Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXLIII. Mr. Groen van Prinsterer, het kerkelijk vraagstuk en de S.G.P. Uit redes van Ds. Kersten. Zoals wij onlangs reeds aangekondigd hebben, zullen wij thans overgaan tot het behandelen van een ander onderwerp, waaraan de naam van mr. Groen Tan Prinsterer zeer nauw verbonden is. Het heeft betrekking op de kerk in ons vaderland en is derhalve van uiterst groot gewicht. En dat niet slechts voor hen, die tot één bepaalde kerkfoimatie behoren, ook niet waimeer men onder die hen alleen verstaat degenen, die de gereformeerde belijdenis van harte onderschrijven, maar voor allen, die van de gereformeerde gezindte zijn, onverschillig tot welke kerkformatie zij behoren, wanneer men zich althans niet op het verheven standpunt stelt van: „Des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze". Mochten er deze in ons land bestaan, en naar ons gevoelen zijn die er zeker, dan moeten wij dezulken buiten beschouwing laten. Van de leden der S.G.P. hebben wij echter nimmer de indruk gekregen, dat zij zich op dit standpunt stellen. Met erkenning van eigen kerkelijk standpunt hebben wij toch onder hen meermalen horen vertolken, dat de grote verdeeldheid, welke zich heden ten dage op het kerkehjk erf voordoet, voor hen een zaak is, welke tot grote droefheid behoort te stemmen en ook inderdaad velen tot droefheid stemt. Bij dit gevoelen kunnen vvij Ons van geheler harte aansluiten. Inderdaad stemt het tot weemoed en is het Ker te betreuren, dat de kerk der reformatie, die door God Zelf in ons land is geformeerd en ten koste van bloed en tranen is gebouwd, in stukken gebroken ligt. En dat niet in twee stukken, maar in een groot aantal stukken, tervvijl toch elk dier delen zich stelt op de basis der Nederlandse Geloofsbelijdenis. Vanzelfsprekend gaan wij niet in op de verschilpunten, welke door de vertegenwoordigers dier onderscheidene kerkformaties ter verdediging en ter recht­ vaardiging van hun standpimt worden aangevoerd. Indien wij dit zouden gaan doen, zouden wij ons op een terrein begeven, dat in „De Banier" als staatkundig orgaan niet betreden mag worden. Gehjk in haar naam reeds tot uiting komt is de S.G.P. een staatkundige partij, een partij dus, welke zich op staatkundig terrein beweegt, zich met staatkundige vraagstukken behoort bezig te houden en dus niet mag treden op het terrein, dat door de kerk behoort bestreken te worden. Zij is voorts een interkerkelijke partij, welke allen verenigt, die de beginselen der reformatie

zijn toegedaan en die beginselen, als zijnde gegrond op Gods Woord, tot richtsnoer wenst te zien gesteld voor de regering van ons land, van provincie en gemeente. Kerkelijke verschilpunten en kerkelijke geschillen behoren alzo door haar niet te worden behandeld en behoren ook van de kiesverenigingen te worden geweerd. Nu is er wel eens beweerd, dat van een werkelijke betekenis der S.G.P. tot heü van ons volk nooit sprake kan zijn, als zij niet eerst het vraagstuk van de kerk met bloedige ernst betracht.(i) Heel duidehjk was deze bewering overigens niet en het zou ons ook te ver van ons eigenlijke onderwerp afleiden, wanneer wij in dit verband er nader op in zouden gaan. Het zou echter geheel in strijd met de waarheid zijn, wanneer hiermede bedoeld zou zijn, dat de S.G.P. zich om het vraagstuk van de kerk nimmer heeft bekommerd, zich daarover ook thans niet bekommert en zich nimmer daarover heeft uitgesproken. Het staat toch onwedersprekelijk vast, dat de S.G.P. zich dit vraagstuk wel degelijk heeft aangetrokken en meer dan eens haar standpunt te dezer zake heeft bekend gemaakt. Wij willen er ook thans nog weer eens de volle nadruk op leggen, dat het vraagstuk van de kerk voor de S.G.P. geen onverschillige zaak is en ook niet mag zijn, doch een zaak, welke haar zeer ter harte behoort te gaan en ten aanzien waarvan zij wel degeUjk een taak heeft in zoverre nameUjk dit vraagstuk in het staatkundige vlak ligt. En zoals zoeven reeds werd aangegeven, heeft de S.G.P. haar taak ten deze verstaan. Ruim dertig jaar geleden reeds, toen ds. Kersten nog als eenhng in de Tweede Kamer voor de S.G.P. zitting had. Ten bewijze hiervan vestigen wij de aan­

dacht op een rede van ds. Kersten, door hem gehouden bij de Algemene Beschouwingen over de Rijksbegroting op 14 februari 1924. Na eerst enkele andere onderwerpen te hebben behandeld, sprak ds. Kersten in zake het kerkelijk vraagstuk, zonder hierop in den brede in te gaan, omdat hij zich bij deze Beschouwingen tot algemene opmerkingen moest beperken, als volgt: „Zonder het kerkelijk vraagstuk hier thans opzetteUjk te behandelen, ontving ik gaarne van de regering een verklaring omtrent haar bereid zijn één schiede te zetten op de weg, die mede leiden kan tot vrijmaking der Ned. Hervormde Kerk van het haar onwettig opgelegde juk der synodale organisatie. De organisatie heeft de plaatselijke kerk van haar naar het aloud gereformeerd recht toekomende zelfstandigheid beroofd. De regering nam ten vorigen jare het standpunt in, dat de kerk vrij is, haar interne aangelegenheden zelf te regelen en de tegenwoordige minister van Financiën het zich bij de begrotingsdebatten uit in een zin, die mij mag doen verwachten, dat hij niet wenst mede te helpen aan het voortbestaan, van onrechtvaardig aangelegde banden. Een kleine stap in de goede richting zou m.i. worden gezet, zo de regering van de erkerming der plaatsehjke kerk blijken deed door haar rechtstreeks de haar toekomende toelagen te doen geworden, met terzijdestelling van het synodaal bestuur. Ik heb hoop op een herleving van onze oude Nederlandse kerk, als haar kluisters wegvallen en die herleving acht ik voor geheel ons volk en voor de doorwerking der ware beginselen van het grootst© belang". Tot zover wat ds. Kersten bij de Alg. Besch. in 1924 in de Tweede Kamer in zake het vraagstuk van de kerk in het kort naar voren bracht. Bij de behandeling van hoofdstulc VII B der zelfde Rijksbegroting, kwam ds. Kersten op deze gewichtige aangelegenheid nader terug. Na eerst herinnerd te hebben aan een uitspraak van de toenmalige minister van Financiën bij de behandeling van een vorige Rijksbegroting vervolgde ds. Kersten: „Mijnheer de Voorzitter! Warmeer ik op dat kerkelijk vraagstuk de aandacht vestig, dan is dat, ik erken het openlijk, met de speciale bedoeling, dat ik het belang beoog van de Ned. Hervormde Kerk. De ellende, die in het midden van haar heerst, een ellende, die zich verspreid heeft over heel het kerkehjk leven in ons vaderland, is m.i. niet los te maken van het synodale juk, dat onrechtmatig haar is opgelegd, dat haar kracht brak en haar groei belemmert. Het is niet alleen om die kerk op zichzelf, dat ik zo over dit vraagstuk spreek, maar om de grote waarde, die ik aan de kerk toeken, ook voor heel het nationale leven. Nu wilde ik van de regering vragen, om niet te bevorderen, dat deze anti-gereformeerde dwang blijve". Wij zien ons genoodzaakt hier te moeten afbreken, daar wij anders te veel plaatsruimte zouden innemen. Het zal de lezer echter wel reeds overduidelijk zijn geworden, dat de S.G.P. wel degelijk het vraagstuk van de kerk behartigd heeft, gelijk ook in het vervolg D.V. nog nader zal worden aangetoond. 1) Wapenveld, Nov. 1956, blz. 19. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken