Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLIV

Mr. Groen van Prinsterer over de leervrijheid. Grote verwarring. Oordeel mr. v. d. Kemp.

De vorige maal hebben wij doen Tien, dat mr. Groen van Prinsterer het uitermate grievend vond, dat de Synode al spoedig na haar instelling in 1816 door Koning Willem I, een wijziging aanbracht in het oude ondertekeningsformulier, dat de weg baande voor leervrijheid in de Hervormde Kerk. De ontstemming waaraan Groen uiting gaf, is zeer begrijpelijk. Het ging hierbij toch niet om kwesties van geen of weinig belang. Ook niet om pimten, waarover vóór 1816 reeds verschil van inzicht of mening openbaar gekomen was. Men denke slechts aan het leerstuk der uitverkiezing. Er waren op de Dordtse Synode voorstanders van het infralapsarisch standprmt, er waren er ook, zij het in veel mindere getale, die het supra lapsariscl)*.^evoelen waren toegedaan. Toch werden de laatstgenoemden om hun gevoelen door de Synode niet veroordeeld ten spijt van de Remonstranten, die het verschillend gevoelen ten aanzien van dit leerstuk hadden aangeblazen om daardoor de leden der Synode tegen elkaar in het harnas te jagen. De Synode doorzag dit zeer wel en heeft de onderlinge geschilpunten laten rusten om eendrachtig aan de onvoorwaardelijke uitverkiezing vast te houden en het remonstrantisme te veroordelen. Zo Djn er nog wel meer onderwerpen aan te wijzen, waarover door godgeleerdien, dei een goede naam onder ons hebben, verechiUend werd gedacht. Wij'zouden bijvoorbeeld kunnen wijzen op Koebnaii en Comrie inzake de vraag of Christus als Hoofd van het Genadeverbond moet Worden aangemerkt of niet. Comrie stond dit voor. Koelman daarentegen niet.

Ten aanzien van het aanbod van genade bestond, er in de 18e eeuw al even^ zeer verschil van mening onder hen, die toch als alleszins rechtzinnig bekend staan. Brahé bijvoorbeeld, die met Comfie en Holtius in de 18e eeuw de leer der waarheid heeft voorgestaan en verdedigd, verklaarde, dat dit aanbod ook ® „verworpelingen" geldt; anderen in zijn tijd echter waren het hiermede niet eens, aangezien Brahé in een zijner geschriften ^dienaangaande vermeldt, dat hij wel wist, dat „sommigen daarin vrij wat 2TO'arigheid maakten". Met het Verbond der Genade is het al niet anders gesteld. Er waren er in de oude Vaderlandse Kerk, die dit Verbond onderscheidden van het Verbond der Verlossing of de Raad des Vredes, terwijl anderen zoals Comrie en Brahé zich daarin niet konden vinden. Toch werden de eerstbedoelden door hen voor rechtzinnig verklaard wanneer zij niet te kort deden aan de Schriftumrlijke waarheid aangaande de algehele doodsstaat van de natuurlijke mens, waardoor het dezen onmogelijk is door eigen kracht aan de eis van geloof en bekering te voldoen. De leervrijheid, waarvoor in 1816 door de Synode de weg gebaand werd, was van geheel andere aard. Mr. Groen van

Prinsterer merkte dienaangaande in 1837 in zijn geschrift in zake de maatregelen tegen de afgescheidenen op, dat door de Synode, die volgens art. 9 van het Algemeen Reglement ia de leer zelf niet het minste veranderen modht, met één pennestreek, naar men- ihet noemen wil, niets of aUes tot leer van het Kerkgenootschap werd gemaakt. Dit was het gevolg van de wijziging van het proponents formulier, waardoor de binding aaU' de belijdenisgeschriften als in alles overeenkomend met Gods Woord, geheel op losse schroeven kwam te staan- Zodoende kregen zelfs zij, die de funda^ mentele stukken der waarheid loochenden en omwroetten, zoals door de mannen van de Groninger school werd gedaan vrij spel. Bezwaren, welke tegen dezuUcen werden ingebracht, gelijk bijvoorbeeld ten aanzien van dr. Meijboom en. dr. Ziaalberg geschiedde, werden door de oommissie, die voor de Synode optrad; ter zijde gelegd. Ook over die leervrijheid iheeft Groen zich in het zoeven genoemde geschrift uitgesproken. Hij wees er op, dat sommigen zich wel diets maakten, dat het verschil in de Kerk slechts punten van geen of weing belang raakten, maar dat was helemaal niet het geval. Ten deze •wilde Groen van geen verbloeming weten. Hij schreef: „ Waartoe het verbloemd? Aan elk, die de leer kent van de Hervormde, van de Protestantse, van de Christelijke Kerk, mag het worden gesKgd; geen waarheid, die onaangerand bleef. Het is niet te doen om het indringen in duistere leerstukken (men zegt het, doch die kunstgreep is bekend en bedriegt niemand dan die verlangt bedrogen te zijn), het is niet te doen om het eerbiedig zwijgen of vermetel redekavelen over de aard van Gods Alwetendheid en Voorbeschikking: maar Christus, God geopenbaard in het vlees, wordt een Goddelijk, een hoger dan de

overige geschapene wezens genoemd; de Heilige Geest, Die de christenheid naast de Vader en de Zoon, op grond van een Bijbel, aanbidt, ds slechts een Goddelijke 'kracht, de erfzonde is zedelijke verdorvenheid^ zwakheid, onvolkomenheid, vohnaaktbaarheid geworden; in het hjden en sterven van de Middelaar wordt geen verzoening, geen voldoening, geen hjden in onze plaats, geen dragen van de straf onzer ongerechtigheden, niets dan een bhjk van Gods algemene mensenliefde erkend, van wedergeboorte, bekering en heiligmaking heeft men zedelijke verbetering, begin en voortgang der deugdbetrachting gemaakt, en de hemel is voor elk, die geen grove uiterlijke zonden begaat, met een onbekrompenheid, die gedurig ruimer wordt, opengesteld. Om de overtuiging hiervan te bezitten, wordt geen langdurig onderzoek vereist. Op het Christelijke standpunt geplaatst, behoeft men slechts een weinig te letten op hetgeen, ik herhaal het, ia 't algemeen^ door vele leraars althans, hetzij van de kansel, hetzij in gedrukte schriften voorgedragen wordt; om te weten, dat de waarheden zo even aangeduid, door sommigen geloochend, door anderen schijnbaar en, zo het heet, ter geruststelling van de zwakken, behouden, maar inderdaad, in wijze van voorstelling en keus van uitdrukking, ondermijnd; door meerderen uit het verband gerukt, van alle kracht beroofd, op de achtergrond en in de schaduw gesteld zijn. Anderen mogen wellicht die waarheden voor onbeduidend, voor schoolse haarkloverijen, of zelfs voor de veldtekens der dweperij houden, elk, die de godsdienstleer der Hervormde Kerk oprechtelijk toegedaan is, weet en erkent, dat zij steeds als het wezen der geloofseenheid van de algemene Christehjke Kerk zijn beschouwd; dat is de verloochening daarvan alle, ook de ergste dwalingen, die de Christelijkheid verontrust hebben, opgesloten zijn; en dat de Christen in deze waarheden, waar zij geen belijdenis slechts, weer waarheid en leven zijn geworden, de enige wortel van alle ware zedelijkheid stelt, het anker van zijn hoop, zijn enige troost, zolang hij leeft en wanneer hij sterft."

Tot zover Groen, die de toestand op kerkehjk gebied terdege heeft gepeild en niet beschroomd heeft deze blood te leggen. De wijziging van het proponentsformulier bracht inderdaad een grote verwarring te weeg. De een legde het gewijzigde formulier zo uit, de ander weer anders, een derde had er nog weer een andere kijk op, hetgeen Mr. van der Kemp deed schrijven: „Het verschil wordt hoe langer hoe beladielijker, het zou ons geenszins verwonderen, dat er nog iemand met een vierde verklaring voor de dag kwam nl. als het ware (quasi) overeenkomstig." (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken