Bekijk het origineel

Een donker financieel vooruitzicht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een donker financieel vooruitzicht

4 minuten leestijd

De opbrengst van de invoerrechten, accijnzen en andere dusgenaamde niet-kohierbelastingen is in de eerste twee maanden van dit jaar omstreeks ƒ 75 müjoen beneden de raming gebleven, dat is, berekend op een jaarbasis, ongeveer ƒ 430 miljoen.

Nu is het wel waar, dat deze opbrengst over twee maanden nog niet zo veel zegt voor het gehele jaar, omdat deze daling door tijdelijke en niet blijvende oorzaken, onder meer omdat de daling van de opbrengst aan invoerrechten door een tijdelijke vermindering van voorraden sterk beïnvloed kan zijn.

Desniettemin staat het vast, dat als de nog komende tien maanden het zelfde verloop zouden hebben als het vorige jaar, er in vergelijking met de begroting toch nog een tekort van omstreeks ƒ 200 miljoen zou zijn.

Hierbij disnt daarenboven nog in aanmerking genomen te worden, dat de begroting van 1958 een tekort aanwees van ruim ƒ 600 miljoen, waarbij nog komt, dat er door het Rijk belangrijke uitgaven zullen moeten worden gedaan, waarin in de begroting niet voorzien was. Zo zullen de werklooshejdsbestrijding, steun aan uit Indonesië gerepatriëerden, verhoging van ambtenarensalarissen en de extra-uitgaven door het verwachte grotere tekort op het Landbouwegalisaiefonds, naar schatting van financiële kringen minstens ƒ 300 miljoen vragen, zodat een tekoij van ƒ 1 miljard zeer wel mogelijk is.

Nu is er van socialistische zijde belastingverhoging bepleit. Doch daar zal al een heel zware wijs op gaan. De zo hoge lasten en belastingen drukken toch al zo zwaar op partikulieren en niet minder op tal van bedrijven, zodat er eerder aan verlaging van lasten en belastingen gedacht dient te worden dan aan verhoging. De regering heeft tot dusver ook geen verhoging van lasten en belastingen aangekondigd. Zij schijnt de belastingdruk zelf welletjes te vinden. De minister-president Dr. Drees heeft toch zelf verklaard, dat de belastingen hoog zijn. Doch zekerheid, dat de lasten en belastingen tenslotte toch nog niet verhoogd zullen worden, bestaat er niet, omdat de huidige minister van Financiën, de heer Hofstra, er steeds rondweg voor uitgekomen is, dat hij een voorstander is van zo hoog mogelijke belastingen mede met het doel de maatschappij te veranderen in de door hem gewenste richting.

Dezer dagen heeft deze minister bij de behandeling van de begroting van het Gemeentefonds voor 1958 in de Eerste Kamer verklaard, dat het jaar 1959 financieel een moeilijk jaar voor ons land en zijn gemeenten zal worden. Hij wees er hierbij op, dat de opbrengst van de invoerrechten in januari-februari van dit jaar tegenover die van 1957 achteruitgelopen zijn en dat voor de maand maart van dit jaar een zelfde tendentie waai'neembaar is, waarmede hij bevestigde wat wij reeds over een tekort hebben geschreven. De gemeenten — zo zeide hij — verkeren in een minder slechte positie dan het Rijk, voor zover zij voor de alalgemene uitkering uit het Gemeentefonds geen vermindering hebben te duchten, waaraan hij voorts toevoegde, dat op de gemeenten de plicht rust onder de gegeven omstandigheden toe te komen met de beschikbare gelden, en dat de gemeentebesturen er verstandig aan zullen doen hun uitgaven aan de voorzichtige kant te houden.

Over de zo hoge uitgaven van het Rijk sprak minister Hofstra niet. Daarover valt anders heel wat te zeggen. Deze uitgaven, waarop bij de samenstelling van de begroting van 1958 vrijwel niets is besnoeid, behoren beslist omlaag gebracht te worden. Dat is noodzakelijk, dringend noodzakelijk zelfs, willen er financieel bezien, geen hoogst ernstige dingen voor ons land plaats vinden. Aan het smijten met het geld dient onvoorwaardelijk een einde te komen. Ën dit niet alleen. B'ivendien behoort op de zo geklommen staatsuitgaven een ingrijpende besnoeiing te worden aangebracht. Dit is, al moge het voor de regering geen aangename zaak zijn, noodzakelijk, dringend noodzakelijk zelfs. Er is op een niet te verantwoorden wijze door de ministeries met de geldmiddelen omgesprongen. Daarvan leggen onder meer de zo vele en rijke subsidies, welke zij aan allerlei instellingen toeksnde, waarvan vele voor ons volk zelfs schadelijk waren, een onwedersprekelijk getuigenis af.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958

De Banier | 7 Pagina's

Een donker financieel vooruitzicht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958

De Banier | 7 Pagina's

PDF Bekijken