Bekijk het origineel

Een protest tegen de premiebetaling van de A.O.W.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een protest tegen de premiebetaling van de A.O.W.

6 minuten leestijd

Het protest, dat de Scheveningse groentehandelaar C.B. tegen de premiebetaling van de A.O.W. heeft ingediend, heeft in brede kringen de aandacht getrokken. Daarvan is in onderscheidene bladen melding gemaakt, onder meer, om er een paar bij name te noemen, in de „Nieuwe Haagse Courant" en in de „Telegraaf".

Volgens een artikel in de „Telegraaf" van donderdag 21 augustus en ook volgens door ons verkregen inlichtingen heeft de heer C.B. bezwaar gemaakt tegen deze premiebetaling uit godsdienstige overwegingen, dewijl hij tegen elke vorm van verzekering is en daarom weigerde de wettelijke ouderdomspremie te betalen. De daarover gaande wettelijke instanties hebben echter het protest van de heer C.B. van de hand gewezen. Dientengevolge werd. deze door de ontvanger der Direkte Belastingen over de jaren 1957 en 1958 aangeslagen voor een bedrag van ƒ 800.—.

Ontheffing of uitstel van betaling werd hem niet verleend, met gevolg dat de deurwaarder dezer dagen beslag op de inboedel en winkelinventaris van de groentehandelaar legde en op woensdag 20 augustus de gerechtelijke verkoop daarvan plaats vond.

Ter verkoop werd het eerst een stoel aangeboden. Aanvankelijk werd daarvoor esn gulden geboden. In korte tijd liep het bod op tot ƒ 850.—. De openbare verkoping was na enkele minuten afgelopen, omdat kennissen, vrienden en familieleden in een zeer snel tempo het bad op ƒ 850.— gebracht hadden. De vader van de heer C.B. bleek de stoel voor de fameuze prijs van ƒ 850.— te hebben gekocht, waardoor verdere verkoping geen zin meer had.

Deze verkoping heeft plaats gevonden omdat aan het verzoek van de heer C.B. om vrijgesteld te worden van de premiebetaling van de A.O.W. niet was voldaan; een verzoek, dat inderdaad op principiële gronden was aangevraagd, doch van de hand was gewezen, omdat de Sociale Verzekeringsraad bij ingesteld onderzoek gebleken was, dat de bestelauto van de heer C.B. verzekerd is. Deswege werd het godsdienstig bezwaar in dit geval niet erkend.

Tegen deze beslissing is de heer C.B. in verzet gekomen, verklarende, dat hij zelf die auto niet verzekerd had, maar dat de financieringsmaatschappij dit gedaan had. De polis staat dan ook niet op zijn naam, maar op die van de financieringsmaatschappij, wat het geval zal zijn zo lang de auto niet is afbetaald en dus nog geen eigendom van hem is.

De heer C.B. had dan gevraagd vrijgesteld te worden van de premiebetaling van de A.O.W. en de door de A.O.W.. verschuldigde gelden in de vorm van belasting te mogen voldoen, en dit te meer daar hem een geval bekend was, dat dit aan een aanvrager was toegestaan en die, sinds hem dit was toegestaan, niet meer om enige betaling was lastig gevallen. Hij verklaarde zich dan ook niet bij de tegenwoordige uitspraak van de Sociale Verzekeringsraad te zullen neerleggen, maar daartegen bij de Kroon in beroep te gaan.

De betaling van de premie A.O.W. door al degenen, die gewetensbezwaren tegen deze wet hebben, en die vanwege deze bezwaren nooit zelfs één cent te hunnen voordele uit deze wet zullen bekomen, is inderdaad wel hoogst onbillijk, zeUs in hoge mate grievend en onrechtvaardig. Bij de behündehng van deze wet in 1956 heeft Ds. Zandt dit niet onder stoelen en banken gestoken. Hij zeide toen, dat de regering de gewetensbezwaarden buiten de wet had behoren te stellen, in die zin, dat zij niet in de lusten, maar ook niet in de lasten van deze wet zouden delen. De regering — zo verklaarde Ds. Zandt — gaat met haar in dit opzicht tyranniek beleid zo ver, dat zij dwingt om te betalen, ook al staat daar geen enkele vergoeding of uitkering tegenover, omdat deze vanwege gewetensbezwaar niet aanvaard kan worden. Hij bepleitte derhalve met nadruk, dat er hier niet naar willekeur, maar naar recht zou worden gehandeld en dat de desbetreffende onrechtvaardige bepalingen uit de wet zouden worden weggenomen.

Het krachtig verzet tegen de wet en de daarin voorkomende gruwelijke onrechtvaardigheden tegen de gewetensbezwaarden kwam bovendien nog tot uiting in de verklaring, welke de S.G.P.-fraktie kort voor de stemming over de wet aflegde, waarvan het eerste punt als volgt luidde.

„Omdat de gewetensbezwaarden, na verloop van jaren, met de rente er bij gerekend, aan belasting ten bate van deze wet ver boven de ƒ 25.000.— kunnen moeten betalen, zonder dat zij — zulks om des gewetens wü — enig voordeel van deze wet zullen kunnen genieten, wat wij een onrechtvaardige behandeling achten te zijn, zo zelfs, dat onzes inziens in zekere zin van ontroving kan gesproken worden, waarom dit wetsontwerp hierom alleen reeds voor ons onaanvaardbaar is".

En niet alleen bij de bespreking over deze wet is door de S.G.P.-Kamerfraktie met alle nadruk bepleit, dat de gewetensbezwaarden op wettige wijze van betaling vrijgesteld zouden worden, maar ook daarna nog is dit bij voortduring gedaan, doch immer tevergeefs. Noch bij de regering, noch bij enig ander Kamerlid, vond haar pleidooi gehoor. Het behoeft geen nader betoog, dat de S.G.P. Kamerleden gaarne bereid zijn om, waar zulks mogelijk is, de heer C.B. terzijde te staan, al willen wij eerlijkheidshalve uitspreken, dat wij zeer vrezen, dat zijn beroep op de Kroon niet zal opleveren wat hij, en vsdj met hem, gaarne zouden wensen.

De kennelijke onwil van minister Suurhoff, om ook maar zelfs enige kleine wijziging ten gunste van de gewetensbezwaarden in de wet aan te brengen, welke wij bij de behandeling van de onderhavige wet en ook daarna bij hem hebben waargenomen, geeft ons geen hoop, dat het beroep, waarin de genoemde minister ongetwijfeld erkend zal worden, enige gunstige uitwerking zal hebben.

Het is zeer wel mogelijk, dat de heer C.B. alsnog toestemming verleend zal worden om vrijgesteld te worden van premiebetaling voor de A.O.W. en dat hij de volgens de wet verschuldigde gelden in de vorm van belasting zal kunnen voldoen, maar van betaling zal hij — zoals de wet thans luidt — niet vrijge­

steld kunnen worden. Het is waar, dat in de Heilige Schrift geschreven staat, dat de Heere de harten der koningen als waterbeken kan neigen, doch indien zulks niet geschiedt, dan bestaat er geen mogelijkheid om aan betaling te ontkomen, zoals reeds zo menigmaal gebleken is. Zelfs van betaling in de vorm van een spaarregeling, waarop in het Voorlopig Verslag en ook nog verleden jaar door Ir. van Dis in diens rede in de Kamer bij de Regering is aangedrongen, is tot nu toe lüets gekomen, gelijk ook de vele arbeid, welke verricht werd ten behoeve van de gewetensbezwaarde veehouders, door de kennelijke onwil en starre houding der regering en het overgrote deel der parlementsleden, niets ten gunste van de betreffende bezwaarden heeft opgeleverd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

Een protest tegen de premiebetaling van de A.O.W.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken