Bekijk het origineel

De verhouding tussen Rijk en Gemeenten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De verhouding tussen Rijk en Gemeenten

6 minuten leestijd

De verhouding tussen rijk en gemeenten, welke zo wel voor het rijk als voor de gemeenten, en daarbij tenslotte voor elke Nederlander van groot belang is, werd op het dezer dagen te Groningen gekouden kongres van de Nederlandse gemeenten besproken, zonder dat het kongres tot een oplossing kwam. De president van de Nederlandse Bank, Dr. M. W. Holtrop, heeft zijn geuite kritiek op het door de gemeentebesturen gevoerde beleid op deze vergadering gehandhaafd. Evenals in het jaarverslag van de Nederlandse Bank noemde hij als basis van een gezond financieel gemeentebeleid: a. beperking van de vlottende schuld tot een maximum, dat slechts met toestemming van hoger gezag mag worden overschreden; b. verbod tot het aangaan van investeringen, waarvan de financiering niet met middelen van leningen is verzekerd. Vergoelijkend ten aanzien van het financieel gevoerde beleid der gemeenten heeft Dr. Holtrop in zijn rede gewezen op twee omstandigheden, waarvoor niet de gemeenten, maar de regering de verantwoordelijkheid draagt, te weten: ten eerste het afsnijden van de gemeenten van de kapitaalmarkt door de regering, met de vaststelling van het rentegamma (het procsnt, waarbij het de gemeenten geoorloofd was leningen aan te gaan); ten tweede het bij voortduring stimule­ ren van de gemeentelijke woningbouw, waarbij niet gelet werd op de financieringsmogelijkheden, maar alleen op de vermeende bouwkapaciteit. Wat de vaststelling van het rentegamma door de gemeenten betreft, daarop leverde Dr. Holtrop ook een scherpe kritiek. Op grond van de ervaringen waagde Dr. Holtrop te zeggen, dat het regime van het rentegamma, welke verdienste het overigens ook moge hebben, als middel tot een zekere ordening van vraag- en aanbodsverhoudingen op de kapitaalmarkt, volkomen heeft gefaald als middel tot het beperken van de investeringen der gemeenten. Het rentegamma is thans in feite opgeheven en daarvoor in de plaats is het kapitaahnarktmonopolie van de Bank der Nederlandse gemeenten gesteld. Van de zelfstandigheid der gemeenten — aldus Dr. Holtrop — is echter weinig overgeblevan.

Aan het slot van zijn rede beperkte Dr. Holtrop zich tot de konklusie, «dat het probleem om te geraken tot een juiste bepaling van de aanvaardbare totale omvang van de gemeentelijke investeringen en tot een billijke verdeling van de rijksbijdrage aan de gemeenten, waarlijk niet eenvoudig is. En zeker is het niet eenvoudig, zo voegde hij er aan toe, een verdelingsmethode te vinden, welke de zelfstandigheid der gemeenten eerbiedigt of daaraan althans een grote ruimte laat. Het is zeer begrijpelijk, dat er van de kant der gemeentebeshiren geprotesteerd werd tegen de opvatting van de president van de Nederlandse Bank, Dr. Holtrop.

Onder meer deed de burgemeester van Gorinchem, Mr. L. R. J. Ridder van Rappard, dit. Hij keerde zich fel tegen de methode van aanvallen en de terminologie in het jaarverslag van de Nederlandse Bank, zeggende: „Onbillijk en onrechtvaardig is het, de schuld van de overinvestering op de sdiouders van de gemeenten te leggen. De psychologische konsekwenties hiervan zijn funest. De aanvallen van de president van de Nederlandse Bank zijn een symptoom van de gesteldheid in Nederland, welke gaat in de richting van de mening van een krimineel wanbeleid van de gemeenten". De rede van de Gorkumse burgemeester vond veel bijval bij velen van de omstreeks 900 aanwezige gemeentebestuurders, maar bracht geen beslissing in de strijd met Dr. Holtrop, daar zij arm was aan argumenten en geen steekhoudend bewijs inhield, dat de zienswijze van Dr. Holtrop onjuist was.

Evenmin brachten de betogen van de prae-adviseurs van de Rotterdamse burgemeester. Mr. G. E. van Walsem, en van de Bredase burgemeester Dr. E. N. M. Kortmann, die beoogden de gemeentelijke zelfstandigheid tot een nieuw leven te wekken, de uitkomst. Mr. van Walsem zoekt de mogelijkheid tot herstel van de gemeentelijke zelfstandigheid en verantwoordelijkheid in het van jaar tot jaar vaststellen van een investeringsplan, binnen de prrken waar- van de gemeentebesturen een beperkte vrijheid van handelen wordt gelaten. Daartegenover verwachtte Dr. Kortmann meer heil van een vaste verdeling van de beschikbare middelen van de rijksoverheid. De gemeenten krijgen dan een vaststaand bedrag, waarmede zij moeten zien rond te komen. Op de kapitaalmarkt zouden de gemeenten op dezelfde voet als het rijk en de partikulieren moeten kunnen opnemen. Het thans gebruikelijke systeem, waarbij middelen door het rijk worden verstrekt op basis van subpektieve beoordeling, dat een prikkel voor het kweken van tekorten vormde — dan wordt immers door het rijk hulp geboden — zou dan moeten komen te vervallen.

Tegen deze twee opvattingen kwamen echter uit de vergadering zo veel bezwaren, vooral van de zijde van de kleine gemeenten, dat de prae-adviseurs bereid bleken te zijn wijzigingen in hun opvattingen aan te brengen.

Een enigszins bruikbare gemeenschappelijke basis werd echter niet gevonden, zodat degenen, die in de verwachting naar Groningen waren gereisd, dat er een gemeenschappelijk aanvaarde oplossing van deze brandende kwestie op de vergadering gevonden zou worden, wel zeer teleurgesteld hun terugreis hebben moeten aanvaarden. Ongetwijfeld is de zelfstandigheid der gemeenten een hoog te waarderen kostbaar goed. Doch sommige gemeenten, waarin meermalen op voorstel van het dagelijks bestuur van B. en W. allerlei soort van torens, zonder dat de kosten van de bouw overrekend werden, gebouwd zijn, hebben het voor een groot deel aan zichzelf te wijten, dat zij ge­ heel of ten dele van het rijk afhankelijk zijn geworden. Ook zijn er wel gemeenten aan te wijzen, welke onder de invloed van de achter ons liggende hoogkonjunktuur maar aan het uitgeven zijn gegaan, daarbij het voorbeeld van de rijksregering volgend, welke ook de uitgaven zo hoog heeft opgedreven. Naar de smaak van onze jammerlijke tijdgeest zijn er ten behoeve van het beoefenen van s-port en spel, ten bate van opera en komedie en nog al voor vele andere instellingen, weDce ons voïïc ten verderve zijn, welke, over het gehele land berekend, in de miljoenen belopen, gedaan ook door de gemeenteraden.

De bestuurders van ons land en van vele gemeenten hebben een tijdlang geleefd, zich schuldig makende aan potverteren, alsof er aan hun geldmiddelen geen opkomen was. Daarbij werd door hen naar God noch Zijn gebod gevraagd. Dat moest zich wreken en heeft zich gewroken. Het is hierbij zelfs zó ver gekomen, dat na de hulp, die het rijk de gemeenten in het vooruitzicht gesteld heeft, de gemeenten nog een schuldenlast van zegge twee miljard gulden hebben, en ook zó ver gekomen, dat omstreeks 900 gemeentebestuurders, in vergadering te Groningen bijeen, het niet eens zijn kunnen worden over de middelen, waardoor zij uit de financiële nood zouden kunnen komen. Hoe is in deze ook de menselijke wijsheid, waarvan zo velen het heü verwachten en er bij zweren, te schande gemaakt, en bewaarheid het woord des Heeren: „Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben"; alsook Zijn. woord: „Die Mij eren, zal Ik eren".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1958

De Banier | 8 Pagina's

De verhouding tussen Rijk en Gemeenten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken