Bekijk het origineel

Uit het eigen land

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit het eigen land

7 minuten leestijd

In de laatste tijd zijn er dingen voorgevallen en hebben er zich tekenen voorgedaan, waaruit men zou kunnen opmaken, dat er op staatkundig terrein in ons land een grote verandering ten aanzien van de partijverhoudingen en de samenstelling van de regering op komst is. Velen hopen daar ook op en wensen zulks. Onder meer zijn het de liberalen en ook de anti-revolutionairen, die dit begeren. In het laatst gehouden partijkonvent van de A.R.P. werd dit door onderscheidene vooraanstaande A.R. openlijk uitgesproken. Daarin trad wel heel duidelijk aan de dag, dat zij het huidige ministerie- Drees moe zijn en zij er allerminst om zouden treuren indien dit ministerie tot aftreden gedwongen werd.

Dat zulks echter zal geschieden — althans voorlopig niet en mogelijk zelfs vóór 1960 niet — daarop bestaat, afgaande op de rede, welke Prof. C. P. M. Romme, voorzitter van de Tweede Kamerfra'ktie der K.V.P., op laatst gehouden partijvergadering dier partij hield, weinig kans. Deze toch verklaarde in zijn rede geen breuk te wensen in de samenwerking met de Partij van de Arbeid. Hij zeide, dat hij niet graag zou afgaan op een likwidatie van de medewerking met de socialisten. Mocht het anders lopen, dan zullen wij die situatie, aldus prof. Romme, niet schuwen, maar dat is iets anders dan er op afgaan. Dat zou onverstandig en niet in 's lands belang zijn. Met betrekking tot de kwestie van de bezitsvorming verklaarde prof. Romme te wallen betalen een prijs van geleidelijkheid, maar niet een prijs van stilstand. Hij merkte hierbij tevens op, dat het departement van minister Hofstra ook mede verantwoordehjkheid heeft voor de bezitsvorming. In minister Struycken en in de staatssekretaris Sohmelzer had hij alle vertrouwen, maar het vertrouwen in voldoende medewerking van het kabinet werd volgens hem langzaam aan meer en meer op de proef gesteld. Betreffende de samenwerking met de socialisten verklaarde prof. Romme nog nader, hebben wij in de Kamer nogal eens botsing met de socialistisch© Kamerleden, waar tegenover staat, dat wij elkander ook nogal eens gevonden hebben, met ais gevolg, dat een aftreden van het ministerie-Drees is voorkomen.

In dit verband besprak prof. Romme de kwestie van het enige malen uitspreken van het , , onaanvaardbaar" door de regering, waarover de kring Amsterdam van de K.V.P. een brief aan het partijbestuur had gezonden en waartegen op het partijkonvent van de A.R.P. scherp verzet aan het licht was gekomen. Professor Romme oordeelde, dat dit verzet overdreven was en door de feiten niet gerechtvaardigd was. Sinds oktober 1956 had van achter de regeringstafel het „onaanvaardbaar" negenmaal geklonken. De gevallen moeten volgens prof. Romme gesplitst en vooral onderscheiden worden: in één groep zijn samen te vatten de gevallen, waarin verband bestaat met een kabinetskrisis, in een andere groep behoren de gevallen, waarin gedreigd wordt met het intrekken van een wetsontwerp. Het „onaanvaardbaar" met als inzet intrekking van een wetsontwerp staat volgens prof. Romme buiten de aanhangige kwesties. Een zodanige onaanvaardbaarverklaring is viermaal voorgekomen en de professor zag ten aanzien van deze vier onaanvaardbaarverklaringen geen redelijke mogelijkheid tot bedenking. Het „onaanvaardbaai'" met een krisisdreiging op de achtergrond heeft vijfmaal geklonken. In het geval van de Huurwet was naar prof. Romme's opvatting het gelijk ten volle aan de zijde van de regering, omdat er bij de kabinetsformatie overeenstemming — een overeenstemming, waarin prof. Romme, gelijk algemeen wordt aangenomen, sterk d.e hand heeft gehad — over deze aangelegenheid was bereikt. Deze overeenstemming heeft echter in en buiten de Kamer geduchte tegenstand ontmoet. Daar is toch een ware koehandel bij gedreven waarbij de verhuurders van hun rechten en gelden zijn beroofd. Hadden de K.V.P. en de P.v.d.A. zich voor de Huurwet niet bij de kabinetsformatie aansprakelijk gesteld, dan was de Huurwet niet aangenomen; te meer niet waar de huurverhoging met een vierde veel beter met geringere verhogingen tot stand had kunnen worden gebracht; verhogingen, welke dan geheel ten bate van de verhuurders zouden zijn opgebracht en niet voor de helft aan het rijk zouden zijn vervallen, en ook voor de huurders meer en beter aanvaardbaar zouden zijn gewenst.

Ten opzichte van de bestedingsbeperking en de daarmede samenhangende maatregelen aangaande de landbouw ei'kende prof. Romme, dat deze niet op een voorafgaande overeenstemming bij de kabinetsformatie berusten. Hierbij was ook het „onaanvaardbaar" door de regering uitgesproken, doch de zienswijze, zoals die op het partijkonvent van de A.R. tot uiting was gekomen, namelijk dat daardoor de politiek was doodgedrukt, deelde prof. Romme allerminst. Hij noemde deze uiting ongegrond en schromelijk overdreven. Desniettemin was prof. Romme van mening, dat er een teveel aan onaanvaardbaarverklaringen van achter de regeringstafel geklonken had. Alles bijeengenomen valt uit de rede van prof. Romme te konstateren, dat de krakende wagen der regering vooreerst nog •wel een tijdje zal doorrijden en mogelijk zelfs nog wel tot 1960. Van de kant van de K.V.P. zal die wagen in zijn rijden althans tot 1960 geen ernstig beletsel in de weg worden gelegd, of het moest zijn inzake de bezitsvorming. En dit is nog immer mogelijk, want de P.v.d.A. moet eigenlijk niets van de bezitsvorming hebben.

De P.v.d.A. is met een nieuwe eis voor de dag gekomen, een eis, welke ook al niet bevorderlijk is voor de bezitsvorming. Zij wenst, dat er 10.000 woningwetwoningen meer in uitvoering zullen worden gegeven. De eis is dus niet, dat er 10.000 woningen meer gebouwd zullen worden, wat tengevolge zou hebben, dat er na zovele jaren eindelijk eens meer vooruitzicht voor de woningzoekenden, om een eigen woning te bekomen, zou bestaan, neen, er zullen naar de eis van de P.v.d.A. 10.000 woningwetwoningen meer gebouwd moeten worden. Hiermede dreigt de oorspronkelijke opzet van de regering, om het bouwplan 1958, bestaande uit de bouw van 80.000 woningen, op gelijke voet door partikuliere bouw en van rijkswege gefinancierde bouw te doen geschieden, te worden teniet gemaakt, tenminste als de toeleg slaagt om van rijkswege gefinancierde woningen een belangrijke verdere uitbreiding te geven. Deze verdere uitbreiding zal van de schatkist een bijdrage van niet minder dan 180 miljoen gulden vorderen, en dat in deze tijd, waarin de financiën des lands al in zulk een benarde toestand verkeren. Dat hier de partijpolitiek van de P.v.d.A. aan het woord is, om het woningbezit zo veel mogelijk te socialiseren, behoeft geen nader betoog. Ook in deze wordt er niet voor teruggedeinsd het partikuliere initiatief uit te schakelen bij de zo dringend noodzakelijke taak om de woningellende op te heffen. Hoeveel voordeliger zou het voor de schatkist zijn en hoeveel minder belasting — de door de socialisten begeerde woningbouw bedi'aagt toch kapitalen — zou de belastingbetaler hebben op te brengen indien het partikuliere initiatief juist meer bevorderd werd. Doch daartoe blijkt de P.v.d.A. niet genegen te zijn, wat ook blijkt uit haar nieuw gestelde eis. Gaat deze eis in vervulling, dan heeft dit een grote teleurstelHng in voor allen, die de oplossing bevorderlijk, sleohts mogelijk achten bij inschakeling op grote schaal van de partikuliere bouw. Nadat deze jarenlang door financiële achterstelhng hard tegengewerkt, soms zelfs geheel lamgelegd was, zijn er door de kortgeleden verbeterde premieregeling in toenemende mate plannen ontworpen, ook voor kleine middenstandsen arbeiderswoningen. Het vordert uiteraard ongeveer een half jaar voordat de verbeterde voorwaarden kurmen doorwerken. Desondanks is de achterstelling zelfs bij de zo schrijnen­ de woningnood van het partikulier bedrijf bij dat van de rijksbouw niet geheel opgeheven. Zij bestaat nog steeds op het gebied van het onthouden van rentebijslag, welke de woningwetbouw wel ontvangt, en in veel gemeenten door technische tegenwerking bij grondtoewijzing en bouwrijpmaken van de grond. Tevergeefs is er door de partikuliere bouwondernemers in dit laatste opzicht op verandering en verbetering aangedrongen. Vanuit de kring van de partikuliere bouwondernemers is er tegen de eis van de P.v.d.A. geprotesteerd, dewijl men zich daarin daarover ongerust maakt, juist nu de parti'kuliere woningbouw enigszins op gang kan komen door de verbeterde subsidieregeling. Vele bouwondernemers zijn van oordeel, dat het plan van de P.v.d.A. voorkomt uit vrees voor een herstel van het partikulier initiatief. Velen uit de partikuliere bouwonderneming hebben hun verontrusting en ergernis over dat plan niet onder stoelen en banken gestoken, van oordeel als zij zijn, dat het partikuliere bouwbc'drijf weer enigszins op gang kwam en de tijd nabijgekomen scheen te zijn om opnieuw overtuigend te kunnen bevsdjzen, dat de partikuliere bouw goedkoper en vlotter kan funktioneren dan de woningwetbouw.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1958

De Banier | 8 Pagina's

Uit het eigen land

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken