Bekijk het origineel

Voor Oud en gong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en gong

6 minuten leestijd

CLII.

Groen over het Herv. Kerk in 1816 en daarna. Oordeel van Raad van State.

Hebben wij de vorige maal vermeld, dat mr. Groen van Prinsterer in zijn geschrift over de maatregelen tegen de afgescheidenen verklaarde, dat de Hervormde Kerk door het Koninklijk Besluit van 1816 geadministreerd werd en daardoor een deel van de staatsmachine, een departement van algemeen bestuur geworden was, thans zullen wij nader ingaan op wat Groen er onder verstond, dat de Hervormde Kerk door de staatsdwang van 1816 ook georganiseerd werd. Toen toch werd haar van hogerhand een organisatie opgelegd. Nu is Organisatie op zichzelf niet te veroordelen. Zonder organisatie is er geen- orde in de staat mogelijk, daar dan ieder maar zou kunnen doen wat goed in zijn Ogen is. Ook in de kerk moet er orde zijn. Gods Woord zelf gebiedt dit nadrukkelijk, wanneer het ons voorhoudt, dat alle dingen in de gemeente eerlijk en met orde moeten geschieden. Zo zou het bijvoorbeeld ten enenmale ontoelaatbaar zijn, dat ieder belijdend lid het recht zou gegeven worden om te dopen of het Heilig Avondmaal te bedienen. Ten aanzien hiervan en nog zo vele andere aangelegenheden behoren in de kerk des Heeren bepaalde regelen in acht genomen te worden, waaraan elk lid, elke ambtsdrager en elke kerkelijke vergadering zich te houden heeft. Van fle tijd der apostelen af zijn er dan ook reeds kerkelijke bepalingen geweest. Welke al spoedig schriftelijk in de vorm van kerkordenen zijn vastgelegd. Om van nog andere tijden niet te spreken, oepalen wij ons slechts even bij de tijd der Reformatie.

^Vij zien dan, dat de kerkvergadering of het convent van Wezel in 1568 zich reeds met het voorbereiden van een kerkenordening bezig hield, welke aanvankelijk werd vastgesteld op de SvTiode van Embden in 1571 en nader herzien op de Synoden te Dordrecht in 1574 en 1578; te' Middelburg in 1581; te 's-Gravenhage in 1586 en te Dordrecht in 1618-'19. Deze kerkenordening nu bleef bijna twee eeuwen van kracht, namehjk tot 1816, het jaar waarin koning Wülem I de kerk een synodale organisatie oplegde, waardoor de oude kerkenordening op zij werd gezet. Dit nu werd door Groen ten zeerste gelaakt. Had de koning en zijn raadgevers zich nog maar aan de bestaande kerkenordening ge­

houden, dan zou — hoewel ook dan vanzelfsprekend alle inmenging der overheid in het bestuur der kerk te veroordelen 'ZOU zijn geweest — er niet dat onheil uit voortgekomen zijn als thans het geval geweest is. Dit deed de koning echter niet. Hij en degenen, die hem daarin bijstonden, hebben niet gezorgd voor het behoud van de grondslagen, waarop het inwendig beheer der Gereformeerde Kerk van de vroegste tijden af gevestigd was. Veeleer het tegendeel is waar, zo schrijft Groen, om hierop woordelijk te laten volgen: „De Nederlands Hervonnde Kerk toch heeft steeds op de gelijkheid der leraars, op het verwerpen van al wat naar voorrang en gezagvoering zweemt, hoge waarde gesteld. Zij heeft dit beginsel aangemerkt als ontleend uit de Heilige Schrift, zó, dat het als een belangrijk gedeelte der leer in haar geloofsbelijdenis opgenomen werd".

Dan wijst Groen er verder op, dat in 1816 juist het tegenovergestelde bepaald werd. Er werd namelijk een Algemene Synode ingevoerd, welke niet door lastbrieven van andere kerkelijke vergaderingen beperkt was, terwijl deze Synode bovendien uit een klein aantal personen bestond. Dit was gedaan, zoals bij de invoering der synodale organisatie gezegd was, omdat het bij een klein aantal personen gemakkelijker was om de orde te handhaven, maar Groen merkte naar aanleiding hiervan op, dat zich bij een klein aantal personen, die met het bestuur belast worden, zo gemakkelijk een geest van volgzaamheid en onderwerping tegenover het bestuur

ontwikkelt, alsook een geest van heerszucht en willekeur tegenover de kerk. Wel zeer opmerkelijk is, wat door Groen voorts vermeld wordt, namelijk, dat men in 1813 — toen was Nederland! dus door Napoleon bij Frankrijk ingelijfd — een dergelijk optreden van de overheid ten aanzien van de kerk met alle beslistheid had afgekeurd. Toen was gezegd, dat de bestaande kerkelijke inrichting altijd had bestaan sedert de kerk in de 16e eeuw hervormd was; dat zij xloor de opgedane ondervinding van alle verkeerde wijzigingen gelouterd was, in allen dele met de geest der hier te lande gevestigde protestantse kerk overeenkwam en de goedkeuring wegdroeg van alle leden der Hervormde Kerk. Tevens was daarbij ook nog verklaard, dat uit een nieuwe kerkorde, hoe goed ook in haar aard, , allerhande nadelige gevolgen zouden moeten ontspruiten. Groen merkte nu zeer terecht op, dat een inrichting, welke men om het wezen der zaak in 1813 verderfelijk vond, in 1816 niet beter was geworden, omdat ze door een geliefde hand (bedoeld wordt hier door koning Willem 1) toegereikt werd.

Dat in 1816 toch werd overgegaan tot wat er in 1813 nog zo sterk verworpen was, wijt Groen voorts aan het doorwerken der toenmalige staatstheorie, welke met de geest der revolutionaire beginselen doordrenkt was. Volgens die theorie moest de kerk naar het voorbeeld van de staat vernieuwd worden. Ook op haar moest de hooggeroemde eenheid worden overgebracht, die generlei natuurlijke en vrije ontwikkeling laat, maar alles, zoveel mogelijk, in een middenpunt samentrekt en behoudens enige onbeduidende vormen van vertegenwoordiging en verkiezing, aan een kunstmatig beheer en oppermachtig albestuur ondenwerpt. Centrahsatie, dit wil zeggen: het leggen van het beheer in één hand, hetzij van een persoon of een college, was aan de orde van de dag. Groen verklaarde echter, dat het voor het welzijn van de staat helemaal geen vereiste was ook de kerk onder een oppermachtig bestuur te brengen. En het is in dit verband, dat Groen herinnert aan het oordeel van de Raad van State, waarop wij tevoren reeds de aandacht gevestigd hebben.

Groen schreef: „Het bijeenroepen van een Algemene Nationale SjTiode, in strijd met de historische, beproefde en hooggeachte inrichting der kerk, was niet nodig, niet wenselijk; onraadzaam en gevaarlijk zelfs, in veler oog onwettig, daarbij inconstitutioneel (in strijd met de grondwet); het zou ongenoegen, het zou wanorde verwekken. Dus oordeelde destijds de Raad van State in een uitvoerig advies; en toch het plan is ten uitvoer gelegd; en toch is men, in 1827, door het instellen ener permanente Synodale Commissie, op weg der concentratie nog een aanmerkelijke schrede voorwaarts gegaan".

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en gong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken