Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXLVII.

Kerkelijke toestand begin 19e eeuw. Het K.B. van 7 januari 1816. Groens oordeel hierover.

Uit Groens woorden over de kerkelijke toestand in het begin der 19e eeuw, waarmede wij de vorige maal eindigden, mag ongetvidjfeld niet de konklusie worden getrokken, dat er destijds in de Hervormde Kerk niemand meer was, die de aloude waarheid voorstond en de kracht daarvan voor eigen hart had mogen leren kennen. Een dergelijke konklusie zou beslist in strijd met de waarheid zijn en heeft ook zeker niet in Groens bedoeling gelegen. Hoe diep toch een kerk in verval moge zijn, gelijk dat onder meer het geval was met de oud-testamentische kerk ten tijde van de geboorte van de Heere Jezus, de Heere kent ook in zulke tijden degenen, die de Zijnen zijn en dezen zullen door Hem niet begeven, noch verlaten worden. Zo waren er in 'het begin der 19e eeuw in de Hervormde Kerk wel degelijk leden en predikanten, die het verval diep betreurden, gelijk blijkt uit het optreden van Ds. .Schotsman, die met woord en pen, op de kansel en in geschrift, de oude gereformeerde leer verkondigde. Het blijkt niet minder uit het protest der Classis Amsterdam en uit de protesten van predikanten uit de voormalige Classes Leiden en Woerden tegen de invoering van de synodale organisatie in 1816. Groen zal dan ook ongetwijfeld het oog gehad hebben op de algemene toestand, waarvan ook Ds. Schotsman in zijn geschriften erkende, dat deze zeer vervallen en zelfs verbasterd was, al ontbrak het — zoals deze predikant voorts verklaarde — door Gods genade nog niet aan-oprechte liefhebbers en getrouwe voorstanders der oude waarheid, van wie hij bet slechts betreurde, dat zij zo zeer het stilzwijgen bewaarden in plaats van de geest des afvals in zijn sluiphoeken op te zoeken en het kwaad in de 'beginselen te smoren.

Dat Groens bovenvermelde woorden aldus moeten worden opgevat, valt ook af te leiden uit wat door hem in één der volgende paragrafen van zijn „Handboek" is te boek gesteld. Wij verwijzen daartoe naar paragraaf 993, waarin hij er van gewaagt, dat de slaap der onverschilligheid bij het gros der kerkleden te diep en te algemeen was om door de geloofskreet van zeer weinigen te worden gehoord. Hieruit blijkt dus wel zeer duidelijk, dat er ook in die tijd in de Hervormde Kerk waren, al was hun aantal niet groot, die de waarheid van Gods Woord varf harte waren toegedaan. Zij

werden echter door de toonaangevende kerkleden en predikanten voor duisterlingen en aterhngen uitgekreten, of zoals Groen opmerkt: „de taal en handelwijs van levendig geloof, als uitdrukking van een gevaarlijk mysticisme, werd veroordeeld en bespot".

Had Nederland toen een vorst gehad als Prins Maurits of Stadhouder Willem IH, dan zou er, mensehjkerwijs bezien, veel onheil voorkomen zijn. Dan zou de Hervormde Kerk althans niet een organisatie opgelegd zijn, waaruit zoveel ellende is voortgekomen. Koning Willem I echter was van een geheel andere instelling dan de zoeven genoemde telgen uit het Huis van Oranje. In plaats van een voedsterheer der kerk te zijn en te herstellen wat onder de invloed van de beginselen der Franse Revolutie afgebroken was, trad hij op als een heerser over de Hervormde Kerk, die in de grondwet van 1815 met andere kerkgenootschappen op één lijn werd gesteld, in plaats van dat haar de bevoorrechte positie, welke zij vóór 1795 bezeten had, werd teruggege-ven. En daarbij bleef het niet, neen. Koning Willem I ging nog verder. In plaats van een nationale Synode bijeen te roepen, legde hij de kerk een synodale organisatie op, waaraan wel de naam van Synode gegeven werd, maar die in werkelijkheid geen Synode was, omdat zij niet uit en door de kerk zelf was samengesteld, maar van hogerhand werd opgelegd. Iets wat tevoren nog nimmer geschied was. Wel was het in 1591 eens beproefd om een kerkenordening in te voeren, welke door een kommissie van politieke en kerkelijke personen ontworpen en door de Staten van Holland en West-

Friesland vastgesteld was, maar wegens de sterke tegenstand kwam daar niets van.

Koning Willem I zette zijn plan echter door. Hij benoemde een kommissie van elf personen, wat merkwaardigerwijze bij een geheim besluit gebeurde. Deze kommissie was echter niet veel meer dan een formaliteit, door de Koning ingesteld op advies van de Raad van State. Dit blijkt wel daaruit, dat het ontwerp-reglement niet door deze kommissie zelf werd gemaakt, maar door de sekretaris en adviseur van staat voor de Binnenlandse Zaken. De regering hield alzo de leiding geheel in handen. Het namens haar ontworpen koncept-reglement werd aan de leden der kommissie toegezonden, die hun opmerkingen schriftelijk konden bekend maken. Nadat er nog enige wijzigingen in waren aangebracht, werd het ontwerp door alle leden der kommissie ondertekend. De kommissaris-generaal, die met de zaken der Hervormde Kerk belast was, bood het daarop — na er nog enige veranderingen in te hebben aanr gebracht — de Koning ter goedkeuring aan. Alvorens tot goedkeuring werd overgegaan, werd het ontwerp eerst nog in handen gesteld van drie leden van de Raad van State, die opnieuw tot enige wijzigingen met de kommissaris-generaal besloten. Hierna werd het ontwerp bij artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 7 januari 1816 gesanktioneerd als het Algemeen Reglement voor het Bestuur der 'Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Mr. Groen van Prinsterer heeft over dit Koninklijk Besluit in verscheidene van zijn geschriften een vernietigend oordeel uitgesproken. In zijn bovengenoemd „Handboek der Vaderlandse Geschiedenis" noemde hij de bij dit Besluit vastgestelde organisatie der Hervormde Kerk zonder noodzaak en voorts in strijd met de geschiedenis, het recht en het wezen der kerk. En dat in tweeërlei opzicht. Ten eerste in oorsprong, daar zij door het gouvernement zonder toestemming en ondanks tegenspraak ontworpen en opgedrongen werd, en ten tweede naar inhoud, daar ze gebaseerd was op het nieuwe staatsrecht, met voorbijzien der eigenaardigheden van de presbyteriaanssynodale kerkvorm, bestaande in ware vertegenwoordiging der gemeenten, gelijkheid der evangehedienaars en onvoorwaardelijk zelfbeheer in al wat tot de phchtsvervulling jegens de enige Koning der kerk behoort. Volgens Groen betekende het Koninklijk Besluit van 1816 dan ook niet minder dan vernietiging van de invloed der gemeenten ten gevalle van een soort van aristokratische hiërarchie, uitlopende op de willekeur van een centraliserend en reglementerend hoofdbestuur, dat uit de aard der zaak even oppermachtig tegenover de kerk was als dienstvaardig en buigzaam jegens het gouvernement, waarmede Groen ongetwijfeld de Koning bedoelde, die destijds een grote macht bezat.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken