Bekijk het origineel

De Jengdspaarwet Rede van Ir. van Dis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Jengdspaarwet Rede van Ir. van Dis

12 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

In het midden van 1957 heeft de regering een wetsontwerp ingediend, dat beoogt de spaarzin bij de jeugd te bevorderen. Zij stelt daarin namehjk voor ten behoeve van de 15- tot en met de 20-jarige personen de gelegenheid te 1 openen een bijzondere spaarovereeiikomst te sluiten, waarbij zij naast de rente op hun tegoed van het rijk een zekere premie zullen ontvangen. Dit kan echter alleen, wanneer z.ij zich van him kant verpliohten om hun spaartegoed gedurende een aantal jaren aan te houden, zodat zij er in die tijd niet de vrije besohikking over hebben.

Uit het wetsontwerp zelf blijkt niet over hoeveel jaren de deelnemende spaarders van hun tegoed niet zullen mogen beschikken, als zij voor 'het toekennen van premie in aanmerking willen komen. Artikel 4 bepaalt te dezer zake, dat dit aantal jaren bij algemene maatregel van bestuur zal worden vastgesteld. In de Memorie van Toelichting worden te dezen aanzien ecihter enige getaUen genoemd, waaruit blijkt, dat de regering van oordeel is, dat de periode, waarin gespaard moet worden om aanspraak op premie te krijgen, in het algemeen op tenminste 6 jaar gesteld moet worden. Zijn er echter, die na die 6 jaar de spaarovereenkomst willen verlengen, dan blijkt de regering wel bereid dit toe te staan, mits de verlengingstennijn de 3 jaar niet overschrijdt. Volgens deze aanwijzing uit de Memorie van Toelichting zullen de jeugdige spaarders dus in totaal negen jaar met reoht op het verkrijgen van een spaarpremie kurmen sparen.

Nu kan het echter voorkomen, dat er spaarders zijn, die over hun spaartegoed wensen te beschildcen voordat er zes jaar verstreken zijn, bijvoorbeeld bij het aangaan van een huwelijk. Daarom heeft de regering zich bereid verklaard om voor huwenden een uitzonderingsregeling tot stand te brengen, zodat deze, indien er althans door hen drie jaar lang gespaard is, hun spaargelden met inbegrip van rente en premie geheel of gedeeltehjk kunnen opnemen.

Over de grootte van de in te leggen minimum- en maximumbedragen wordt in het wetsontwerp zelf ook al weer niet gerept. Hierin wordt slechts bepaald, dat deze bij algemene maatregel van bestuur nader zullen worden bepaald. De Memorie van Toelichting echter maakt er gewag van, dat het in het voornemen ligt de minimum-inlage te bepalen op 30 gulden per jaar en de maximum-inlage op 200 gulden, met dien verstande echter, dat het totaal ingelegde bedrag temninste evenveel malen het bedrag van 30 gulden moet belopen als het aantal jaren, dat de rekening uitstaat. Dit laatste dient om het mogelijk te maken, dat niet een ieder, die tijdelijk verhinderd is om inlagen te verriditen, zijn jeugdspaarrekening zou moeten opgeven.

Voor het geval een spaarder zich gedwongen ziet tijdelijk een deel van zijn inlagen terug te nemen, zal ook dit mogelijlc worden gemaakt, maar hij zal dit slechts één keer per jaar mogen doen, terwijl voorts 'het bedrag van de opneming niet meer zal mogen 'bedragen daa hetgeen in datzelfde jaar werd ingelegd. Vervolgens zij nog vermeld, dat van. de toegekende premie geen inkomstenbelasting verschuldigd zal zijn.

Het is duidelijk, dat het vooral in het begin nodig zal zijn om de spaarders de nodige voorlichting t© geven, zowel ov& t de beweegredenen, weDce aan deze spaarregeling ten grondslag liggen abimede over de inhoud er van. Deze voorlichting zal door het rijk geschieden, tenvijl het voeren van propaganda, welke hierbij noodzakehjk wordt geacht, aan de Rijkspostspaarbanlc en de overig© spaarinstellingen zal worden overgelaten.

Verscheidene sprekers der diverse fracties namen aan de algemene beschouwingen over dit wetsontwerp deel, •waarbij bleek, dat, hoewel er bezwaren waren, men bereid was om hier overheen te stappen, daar de lievordering van het sparen voor heel het economisch leven van ons land een 2aak van zeer groot belang is. Namens de S.G.P.-fraotie werd het woord gevoerd door Ir. van Dis, die hiei-bij als volgt sprak:

Mijnheer de \''oorzitter! Met het wetsontwerp, dat thans bij de Kamer in behandeling is, woixit door de regering, zoals in de Memorie van Toelichting verklaart, beoogd een eerste stap te zetten op de weg naar de bezitsvorming door bevordering van het sparen. Dit is voor ons op zichzelf de sympathieke kant, welke het wetsvoorstel heeft. In het pauperisme toch zien wij voor ons volk niet het minste heil. Daarom zijn wij altijd sterke

voorstanders

geweest van het sparen in tegenstelling met de verzekering en de gedwongen staatsverzekering, welke het persoonlijke verantwoordelijkheidsbesef in zulk een sterke mate heeft aangetast, zoals meer en meer wordt ingezien ook door diegenen, die tegen de verzekeiing op zichzelf geen principiële bezwaren hebben, gelijk dit wel zeer duidelijk blijkt uit het rapport, dat niet zo lang geleden door Duitse hoogleraren aan de Duitse regering is uitgebracht. Wij kvmnen het daarom onvoorwaardelijk toejuichen, dat de regering het sparen wenst te 'bevorderen en de bezitsvorming onder ons volk wil aanmoedigen. Wij hopen dan ook, dat de regering met dit wetsontwerp, als het tot wet verheven zal zijn, meer succes zal hebben dan het geval was met de

Spaarwet van 1947

tot instelling van de Nationale Spaarraad en tot het uitgeven van Rijksspaarbrieven. Niet alleen toch is er van heel de Spaanaad niets meer overgebleven, dooh er zijn zelfs — voor zover ons bekend — nimmer Rijksspaaifcrieven uitgegeven, tenvijl de Spaarwet zelf in 19.53 door de regering is ingetrokken. En dit nadat er grote bedragen voor de propaganda ten behoeve van deze Spaarwet waren besteed. Alleen over 1951 werden voor dit doel omstreeks

twee miljoen

gulden uit de schatkist des lands uitgegeven, juister ware wellicht te zeggen: weggesmeten, want het was toen al heel duidelijk te zien, dat deze twee miljoen niet het nodige effect zouden sorteren, dewijl er door ons volk aan het door de wet beoogde sparen totaal niet werd deelgenomen.

Dat deze •wet niet het zozeer- gewenste gevolg had, behoeft ei^iüijk niemand te verwonderen, wanneer gelet •wordt op de

hoge belastingen

en lasten, waaronder ons volk toen al gebukt ging en op het steeds duurder wordende leven mede als gevolg van de waardevermindering van de gulden. Voor grote groepen van ons voDc, wij denken 'hierbij inzonderheid ook aan de zogenaamde vergeten groepen, •was sparen gewoonweg onmogelijk. Zi] hadden al moeite genoeg om voor zichzelf en hun gezinnen de huishuur op te brengen en in hun eerste levensbehoefte te kunnen voorzien. Ook thans nu de regering alleen ten aanden van d«

|eugd

een spaarregeling met toekerming van premie wil invoeren, staat het te bezien of zij daarmede het beoogde doel namelijk het bevorderen van sparen en van het kweken yan bezitevorming eal ver­ krijgen. Het is toch zo gesteld, dat onz» munteenheid, de gulden, in de loop der na-oorlogse jaren sterk in waarde gedaald is en dat er geen enkele gegronde waarborg bestaat, dat zij nog niet verder zal dalen. Minister Zijlstra heeft dit gisteren in de Eerste Kamer nog eens duidelijk gesteld door op te merken, dat de inflatie, die juist om de hoek verdwenen is, ieder ogenblik plotseling weer voor ons kan staan.

Deze onzekerheid is alleraiinst bevorderlijk voor het welslagen van het onderhavige wetsontwerp. Het is dan ook van het allergroolste belang, dat de regering al het mogelijke in het werk stelt om de

waarde van de gulden

op peil te houden, ja, om zo mogeHjk de gulden in waarde te doen stijgen. De regering heeft in de loop der jaren wel meermalen verklaard, dat zij dit beoogt, waarbij wij onder meer herinneren aan de regeringsverklaring, afgelegd in de Troonrede van 19.56, maar ondanks deze eii soortgelijke verklaringen is de gulden dusdanig in waarde gedaald', dat er van al die verklaringen niets in vervulling is gegaan. Het is daarom zeer goed te begrijpen, dat bij een zeer groot deel van ons volk het vertrouwen in de waardevastheid van de gulden nog geheel zoek is. Verklaringen als er kortgeleden dooi- minister Vondeling één is afgelegd, namelijk, dat door hem aan

inflatie

de voorkeur wordt gegeven boven de inkrimping van de werkgelegenheid, dragen er in niet geringe mate toe bij, dat bij velen het vertrouwen in het regeringsbeleid ten aanzien van 'de waardevastheid van de gulden hoe langer hoe meer zoek raakt. Hierbij komt nog, cLit aan het sparen door de regering zelf als een goed voorbeeld voor ons volk, zeer veel ontbroken heeft en nog steeds ontbreekt. De achtereenvolgende ministeries toch hebben op dit punt wel een heel slecht voorbeeld gegeven, onder meer door de uitgaven van het rijk op een ontzettende wijze op allerlei manier in de 'hoogte te drijven. Zij hebben van de hoge boom in een soort

potverteringsroes

geleefd en met rijksgeld gesmeten met het gevolg, dat rijk en gemeenten thans onder zware schulden zitten, terwijl de schatkist leeg is en er, om enigermate in de financiële nood te voorziai, leningen moesten worden aangegaan tegen de exorbitant hoge rente van 6%. Inderdaad, Mijnheer de Voorzitter, cfe regering zelf heeft wat het sparen betreft, allerminst een goed voorbeeld gegeven. Daarbij komt, dat het regeringsbeleid er maar al te zeer op gericht geweest is en nog is, om voor de onderdanen te zorgen van de

•meg tot het gtaf,

wat er in geen geringe mate toe heeft bijgedragen om in plaats van ^paarzaambeM,

aotgeloosheid

aan te fcwekrai. Mijnheer de Voorzitter! Hoezeer wij het sparen en de bezitsvorming ook bevorderd willen zien, toch beklemt ons in sterke mate de vrees, dat deze door het onderha^vige wetsontwerp niet bevorderd zullen worden, althans niet in die mate als de regering zich dit blijkbaar voorstelt.

Door velen •wordt toch gezegd: wat baat het al, dat wij sparen, indien straks na verloop van zes of negen jaar, de gelden, welke wij krachtens deze wet kun­ nen beuren, door inflatie zo in waaixia gedaald zijn, dat wij met ons spare» meer nadeel dan voordeel zullen geha4 hebben, hetgeen nog immer tot de mogelijkheden kan behoren. Andeien, niet minder in getal, zeggen: waarom o: ^ spaard? De staat zorgt toch voor otis, laten wij liever het geld thans voor oaa genoegen besteden door er een broa, . fiets of scooter of wat anders voor ^ kopen.

Dat wij zulke hooggespannen vei-wacfc. tingen van deze wet niet kminen hefcben als de regering hedrt, vindt voorts zijn oorzaak in het feit, dat de belasting, welke de

ongehuwde»,

die in zo groten getale bij deze wet betrokken zijn, moeten opbreng^i, ; » enorm hoog is, waarover dan ook dooc hen voortdurend steen en been geklaagd wordt en waarover men het vrij algemeen eens is, dat deze onrechtvaardig ij en nodig dient

verlaagd

te worden. En nu is het zo, dat juist bij deze wet zovele ongehuwden betrokken zijn, die bij achteruitgang van inkomsten door verdwijning van de hoogconjunctuur, vaak bezwaarhjk nog ka» Icunnen wegleggen voor de in dit wetsontwerp voorgestelde, gepremiëerdu spaarregeling.

Temeer kunnen vsdj van het resultaat van dit wetsontwerp niet zulke grote verwachtingen koesteren, dewijl de hoogconjuctuur, waarvan inzonderheid de '"

Partij van de Arbeid

zo hoog opgaf en waar zij haar vertrouwen zo zeer op gesteld had, ons verlaten 'heeft. De werkloosheid grijpt mede tengevolge van de bestedingsbeperkende maatregelen der regering, op een geduchte •wijze om ons heen, zo zelfs, dat de vorige week vanwege het ministerie van minister Suurhoff werd verklaard, dat het er met het probleem van de werkloosheid nog somber voorstaat. Ook al nam men in aanmerking, dat de geregistreerde arbeidsreserve in de maand mei met 19000 verminderde, kon volgens voornoemd ministerie niet van een verbetering in de algemene werkgelegenheidssituatie gesproken worden en werd het niet uitgesloten geaoht, dat het werkloosheidsniveau ia de eerstvolgende maanden zal gaan

stijgen.

Het komt ons voor, dat deze situatie ongetwijfeld ook haar terugslag op het sparen zal hebben. In plaats txjch van dat de jeugd in de gezinnen der werklozen zal kunnen sparen, laat het zich denken, dat zij bij de huidige duurte van haar verdiensten zal moeten bijdragen om het gezin van het nodige te •voorzien.

Voorts, Mijnheer de Voorzitter, moet het betwijfeld worden of dit wetsontwerp tot het beoogde doel zal ledden, wanneer er gelet wordt op de lange duur, waarin de deelnemers in deze spaarregeling, op enkele uitzonderingen na, niet over zijn gespaard geld zal kunnen 'beschikken. Dit zal moeihjk anders kunnen, gezien de premie, die het rijk tenslotte betaalt, maar dit neemt niet weg, dat dit velen er van zal •weerhouden om aan deze spaarregeling deel te nemen, gelijk dit ook het geval is met de lage rente •van 3%, welke door de Rijkspostspaarbank aan de deelnemers gegeven wordt.

Nog een ander bezvraar zien wij daarin, dat in het wetsontwerp verscheidene onderdelen niet in de wet zelf vastgelegd worden, maar aan een nadere regeling bij algemene maatregel van be- stjuj' worden overgelaten, aoals dit o»ier meer het geval is ten aanaien van de

hoogte der premie,

welke door de spaaibank wordt uitgekeerd bij het opnemen van het gehele tegoed of een gedeelte daarvan tei- gelegenheid van huwelijk van de deelnemer of wegens beëindiging der jeugdspaarovereenkomst en voorts ook ten aanzien van het aaiital jaren, gedurende welke het tegoed moet hebben uitgestaan, alvorens op spaarpremie aanspraak te kunnen maken. Niet ten onrechte wordt dit door velen als een bezwaar tegen het wetsontwerp aange- •lerkt, gelijk daarvan ook uiting wordt gegeven in het Voorlopig Verslag, waarsi er bij de minister ten sterkste op aangedrongen "wordt om althans de premiehoogte en de spaarduur in de wet aelf te willen opnemen.

Thans komende tot een slotwoord. Mijnheer de Voorzitter, wensen wij te besluiten met op te merken, dat hoewel CT onderscheidene bedenkingen tegen dit wetsontwerp bestaan, wij toch grote waardering hebben voor de poging, welke de regering met dit voorstel onderneemt om de spaarzin bij ons volk, iazonderheid bij de jeugd, te bevorderen door de indiening van dit wetsontvrerp-Jeugdspaarwet, waaraan personen van

15 tot en met 20 jaar

kunnen deelnemen en waai*bij de mogelijkheid geopend wordt om bij een jaarlijkse inleg van 200 gulden over een periode van 9 jaar, behalve de rente, een extra-premie van ƒ 200.60 te bekomen, terwijl het minimum 'bedrag voor de inlagen, Avelke in de spaarperiode n»eten worden verricht om mede op grond hiervan premie te kunnen vertójgen, vastgesteld wordt op 30 gulden per jaar.

Aan eventuele voorstellen tenslotte, welke verbeteringen in het wetsontwerp beogen aan te brengen, gelijk vrfj dit het geval achten te zijn met Jhet ingediende amendement om de hoogte der preanie in de wet zelf vast te leggen, aaOen wij gaarne onze stem geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Banier | 8 Pagina's

De Jengdspaarwet Rede van Ir. van Dis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken