Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLVII.

Het doel van mr. Groen van Prinsterers strijd voor kerkherstel. De Afgescheidenen volgens hem leden der Herv. Kerk: Bnmunelkamp—Zaalberg.

Als er één geweest is, die in de vorige eeuw met kracht en klem is opgekomen tegen het onrecht, dat de Hervormde Kerk in 1816 door de regering des Ian< fe werd aangedaan en dat in 1852 niet ongedaan, maar veeleer bestendigd werd, dan is het voorzeker wel mr. Groen van Prinsterer. , ,

Vrijmaking der Her\'onnde Kerk was de inzet van de door hem met taaie volharding gevoerde strijd op kerkelijk eni staatkimdig gebied. Groen deed dit allereerst om de kerk zelf. De Hervormde of Gereformeerde Kerk toch was een planting Gods. Zij was eens door God uit het diensthuis van Rome uitgeleid en gevestigd op de belijdenis van de drieënige God, op de behjdenis waarop Christus Zijn gemeente gebouwd heeft. De Hervonnde Kerk was het middelpunt en de kern van het Gemenebest. Elders werd de kerk opgenomen door de staat, in ons land werd de Republiek niet slechts met de kerk verenigd, maar zij is geboren uit de belijdenis der kerk, zoals Groen zelf dit in zijn „Handboek der Vaderlandse Geschiedenis" opmerkt. De leer, die naar den Woorde Gods is, had zij uit de goudmijn van Gods Woord opgedolven en in haar behjdenisschriften vastgelegd, eerst in de Ned. Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus, daarna in de artikelen tegen de remonstranten.

Die kerk ging Groen zeer ter harte, voor haar heeft hij gestreden en ook geleden, want de miskenning, welke hem in zijn leven in zo ruime mate ten deel gevallen is en welke hem ongetvsdjfeld veel leed heeft berokkend, vindt zijn oorzaak ook in zijn onvermoeid opkomen voor de rechten der kerk en voor hen, die de leer der kerk van harte waren toegedaan en door de regering vervolgd werden, omdat zij zich niet wilden ondewerpen aan de onrechtmatige en onwettige Synode. Ook met het oog op hen, nameüjk de Afgescheidenen kwam Groen op voor het herstel van het onrecht, de Hervonnde Kerk aangedaan. Hoewel toch de afscheiding zelf zijn instemming niet hebben kon, had Groen voor de Afgescheidenen een warm kloppend hart, gelijk wij dit voorheen in den brede hebben aangetoond.

Zij werden door hem als leden van de Hervormde Kerk beschouwd. Dit blijkt uit meer dan één van Groens geschriften. Zo schreef hij in een brief aan Da Costa — al deze brieven zijn bijeenverzameld en uitgegeven — dat de historische kenk in Nederland uit Afgescheidenen zowel als niet-Afgescheidenen bestaat, voor zover zij op 'grond van Gods Woord zich met de grondslagen der belijdenis" verenigden. En in de „Nederlandse Gedachten" van 1872 drukte Groen zich te dien aanzien nog duidehjker uit toen hij de afgescheiden ds. Brummelkamp stelde tegenover de moderne dr. Zaalberg. Hij schreef: „Mijn vriend Brummelkamp, geen lid van het in 1816 gestichte kerkgenootschap, is lid van de Hervormde Kerk. Zaalberg, lid niet slechts, maar één der celebriteiten (beroemdheden) van het kerkgenootschap, is niet Ud van de Hervormde Kerk".

Uit het hier aangehaalde bhjkt, dat Groen in de Hervormde Kerk, zoals ze na 1816 vervormd was, niet de aloude Hervormde Kerk zag, doch een kerkgenootschap, zoals hij ze dan ook bij voorkeur noemde. De gereformeerde gezindheid toch hing volgens hem niet af van de vorm. In zijn „Verspreide Geschriften" heeft Groen zich in geUjke geest uitgelaten. Men zou zich, aldus Groen in dit geschrift, evenzeer met uithangbord en geschrift tevreden kunnen stellen, ook wanneer de aangeduide en beschrevene zaak weggenomen was. Ja, men zou evenzeer kunnen beweren, dat hij altijd de alleen wettige monarch is.

die zich van kroon en scepter heeft meester gemaakt. Met alle beslistheid wijst Groen vervolgens dergelijke redeneringen van de hand, om daartegen^ over te stellen, dat alleen daar waar het geloof is, de gezindheid is. Dan laat Groen hierop volgen: „En dat de Afgescheidenen gereformeerd zijn, kan in goede ernst niet worden betwist".

Naar Groens oordeel bestond het wezen der kerk alzo niet in de organisatie. Hij beschouwde dit als een kleed, waarin het gouvernement de kerk gehuld had. Veel minder nog zag hij het wezen der kerk in de besturen, die zich wederrechtelijk van de heerschappij hadden meester gemaakt. Neen, Groen zag het wezen der kerk in haar geloof, in haar belijdenis. Allen, die met die belijdenis des geloofs instemden, behoorden volgens Groen tot de Hervormde Kerk, ook al stonden zij buiten het genootschap. Het door Groen beoogde kerkherstel had dan ook tweeërlei doel. Ten eerste het uitdrijven uit de kerk van hen, die met de grondslagen der belijdenis in strijd waren, ten tweede het terugbrengen van dagenen, die om de belijdenis te handhaven tijdehjk uitgeweken waren. Langs die weg kon de aloude Gereformeerde Kerk in haar zuiverheid en eenheid hersteld worden. Ziende op Groens standpunt ten deze, is het te begrijpen, dat Groen steeds voor de Afgescheidenen op de bres heeft gestaan door op te komen tegen de vervolgingsmaatregelen der regering, voor vrijheid van godsdienstoefening voor hen, maar ook voor hun recht om door de regering als behorende tot de gereformeerde gezindheid erkend en beschermd te worden. Ja zelfs bepleitte hij in de Tweede Kamer voor hen, dat hun de traktementen zouden worden uitbetaald als een recht, dat krachtens de Grondwet hun toekwam, omdat zij „een tak waren van de hervormde gezindheid".

Groen heeft het dan ook ten zeerste betreurd, dat de Afgescheidenen zelf, al deden zij dit onder pressie der regering en om vrijheid van godsdienstoefening te krijgen, de hun wettig toekomende rechten op de naam, op de traktementen en op de goederen hadden prijsgegeven en zich als een nieuw kerkgenootschap hadden laten erkeimen. Groen kon hen daarin niet volgen, evenmin als hij zelf tot de afscheiding is overgegaan. Al was toch door de invoering van het genootschap in 1816 de vorm wel gewijzigd, de Gerefonneerde Kerk was daardoor volgens Groen niet vernietigd. Zij was naar zijn oordeel nog de voortzetting der Hervormde Kerk. Die kerk leefde in het genootschap, hoe diep ook gezonken en ontaard, nog voort, daar de geloofsbehjdenis rechtens nog haar gezag had behouden en de behjdenis het wezen der kerk uitmaakt.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken