Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking

8 minuten leestijd

Want Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet eerteerd. Maleachi 3 : 6

Wat zijn de bovenstaande woorden troostrijke woorden voor degenen, die de Heere vreaenl Zij kunnen toch met vrees bezet zijn, dat hun werk niet in waarheid is, dat zij te eniger tijd, gehjk David vreesde, nog ia de handen van Saul zullen omkomen; tervvdjl het menigmaal met hen gesteld is als het met de apostel Paulus was: „Van buiten was strijd, van binnen vrees". Degenen toch, die door de genade Gods niets te vrezen hebben, vrezen gedurig, terwijl zo velen, die alles te vrezen hebben, nooit vrezen. De kinderen Jakobs toch zullen en kimnen niet verteerd worden. Daaria zijn zij de kleine Mozes in het biezen kistje gelijk. Dit kon niet in het water van de rivier ten onder gaan, hoewel de kleine wenende in het kistje lag. Wij lezen immers in Exodus 2: „En de dochter van Farao giug af om zich te wassen in de rivier, en haar jonkvrouwen wandelden aan de kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen lag, zo zond zij haar dienstmaagd heen en liet het halen. Toen zij het open deed, zo zag zij het knechtje, en ziet, het jongske weende".

Het jongske Mozes weende, hoewel het geen reden had om te wenen, want het lag in het kistje zo veilig en wel bewaard. Niet omdat zijn moeder het zorgvuldig met Hjm en pek belijmd had, dat er geen water in kon dringen; en ook al niet omdat zijn zuster haar ogen waakzaam vanaf de oever der rivier over het kistje liet gaan; neen, het was niet daarom, dat het niet beschadigd kon worden of vergaan, geen krokodil het kon vernielen en Mozes kon verderven. Maar daarom, omdat de liefde en almacht Gods het kistje met zijn inhoud bewaakte en bewaarde. En deze liefde en dit alvermogen kunnen niet vergaan, niet verdronken of verbrand worden, niet door alle machts- en gewelddadige middelen dezer wereld vernietigd worden. Was dit mogelijk, zo was het ook mogelijk geweest, dat het kistje met Mozes en al te gronde, gegaan was. Hoe vaak treffen wij de kinderen Jakobs hier op aarde met betraande ogen en bedroefde harten, gelijk als Maria Magdalena en de apostelen Petrus en Paulus, wenende aan. Hoe menigwerf is het bij hen: „Van buiten strijd, van binnen vrees", worden zij door aanvechtingen en bestrijdingen benauwd, komt bij hen het Water tot aan de lippen, of ook al vinden wij de kosteHjke kinderen Sions de aarden flessen gehjk geworden, de wijze met de dwaze maagden üi slaap, en zelf als David na zijn zonde met Bathséba een geruime tijd in een staat van akelige ver­ harding; maar nochtans kuimen zij niet verteerd worden.

Zij kunnen niet verteerd worden, in welke benauwdheden, aanvechtingen, worstelingen en stormen zij ook mogen komen. De zonde in hun leden kan hen wel bespringen en danig verwonden, maar nooit doden of verderven. Zij kurmen niet verteerd worden. De satan kan hen wel vervoeren en verleiden, hen 'geducht benauwen en in de engte drijven, maar hij zal nimmer uiteindehjk als overwinnaar uit het strijdperk treden.

Zij kunnen niet verteerd worden. De wereld kan hen wel verlokken en ook al niet minder door haar vervolgingen het leven zeer bemoeilijken. Doch aangezien zij niet van deze wereld zijn, zal de wereld hen toch nimmer als haar prooi van God tenslotte kunnen aftrekken. Zij kunnen niet verteerd worden. Dit vermag de grootste en gevaarlijkste vijand hunner zahgheid, die zij altijd met zich omdragen, hun eigen vlees en bloed, hun zondig natuurlijk bestaan, zelfs niet te doen.

Zij kunnen niet verteerd worden. Met alle macht waarover de satan, de wereld en het eigen vlees en bloed beschikken, kunnen hun doodsvijanden zelfs niet met al de middelen, welke zij daartoe aanwenden, de kinderen Jakobs verteren. Zij zijn des Heeren. De enige en drieënige God is de Rotssteen van hun heil, in Wie zij voor tijd en eeuwigheid geborgen zijn. Hoe zullen dan ooit de poorten der hel hen kunnen overweldigen?

Doch men zal er wel aan doen met te overdenken, dat dit onuitsprekelijke voorrecht alleen de kinderen Jakobs geldt, in zoverre zij het werk des Heeren, Zijn planting en de arbeid Zijner handen zijn. Hun eigen werk zal verteerd worden, moet ook verteerd worden, opdat de Heere als de enige Formeerder van hun heil door hen gezocht, gevonden, aangebeden en verheerlijkt zal worden. Htm eigen gerechtigheid zal eveneens verteerd worden; al hun gerechtigheden zullen 2rij toch als een wegwerpehjk kleed leren kennen, opdat zij naakt, ellendig en arm, geheel verloren in zichzelf, dood- en doemschuldig onder Gods recht en liefde zullen gaan hongeren en dorsten naar CSiristus' aangebrachte gerechtigheid en met de mantel Zijner gerechtigheid en met het kleed Zijns heus bekleed zullen worden. Hun leden, die op aarde zijn, zullen door Goddehjke kracht gedood en gekruisigd worden, de zonde en de wereld en de dienst des duivels zullen zij afsterven, opdat zij de weg der waarheid en gerechtigheid voor hun voet zullen verkiezen, een vermaak in hte houden van Gods geboden zullen bekomen en zullen zoeken en bedenken de dingen, die boven zijn, waar Christus aan de rechterhand des Vaders is gezeten. Zij zuUen met al het hmme in de dood terecht komen, heüzaam aan zichzelf leren wanhopen, opdat hun hoop en betrouwen door Gods Geest en Woord in Christus Jezus, de Heere, op God gesteld zullen worden en zij de Heere zullen aankleven met gans hun hart, in handel en wandel, zowel in het verborgene als in het openbare leven.

Wonderen boven wonderen der genade Gods vallen aan de kinderen Jakobs te aanschouwen. Zij zijn diegenen, die, dood door en in zonden en misdaden, de Heere Hem ter eer heeft levend gemaakt; de blinden, die Hij de ogen heeft geopend en die Hij als blinden zal leiden op de paden, die zij niet gekend hebben; de doven, die Hij de harten en oren het gehoor heeft geschonken; de melaatsen, die Hij door het bloed Zijns Zoons gereinigd en door Zijn Geest Zich geheihgd heeft; de vijanden, die Hij door de dood Zijns Zoons met Zich verzoend heeft; de erfgenamen der zaligheid, tot wie eenmaal in de dag hunner verrijzenis uit hun graven gezegd zal worden: „Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld".

Maar nochtans kunnen de kinderen Jakobs met vader Jakob onder zodanige tegenheden bedolven worden, dat zij met hem zeggen: „Al deze dingen zijn tegen mij", of ook al met de kinderen van Korach in dusdanige toestand verkeren, dat hun tranen him tot spijs zijn dag en nacht, omdat zij de ganse dag tot hen zeggen: „waar is uw God? " of ook al met Asaf, ziende de voorspoed der goddelozen, moeten getuigen: „Mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten". Ook al kan het zo bij hen zijn als het bij Asaf was, toen hij zeide: „Ten dage mijner benauwdheid zocht rk de Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden. Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt"; zelfs zo met de kinderen Jakobs gesteld zijn, dat zij met David geruime tijd in een zekere staat van verharding leven.

Hierbij zullen zij op Gods tijd ootmoedig behjden, dat de breuk immer hunnerzijds geslagen wordt en dat zij van van zichzelf als eerrovers Gods niet anders doen dan verderven, doch dat zij de heling en genezing nimmer zelf kunnen aanbrengen, zelfs niet in de donkerste nacht huns levens. Doch de Heere zij geprezen, hoe hoog de nood ook moge gaan en hoe benauwend het uitzicht ook moge zijn, de kinderen Jakobs zullen niet verteerd worden. En dit niet omdat zij zulke uitnemende christenen zijn, maar alleen daarom niet omdat de Heere niet veranderd wordt. Hij is gisteren en heden en in der eeuwigheid Dezelfde. Zijn hefde, waarmede Hij de Zijnen uit de duisternis riep, kent geen verandering of schaduw van ommekeer, vergezelt, bewaakt en bewaart hen heel hun leven lang. Zijn wijsheid bestiert hun wegen, en dit zo, dat alles hun ten goede en ten leven moet medewerken. Zijn trouw zal nimmer bezwijken, ook niet als Zijn kinderen ontrouw zijn, wat hun niet tot eer strekt en tot zonde en schuld gemaakt zal worden. Zijn gerechtigheid zal nooit hun ondergang gedogen, maar hen verhogen tot de genieting van een eindeloze zaligheid, en wel zo, dat Hij na kortstondig ongeneugt hen eindeloos verheugt. Zijn goedheid jegens hen kent geen palen, zodat als zij vallen. Hij hen in de weg van boetvaardigheid, berouw en hartelijk leedwezen weder op zal richten. Zijn alvermogen brengt de Fihstijn, de Tyriër en de Moren binnen de Godsstad voort, die Zijn Naam eenmaal in volmaakte heerlijkheid en vreugde met lofgejuich zullen prijzen en daar als de blijde zangers zullen staan.

Zeer naar waarheid getuigt de koninkhjke zanger David: „O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen". Doch men sla er wel terdege acht op, wat wij al meermalen gezegd hebben, maar wij in onze donkere dagen, waarin ons land overstroomd wordt met allerlei wind van leer, niet te veel kunnen zeggen, dat ook Christus' woord niet veranderd is: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien".

Delft

Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1958

De Banier | 8 Pagina's

Stichtelijke overdenking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken