Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CL. De Raad van State en het K.B. van 7 januari 1816. Groen over de oorzaak van de oiuiist in de kerk.

In één der vorige stukken wezen wij er op, dat koning Willem I een commissie instelde op advies van de Raad van State, welke commissie het door de secretaris van Binnenlandse Zaken opgestelde concept-reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk uiteindeHjk aan de koning ter goedkeuring aanbood. Hieruit mag echter niet worden afgeleid, dat de Raad van State destijds met de in 1816 ingevoerde Synodale organisatie instemde. Dit tooh is geenszins het geval. Dit blijkt wel zeer duidehjk hieruit, dat de Raad van State zich te voren nadrukkelijk had verklaard tegen het in het leven roepen van een Synode, weBce niet uit de kerk zelf opgekomen, maar door de Staat aan de kerk opgelegd zou zijn. De Raad van State verklaarde dit naar aanleiding van een voorstel, dat op 29 april 1814 bij dit college was ingekomen en waarin werd voorgesteld met vernietiging der voormalige Provinciale Synoden en de Synode der Waalse kerken, een algemene Synode op te richten. De raad gaf in zijn advies over dit voorstel te kennen de voorgestelde verandering niet noodzakehjk noch wenselijk te achten. Niet noodzakelijk voor de kerk, noch voor de Staat, daar de eenheid in het Staatsbestuur niet noodwendig tot een algemeen Nationale Synode behoefde te leiden. Niet wenselijk, omdat volgens de Raad nieuwigheden gevolgen zouden kunnen hebben, waarvan de strekking en het gewicht niet te berekenen waren. Bovendien, zo luidde het oordeel van de Raad van State, was in de pas ingevoerde grondwet de betrekking van de Staat tot de kerk beperkt in plaats van uitgebreid, zodat het niet aanging zich op een vwjze in de kerkelijke aangelegenheden te mengen als Zelfs de vroegere regeringen nooit hadden gedaan. Voorts oordeelde de Raad ^an. State, dat een algemene Synode zo­ als in het hem voorgelegde voorstel begrepen was, niet strookte met de aard van het Hervormd kerkgenootschap, daar dit hierdoor wederom zou worden gebracht onder een oppermacht, waaraan het zich tevoren onttrokken had en weDce gevaarlijk zou kunnen worden, daar het voorstel zonder genoegzame voorzieningen was om de te duchten gevaren af te wenden.

Vervolgens werd er door de Raad van State op gewezen, dat er blijkens de bij het departement van Binnenlandse Zaken ingekomen adressen geen prijs gesteld werd op een algemene Synode, maar op

het bijeenroepen der gewone Provinciale Synoden^ daar deze beter met de huishoudehjke inrichting en de behoeften der gemeenten op ée hoogte waren. Tenslotte vroeg de Raad van State wat er zou gebeinen als omgekeerd vele rechtzinnigen de aldus gevormde Synode niet wettig zouden achten, daar ze niet samengesteld zou zijn uit de verschillende Classes en zij zich op die grond zouden onttrekken aan het opvolgen van de besluiten der Synode, waardoor ongetwijfeld nieuwe twisten ten nadele van Staat en kerk beide, zouden ontstaan. Op al deze en nog andere, hier niet vermelde gronden, ontraadde de Raad van State het voorstel te aanvaarden.

Het beste ware geweest, indien de Raad van State het bij dit advies gelaten had. De Raad voegde er echter nog wat aan toe, waarvan door de meer genoemde, geslepen secretaris en adviseur Janssen, die een afkeer van de „steüe" begrippen der „orthodoxen" had en een oppervlakkige eenheid van alle kerken voorstond, behendig gebruik werd gemaakt om zijn plaimen door te voeren. De Raad van State voegde aan zijn advies namehjk nog een ander toe, hierin bestaande, dat de Raad, als de koning todh een nadere regeling van het kerkbestuur volstrekt nodig oordeelde, hem als de meest gesdiiktste weg daartoe, het bijeenroepen zou aanraden van een Consulerende Gommissie, samengesteld uit verhchte en geachte leraren uit de onderscheidene provinciën en andere kundige lidmaten der Hervormde Gemeente om zijn koninklijke hoogheid of de secretaris van Staat voor de Binnenlandse Zaken te adviseren en voor te lichten omtrent de vorm, welke aan dat kerkbestuur, over-

eenkomstig de verlangens en behoeften der onderscheidene gemeenten, voor het vervolg behoorde te worden gegeven. Zoals reeds werd medegedeeld, werd deze commissie inderdaad ingesteld. Naar het ooreel van dr. J. C. A. van Loon, die in 1942 over „Het Algemeen Reglement van 1816" een proefschrift verdedigde aan de V.U., is het ontegenzeggelijk niet de bedoeling geweest van de Raad van State, dat deze commissie een geheime commissie zou zijn, die totaal buiten de kerk en haar vergaderingen om zou worden benoemd en zou werken. Hij grondt dit oordeel onder meer daarop^ dat de voorzitter van de Raad van State, Van Hogendorp, dan niet tevens geschreven kon hebben, dat „indien er gebreken waren" er een oommissie benoemd kon worden „uit de Kerkeraden of Classes of Synodes of Hooge Scholen" en dat slechts om „die gebreken te onderzoeken en middelen tot redres (herstelling) voor te dragen". Volgens dr. van Loon is er dan ook geen sprake van, dat de Raad van State de later gevolgde revolutionaire weg, waarop de kerk geen kans gelaten werd, gewild heeft, al heeft men dan zijn advies in die zin gebruikt. Wij hebben deze nadere toelichting van belang geacht, opdat niet de indruk wordt gevestigd, dat de .totstandkoming van het Koninklijk Besluit van 7 januari 1816, waarbij de Hervormde of Gereformeerde Kerk in ons land zulk een schromelijk om-echt werd aangedaan, door de Raad van State gewüd is. Uit het bovenstaande zal het ieder duidelijk zijn, dat dit beslist niet het geval was, waarop ook door mr. Groen van Prinsterer nadrukkelijk gewezen is. Groen deed dit in het geschrift, waarop wij reeds eerder de aandacht vestigden namehjk dat, hetwelk betrekking heeft op de maatregelen tegen de afgescheidenen en waarin deze door hem in 1837 aan het staatsrecht getoetst werden. In dit geschrift heeft Groen ook een hoofdstuk gewijd aan de oorzaak der onrust in de Hervormde Kerk.

Die oorzaak, aldus schreef Groen, is licht te ontdekken. Het is de onverenigbaarheid van hetgeen tot haar wezen behoort, met de verordeningen en wetten, waardoor men, vooral in en na 1815, verkeerde beginsels op haar toegepast heeft, waarna hij aldus vervolgde: Die beginsels verkeerd te noemen zou de schijn van een voorbarig en vermetel oordeel kunnen hebben, indien er omtrent hun aard of strekking bij hen, die er enigszins over hebben nagedacht, nog twijfel kon zijn. Door welke denkbeelden werd de staatkunde, toen het revolutionaire keizerrijk was gevallen, bij het regelen der gewichtigste onderwerpen geleid? Dit immers weet nu iedereen; door dezelfde theorieën, die de omwenteling van 1789 te weeg hebben gebracht. Heilrijk op zichzelf, was die leer, naar men meende, door overdrijving schadelijk gewordfii en tegen dit misbruik, zo dacht men althans, waren voldoende waarborgen gesteld. Men had daartoe een leer, die verderfelijk is, wederom in werking gebracht; aan Europa nieuwe omwentelingen bereid. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken