan tot op de huidige dag en daarmede ook de zogenaamde U.A.-lijst, die voortdurend werd uitgebreid, zodat ze nu wel circa

5 a 6000 artikelen

omvat, welke door de groothandel niet aan de drogisten worden afgeleverd en die deze ook niet aan het pubHek mogen afleveren.

Tot de U.A.-artikelen behoren in ieder geval ook alle sterkwerkende homoeopatische geneesmiddelen, alle hormoonpreparaten en bijvoorbeeld abortieve middelen, zoals bijvoorbeeld apiol, dat echter weleer in de apotheek ook al zonder recept afgeleverd werd.

En hiermede is van de genoemde overeenkomst tussen de drogisten en hun leveranciers nog niet alles gezegd. Er bestaat namelijk ook toezicht op de naleving van deze overeenkomst. Een drogist, die in strijd hiermede toch U.A.artikelen verkoopt, komt voor de Commissie voor de Rechtspraak. Bovendien worden de ca. 6000 verkocpplaatsen geregeld gecontroleerd, waarbij er door de •(Hitroleurs op toegezien wordt, dat de geneesmiddelen goed zijn opgeborgen en dat ze in deugdelijke toestand verkeren. Aan deze uit het

parKculier initiatief

voortgesproten regeling, welke met groot succes heeft gewerkt en een chaos op het gebied der geneesmiddelenvoorziening heeft voorkomen, dreigt nu een einde te worden gemaakt, indien dit wetsontwerp ongewijzigd het Staatsblad zou bereiken.

Wij kunnen het verstaan. Mijnheer de Voorzitter, dat dit voor de drogisten, die alles in het werk hebben gesteld om de drogistenstand op te werken, o.m. ook door het instellen van het drogistendiploma, een hard gelag is en dat zij dit v/etsontwerp, indien het ongewijzigd tot wet zou worden verheven, als een slag in het gezicht gevoelen.

Van apothekerszijde is kortgeleden in de pers het bericht verspreid, dat de vakopleiding van de drogist nagenoeg waardeloos is wegens de korte duur daarvan. Wanneer men echter bedenkt, dat de exameneLsen voor het drogistendiploma ongeveer gelijk zijn aan de eisen voor het examen van apothekersassistent, dan blijft er van die bevi'ering niet veel over. Men versta ons wel. Mijnheer de Voorzitter!

Wij miskennen de apotheker niet.

Integendeel, wij waarderen zijn taak met het oog op geneesmiddelenvoorziening ten zeerste. Alle geneesmiddelen, die op doktersrecept worden voorgeschreven, behoren door de apotheker afgeleverd te worden. Wanneer door hem echter allerlei verpakte geneesmiddelen zonder recept worden verkocht, vragen wij ons af, waarom anderen dan apothekers dit ook niet mogen doen, daar het toch zó gesteld is, dat niet één apotheker het verpakte geneesmiddel, dat hij aflevert, eerst onderzoekt. Hij levert het af, zoals hij het van de groothandel of de fabrikant geleverd krijgt, zodat het er uit het oogpunt der volksgezondheid helemaal niets toe doet, of nu een verpakt geneesmiddel door een apotheker of door een drogist wordt verkocht. Het zou dan ook veel beter zijn, wanneer er in plaats van twee lijsten, een U.R.-lijst en een U.A.-lijst, slechts één lijst zou komen, namelijk een

U.R.-lijst,

aangevend de geneesmiddelen, welke uitsluitend op recept mogen worden afgeleverd. Alle geneesmiddelen, die hierop niet voorkomen, zouden zowel door de apothekers als door de drogisten mogen worden afgeleverd. Op die manier zou er sprake zijn van het dienen van het belang der volksgezondheid en niet slechts van het belang van één der beide genoemde groepen: de apothekers. Dat het economisch belang van de apotheker bij dit wetsontwerp een voorname rol speelt, is onder meer ook de mening van prof. van Bemmelen, die zich dienaangaande op blz. 6 van zijn geschrift als volgt uitlaat: '

„Men kan zich niet onttrekken aan de indruk, dat de minister — voorgelicht door apothekers — althans de inogelijkheid heeft willen scheppen om de gehele handel in geneesmiddelen weder in handen van apothekers te leggen, om de drogisten in principe hiervan uit te sluiten en vervolgens weer aan drogisten (en misschien ook aan kruideniers, maar dat is dan „betwistbaar") de handel in de allersimpelste verpakte geneesmiddelen (zoals bijvoorbeeld asperine) over te laten".

Mijnheer de Voorzitter! De indruk, door prof. van Bemmelen vertolkt, leeft bij velen, die zich met deze materie in mindere of meerdei-e mate hebben beziggehouden. Vanzelf ook bij de drogisten, die niet ten onrechte in dit wetsontwerp een nieuwe poging zien om hen inzake de geneesTniddelenvoorziening zo ver mogelijk naar achteren te dringen. De minister toch heeft het tot hem in het Voorlopig Verslag gerichte verzoek om de drogisten in het wetsontwerp op te nemen, hun daarin een „status" te verlenen door het begrip „drogist' daarin te omschrijven, finaal afgewezen. Ongeveer

6300 middenstanders,

waarvan er ongeveer 2200 in het bezit zijn van het vakdiploma drogist of van 't getuigschrift van apothekersassistent, voorts 1100 drogisten zonder vakdiploma of getuigschrift, doch die op grond van jarenlange praktische ervaringen als drogist aan te merken zijn, en ongeveer 3000 kleinhandelaren, veelal kruideniers ten platteland©, die in verband met de ligging van hun zaak als drogist erkend zijn, ten einde te voldoen aan de behoefte aan verkoopplaatsen van eenvoudige geneesmiddelen, dreigen door deze afwijzende houding van de minister min of meer in hun bestaan getroffen te worden, al naar gelang hun omzet in geneesmiddelen bedraagt. De minister stelt zich op het standpunt, dat iri de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, uit een oogpunt van gezondheidszorg, geen verdere beperkingen aan de kleinhandel in verpakte niet-U.A.-geneesmiddelen behoeven te worden opgelegd dan de Vestigingswet Bedrijven 1954 reeds doet of in de toekomst zal doen. Dit betekent dus, dat het naar het oordeel van de minister geen volksgezondheidsbelang is, wie voortaan niet-U.A.-geneesmiddeïen verkoopt.

Ieder, die voldoet aan de eisen van de

Vestigingswet,

zal dan geneesmiddelen, die niet op de U.A.-lijst voorkomen, mogen verkopen, zonder dat daarop ook maar enige controle wordt uitgeoefend, zodat er ten aanzien van deze geneesmiddelen niet de minste waarborg inzake deugdelijkheid zal bestaan. De minister heeft toch niet onduidelijk te verstaan gegeven, dat hij van controle op deze geneesmiddelen niet weten wil. De desbetreffende geneesmiddelen vallen volgens hem buiten de volksgezondheidssector en raken hem dus niet. Wij kunnen het standpunt, dat in deze door de minister wordt ingenomen, allerminst delen. Het mag toch voor de minister geen onverschillige zaak zijn of de afgeleverde geneesmiddelen zich in deugdelijke, onbedorven toestand bevinden, zodat de volksgezondheid hierbij wel terdege beti-okken is. Naar ons oordeel komt het er dan ook wel terdege op aan, door wie de geneesmiddelen, welke buiten de U.A.-lijst vallen, verkocht zullen worden en aan welke eisen de inrichtingen, waar deze geneesmiddelen bewaard worden, voldoen. Ook de wijze, waarop de kleinhandel in deze geneesmiddelen wordt gedreven, achten wij van igroot belang. Op één en ander kan onzes inziens een goede controle niet worden gemist, daar het hier zonder enige twijfel een aangelegenheid geldt, welke de

volksgezondheid

raakt. Het feit, dat de minister dit niet erkennen wil, is dan ook oorzaak van de grote beduchtheid, welke er in de kringen der drogisten bestaat, namelijk deze, dat de U.A.-lijst een zodanige omvang zal krijgen, dat er voor anderen dan apothekers maar heel weinig meer overblijft. Als dit echter het geval zou blijken te zijn, zou dit wel in flagrante strijd zijn met de in de Memorie van Toelichting gedane toezegging, dat er niet ruw zal worden ingegrepen in bestaande en gegroeide verhoudingen. Als de minister dit echter werkelijk van plan is, laat hij dan ook tonen, dat het hem met deze uitspraak ernst is door aan de drogisten een status in de wet toe te kennen.

Dit zou de minister kunnen doen door tegenover het betreffende amendement, dat door de heer Bachg reeds in den brede is toegelicht en waaraan wij mede onze steun verleend hebben, een welv/illende houding aan te nemen. Door aanneming van het betreffende amendement toch zou aan de gerechtvaardigde verlangens der drogisten voor een groot deel worden voldaan, zou tevens, wat voor ons van zeer grote waarde is, hetgeen door

particulier initiatief

tot stand gekomen is wettelijke sanctie verkrijgen. In het wetsontwerp, zoals het voor ons ligt, is hiervan geen sprake. Daarin wordt hetgeen door het particulier initiatief tot stand gebracht is, niet erkend, doch veeleer afgebroken. Het door ons voorgestane beginsel verbiedt ons daaraan mede te werken, zodat wij aan de totstandkoming van dit wetsontwerp onmogelijk onze medewerking zouden kunnen geven, indien het geen wijziging onderging in de geest als onzerzijds is bepleit.

Ofschoon over dit wetsontwerp nog heel wat meer te zeggen zou zijn — bijv. over het recept, dat volgens artikel 8 van de wet, regelende de uitoefening der geneeskunst, door geneeskimdigen of verloskundigen geparafeerd of ondertekend moet zijn, doch volgens het onderhavige ontwerp geen paraaf of ondertekening behoeft, met het gevolg, dat, als een verloskundige op een briefje aflevering vraagt van artikelen, welke bij de babyverzorging behoren, deze door anderen dan apothekers zelfs niet meer geleverd zouden mogen worden — zullen wij hiervan afzien en het dus hierbij laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

De Geneesmiddelenwet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken