Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking

10 minuten leestijd

Maar al deze dingen, van het Ucht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is Ucht. Efeze 5 : 13

Hoe zeer heeft een iegelijk mens licht van node om zijn onvruchtbare werken der duisternis te leren kennen en om Code welbehagelijk te zijn! Vele zijn dan ook de gebeden der kinderen Gods, zoals de Heilige Schrift ons die vermeldt, om licht. Om er uit de vele van Gods Woord maar één te vermelden: „Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot de berg Uwer heiligheid en tot Uw woningen". Het Goddelijke licht is zulk een grote gave en van zulk een uitnemende waarde, dat de hogepriester des Ouden Verbonds in zijn zegenbede Israël toewenste: „De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig". Dit licht daalt toch van de Vader der Jicüten, van de croon des Alleihoogstcii Zelf af.

Wat nu maakt dit licht openbaar en bestraft het? Wel, onze bodemloze val, onze totale bondsbreuk in ons stamhoofd Adam en onze daaruit voortgekomen vijandschap tegen en vervreemding van de levende God. Onze natuurlijke staat voor God is daardoor geworden die van een dorre woestijn en huilende wildernis. Men zoeke naar iets dat Gode leeft, naar iets dat Gode welgevallig is in de mens; men stelle bij hem een onderzoek in naar de lust en de liefde om Gode met zijn ganse hart en al zijn krachten te dienen; men zie bij hem om naar de kinderlijke vreze Gods en het kinderlijk vertrouwen op God; men vrage bij hem naar de rechte ootmoed en nederigheid jegens God; men zoekt het tevergeefs bij de natuurlijke mens, want het is met hem 10 gesteld, dat hij in hoogmoed Gode gelijk wil zijn. Men vrage bij hem naar het hoe langer hoe liever der Goddelijke gegemeenschap, naar de kracht en de aandrang om naar Gods wet te leven en Gods wil te betrachten, naar hemelsgezindheid en het zoeken van de dingen, die boven zijn; ach, men zal er tevergeefs naar zoeken en vragen. Het is er niet. Niet het betrachten van Gods eer, hetzij dat hij eet, hetzij dat hij drinkt, hetzij dat hij iets anders doet; maar het zoeken van eigen eer, welzijn en belang is bij hem te vinden. Met sprekende daden betoont hij met zijn gedachten, woorden en werken, dat hij aan de kennis van Gods wegen geen lust heeft. O, het is in bewoordingen niet uit te drukken hoe zeer de schone hof van de oorspronkelijke staat, waarin God de mens schiep, verwoest is. Gods gebod Overtredende, heeft de mens zich gebracht in de zo ontzettende staat van de geestelijke dood. Dood door de misdaden en de zonden, zo beschrijft ons God, Die ons hart kent en onze nieren proeft, de natuurlijke mens. Dit is al heel erg en tevens vreselijk. Doch het is nog erger en vresehjker, dewijl de Heere ons in Zijn Woord tevens als dood in zonden en misdaden beschrijft. Ach, ach, het is zo onuitsprekelijk erg en vreselijk, dat de staat des doods zijn element geworden is, dat hij de dood verkiest boven het leven en de duisternis boven het Licht. Een vis kan niet zonder water, een vogel niet zonder de lucht, en een mens niet zonder de zonde. Het is zo jammerHjk gesteld met hem, dat al wat hij wü. God niet wil, en al wat God wü, hij niet wil. Want het bedenken des vleses is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich de wet Gods niet, want het kan het ook niet.

En nu zijn er nog wel dio-de^-wacirheid verstandelijk toestemmen, en ook die met hun kennis er van heel wat geworden zijn en er zelfs prat op gaan, maar de ware kennis er van ontbreekt hun. Want slechts het licht des Heiligen Geestes openbaart ons deze waarheid en bestraft onze jammerlijke staat bovendien. Zonder dat licht zijn het slechts woorden en klanken, die men over de zonde en ellende uitspreekt; door dat licht worden het zaken, wezenlijke daadzaken. Daardoor wordt ons onze zonde en ellende tot een last, tot een ondragelijke last, tot de dood, een oorzaak van hartelijk en oprecht leedwezen. Daardoor krijgen wij de _ zonde te haten en te ontvlieden. Daardoor komen wij schuldig voor God te staan en worden wij over onze zonde met een heihge onrust vervuld, komen wij ook op de zielsknieën en belijden wij oprecht en ootmoedig onze zonden voor God. Hoe meer dat licht ons bestraalt en in onze harten afdaalt, des te meer zullen wij aan eigen gerechtigheid en aan alle schepselsgerechtigheid sterven en vergeving van zonden bij en van God zoeken te verkrijgen. In deze weg wordt Christus ons tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing, heerlijk en begeerlijk, noodzakelijk en onmisbaar, dierbaar en gepast, ja algenoegzaam als de enige en volkomen Zaligmaker. O, welk een gezegend hcht is het licht des Heiligen Geestes, dat onze dood- en doemwaardigheid openbaart en ons bekend maakt met het ongeloof, waarin wij verzonken liggen. Het is het ongeloof, waardoor de wereld verloren gaat en de hemel en de hemelsgezindheid uit de harten der gelovigen gebannen worden. Ach, welk een vreselijke macht is het ongeloof! Hoe wordt dit toch ook in de harten der gelovigen aangetroffen. Hoe menigmaal zijn de gelovigen over hun ongeloof te bestraffen, evenals de Em­ maüsgangers, tot wie Christus sprak: „O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!" Slechts het Goddelijk licht maakt, dat de gelovigen hun ongeloof leren kennen en daarover klagen en kermen, en zij de Heere heüig lastig vallen en smeken om geloof en zich tot Hem wenden met de oprechte smeekbede: „Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp en vermeerder ons het geloof'.

En evenals het licht des Heiligen Geestes het ongeloof aan de gelovigen openbaart en bestraft, zo ook hun hoogmoed. Het is toch de hoogmoed, welke de mens Code gelijk wüde doen zijn, ja Hem miskent en van de troon staat, dat hij zich in eigen wijsheid ver boven de alleen wijzg God stelt en tegen Diens doen en laten/'Zijn handelingen met hem, wanneer deze hem niet naar de zin zijn, murmureert en Hem, de Rotssteen des rechts, zelfs van onrecht beschuldigt. Een veer heeft nog wind van node om de hoogte in te gaan, doch de mens doet dit krachtens zijn zondige en verdorven aard vanzelf wel. Hij is toch in de hoogmoed gevallen en kan zichzelf daar nimmer uit oprichten. Welke scherpe doornen heeft de Heere soms te gebruiken om h^ daarvan te bevrijden! Men denke maar aan Paidus, één der meest begenadigden en geheiligden der mensen, die ooit op aarde hebben geleefd. Hij schrijft: „En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doom in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierom heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij wijken zou, en Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht". Gelijk nu een iegelijk mens door het licht des Heiligen Geestes alleen zelfkennis bekomt, zo heeft hij daardoor ook slechts Codskennis verkregen. Hij moge al hoog opgeven van Gods rechtvaardigheid en heiligheid, doch een wezenlijke kennis heeft hij daar niet van. Geheel anders wordt het met hem wanneer het licht des Heiligen Geestes in hem opgaat. Dan krijgt hij kermis van Gods recht als Schepper, Wetgever en Weldoener, op hem. Dan leert hij zich kennen als een man van onreine lippen en spreekt hij het wee over zichzelf uit. Dan wordt het bij hem: „Zo gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan? " Dan wordt hij onder Gods recht een verlorene, één bij wde het onmogelijk is ooit zaHg te worden.

En toch zal Sion door recht verlost worden. Dat zulks mogelijk is, daarvoor heeft God üi Zijn oneindige en ondoorgrondelijke wijsheid en liefde zelf gezorgd. Hij heeft de Verlosser en Zaligmaker Zelf verordend en gezalfd en de verlossing en zaligheid Zelf bereid, en dit in het bloed van Zijn eigen geliefde Schootszoon. Deze toch heeft hier op aarde Gods heilige wet vervuld, aan Zijn strafoefenende gerechtigheid volkomen betaald en de last van Gods oneindige toom tegen de zonde in lichaam en ziel gedragen en voor al de Zijnen weggedragen. Hij, Die geen zonde gekend of gedaan heeft, heeft God aan het krais tot zonde en vloek gemaakt, opdat zondaren gezahgd, goddelozen gerechtvaardigd ea vijanden door Zijn dood met Hem verzoend zouden worden. O, welk een het begrip van mensen en engelen ver te boven gaande Hefde is toch de liefde des Vaders, in de zending en overgave van Zijn Zoon betoond! En het is door het licht van Gods Geest en Woord, dat allen, die met Codskennis en zelfkennis begiftigd worden, vurig begeren in deze liefde te mogen delen, en dat zij, wanneer Christus als hun Zaligmaker aan hun harten toegepast wordt en zij Hem als zodanig met de armen huns geloofs mogen omhelzen, een vrede mogen smaken, welke alle verstand te boven gaat. Ja, door Goddelijk licht geleid, zullen dezen aankomen — wat geen zonde, geen wereld, geen duivel en ook zij zelf niet kunnen keren — bij God ia Sion, om aldaar een zaligheid te genieten, welke, groot en oneindig als zij is, geen oog gezien, geen oor gehoord heeft en in de gedachte van enig mens nooit is opgekomen. Wat een dierbare waarheid is het, dat Gods licht de duisternis niet alleen openbaart, maar ook verdrijft! Welk een schat aller schatten is dit licht, dat ons de on- vruchtbare werken der duisternis openbaart, doet haten en verlaten en ons naar Gods geboden te Zijner eer doet leven en ons in doet gaan in de eeuwige vreugde des Heeren, ter plaatse waar geen nacht en duisternis meer zullen zijn. Mijn lezers, dat gij eens waarlijk met zielsverlangsn uit moogt zien. naar dat licht. Het is toch het licht, waarin wi] alleen het licht zien. Velen zijn degenen, die zichzelf als verlichte mensen aandienen en aangediend hebben, doch wat zij in werkehjkheid doen en gedaan hebben, is niet anders - dan de duisternis te vermeerderen, de ellende voor zichzelf en hun tijdgenoten en nazaten maar te vergroten. Neen, neen, van de mensen, al zijn zij nog zo geleerd of ook zelfs alleszins godsdienstig, is het licht niet te ver­ wachten. Doch alleen van Hem, Die naar waarheid kon getuigen: „De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart; om de gevangenen te prediken loslating en de blinden het gezicht; om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren". Och, dat Hij, mijn lezers, u heerlijk en begeerlijk, noodzakelijk en onmisbaar, dierbaar en gepast, algenoegzaam als Zaligmaker mocht worden Van Zijn troon gaat het woord uit: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer . Delft Z.

Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1958

De Banier | 8 Pagina's

Stichtelijke overdenking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken