Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLV.

Het Reglement van 1852. Van kracht door Let K.B. vaa 23 maart 1852. Intrekkiug van K.B.'s van 1816 en 1852 door Groen e.a. bepleit.

Niet alleen buiten maar ook ia de Tweede Kamer is mr. Groen van Prinsterer herhaaldelijk opgekomen tegen het onrecht, dat van regeringswege tegenover de Ned. Herv. Kerk in 1816 is gepleegd. Voordat wdj hierop nader ingaan, zullen wij edhter eerst de aandadht bij ©en ander Koninklijk Besluit moeten bepalen namelijk op dat van 23 maart 1852. Groen heeft toch niet alleen voortdurend het intrekken door de Regering van het K.B. van 7 januari 1816 bepleit, maar ook dat van 23 maart 1852. Het is daarom noodzakelijk eerst ©ven stil te staan bij wat er in 1852 door dit KoninMijk Besluit eigenlijk veranderde. Dit is temeer noodzakelijk, daar Groen's tegenstanders, wanneer door hem op vrijmaking der Hervormde Kerk werd aangedrongen, hem steeds voor de voeten wierpen, 'dat de Hervormde Kerk door het Koninklijk Besluit van 23 mrt. 1852 vrijgemaakt was. Men erkende wel, dat het gouvernement in 1816 zich op onwettige wijze in de zaken der Kerk gemengd had, maar, zo werd er bij gezegd, in 1852 heeft de Regering de in 1816 gemaakte fout erkend en haar hand van de Kerk teruggetrokken, zodat er langs zuiver kerkelijke weg, uit de boezem der kerk een waarlijk kerkelijke organisatie tot stand gekomen is. Deze voorstelling van zaken is echter beslist onjuist.

Wel werd een door de Synode samengesteld Algemeen Reglement ontworpen, maar behalve dat dit Reglement op een enkele uitzondering na slechts weinig afweek van het in 1816 door de Regering opgelegde Algemeen Reglement, berustte het geheel en al op het Koninklijk Besluit van 7 januari 1816 en werd het door de Koning bij Besluit van 23 maart 1852 bekrachtigd. Het Reglement van 1852 werd toch opgesteld door een Synode, welke was voortgevloeid uit de organisatie, die van regeringswege bij K.B. van 7 jan. 1816, zonder dat de Kerk daaraan medewerking verleend had, was ingesteld. Het recht tot die opstelling ontleende de Synode aan artikel 15 van het Algemeen Reglement, ingevoerd bij K.B. van 1816, volgens de gewijzigde redaktie van het K.B. van 25 juH 1843, aldus luidend: „Gene veranderingen kurmen in dit reglement gemaakt worden, dan door de Algemene Synode der Ned. Herv. Kerk, welke echter, voor en aleer te dier zake een besluit te nemen, daarop de oonsideratiën zal inwinnen der provinciale kerkbesturen, en zal zodanig besluit, alvorens te worden uitgevoerd, aan Zijne Majesteit de Koning ter bekrachtiging worden aangeboden". De kerkeraden werden dus totaal genegeerd.. Alleen van de Provinciale Kerkbesturen, die ook al niet door de kerk

zelf in het leven geroepen waren, werden adviezen ingewonnen, 't Is dus in strijd met de waarheid als, zoals door sommige schrijvers onder andere door Reitsma is gedaan, beweerd wordt, dat de herziening van het Reglement van 1852 langs zuiver kerkelijke weg tot stand gekomen is- De kerken zijn er integendeel geheel buiten gehouden. Ja, het staat zelfs vast, dat het concept inzake de herziening van het Algemeen Reglement zoveel mogelijk geheim gehouden is met het doel om het aan de beoordeling van het publiek te onttrekken. Het is dan oOk niet waar, wat beweerd is, dat de nieuw© organisatie van 1852 geheel vrijwillig door de Kerk is aanvaard. Zij is er evenmin als in 1815 over gehoord. Het Reglement van 1852 'kwam voort uit d© Synode en niet uit 'de kerk. Dit is door de toeimialige minister voor de Erediensten erkend door op te merken, dat dit reglement een uitvloeisel was van de organisatie van 1816. Het verschilde in schijn van het reglement van 1816, maar in de toepassing maakte het geen verschil. Het hoogste ooUege van kerkehjk bestuur was en bleef ook na het K.B. van 1852 de door de organisatie van 1816 in het leven geroepen Algemene Synode, die de hoogste welgevende, rechtsprekende en besturende macht behield. Het K.B. van 23 maart 1852 berust dus inderdaad geheel op de organisatie van 1816, die daardoor bestendigd en verder ontwikkeld is.

In het kort weergegeven komt het K.B. van 1852 dus hierop neer, dat hierdoor wel het Algemeen Reglement van 1816 buiten werking gesteld werd, maar niet het Koninklijk Besluit van 1816. Het intrekken van het K.B. van 1852 alleen zou dus niets aan het K.B. van

1816 veranderen, maar alleen het vroegere Algemeen Reglement van 1816 weer van kracht doen worden. Daarom werd door mr. Groen van Prinsterer steeds niet alleen intrekking van 't K.B. van 1852 bepleit, maar ook intrekking van het K.B. van 1816. Slechts de intrekking van de beide genoemde Besltiiten kon een einde maken aan de onwettige overschrijding van des Konings grondwettige bevoegdheid. Het K.B. van 1816 toch is naar het oordeel van verreweg de meeste staatsrechtsgeleerden een onwettige daad geweest. Niet slechts mr. Groen van Prinsterer en later prof. Fabius en mr. de Savomin Lohman waren van dit gevoelen, maar ook liberalen als Thorbecke en Van Houten. Van de laatste tijd kunnen genoemd worden prof. Kranenbiug, die na de oorlog nog enige jaren voorzitter der Eerste Kamer is geweest en prof. Van der Pot, die beiden verklaard hebben, dat de grondwet van 1815 aan de Koning niet de bevoegdheid verleende bij Koninklijk Besluit aan de Hervormde Kerk een synodale organisatie op te leggen. Ook nu'. Heineken, die in 1868 een proefschrift verdedigde aan de Hogeschool te Leiden over „De Staat en het Kerkbestuur der Nederlands Hervormden" was van oordeel, dat, aangezien reeds de grondwet van 1815 het beginsel van scheiding van Kerk en Staat huldigde, het K.B. van 7 januari 1816 ongrondwettig is geweest. Dat beginsel was volgens hem ook miskend geworden in het K.B. van 23 maart 1852, weshalve ook door hem de intrekking van - dit Besluit werd voorgestaan.

Met dit proefschrift van mr. Heineken, die wat de beginselen betreft helemaal geen geestverwant van mr. Groen van Prinsterer was, stemde laatstgenoemde ten volle in, gelijk dit destijds ook door anderen werd gedaan. Wij noemen slechts het lid der Tweede Kamer Van Lijnden van Sandenborg, die in zijn rede gehouden op 7 december 1869 de aandacht op - dit proefschrift vestigde, terwijl de Hervormde predikant ds. Montague er in de „Stermnen voor Waarheid en Vrede" van 1869 in een artikel over „Het Ministerie en het Hervormd Kerkbestuur" zeer gunstig over schreef. Ook de meer bekende ds. Bronsveld, die later met dr. De Visser de Chr. Hist. Kiezersbond oprichtte, was met dit proefschrift zeer ingenomen. Hij noemde het een belangrijke dissertatie en deelde er enige steUingen uit mede om dan te verklaren, 'dat de lezing van dit proefschrift hem had doen zien, dat de S^Tiode onder de regering van Koning Willem I 'geen schitterende periode doorleeft heeft, dat haar houding zeHs ergerlijk en vernederend is geweest, alsook aanstotelijk in de jaren toen de Afscheiding begon, wat dr. Bronsveld met aanhalingen uit het proefschrift nader aantoont.

Het is ons voornemen in 't vervolg uit een ander werk van Groen diens standpimt tegenover de Koninklijke Besluiten van 1816 en 1852 nader te belichten.

(wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken