Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLVIII Groen verlangde werkelijke vrijmaking der Herv. Kerk, geen zogenaamde vrijmaking. De Kon. Besl. van 1866 en 1870 door hem ongenoegzaam geacht.

In 1842 werd er een Koninklijk Besluit uitgevaardigd, waarin verklaard werd, dat alle veranderingen in het Algemeen Reglement der Ned. Herv. Kerk voortaan alleen van de Kerk {> wat neerkwam op: van de Synode), behoorden uit te gaan. Op grond van dit Koninklijk Besluit bracht de Synode in 1852 in voornoemd Reglement enige wijzigingen aan, welke door de Koning bij K.B. van 23 maart 1852 werden bekrachtigd met dien verstande, dat er een elftal reserves aan verbonden werden. Velen waren er destijds, die met deze Koninklijke Besluiten ten zeerste ingenomen waren, daar zij meenden, dat de Kerk daardoor nu werkelijk haar vrijheid had teruggekregen, doordat de Staat afstand had gedaan van zijn tot dusver uitgeoefende rechten, waardoor het bestuur der Kerk was losgemaakt van de Regering en toevertrouwd aan de Synode. Mr. Groen van Prinsterer zong echter niet mede in dat koor. Hij hechtte aan deze dusgenaamde vrijmaking der Kerk niet de minste waarde. Dit komt wel zeer duidelijk tot uiting in wat Groen in 1869 schreef in de Nederlandse Gedichten^ waaruit tevens blijkt dat hij vrijmaking der Hervormde Kerk boven aUes stelde, ook boven herziening der onderwijswet. Hij schreef als volgt: „Reeds hij de aanvang dezer Nederlandse Gedachten hdb ik mij beijverd de aandacht te vestigen op schoolwetherziening en vrijmaking der Hervormde Kerk. Nevens degelijke schoolwetherzieniing, vrijmaking der Kerk".

Direkt hierna laat Groen echter een correctie volgen, waarmede hij wilde te kennen geven, dat herziening der onderwijswet en vrijmaking der Kerk voor hem niet gelijkwaardig waren. Neen, de vrijmaking der Kerk ging hem boven alles ter harte. Hij liet toch op het boven aangehaalde volgen: „Nevens. Neen, dit is onjuist. Boven elke andere kwestie emancipatie (vrijmaking) van de Hervormde Kerk.

De vrijmaking der Kerk heeft de voorrang". Degelijke schoolwetherziening, hoe noodzakelijk ook, zou toch volgens Groen niets baten, indien de Hervormde Kerk, door handhaving van de erbarmelijke misgreep van 1866, in Synodaal-kerkelijken en Afgescheidenen verdeeld zou bhjven en indien lauwheid en willekeur het talrijke kerkgenootschap aan het ongeloof zou prijs geven. Indien echter de Kerk eerst waarlijk vrijgemaakt zou zijn, dan zou dit volgens hem ongetwijfeld heilzame gevolgen hebben voor het onderwijs.

Groen drukte zich in deze als volgt uit: „Laat daarentegen de Vrije en aldus Confessionele Kerk herrijzen uit het graf van de reglementaire toestel! Zij zal de moeder der Vrije school, zij zal, met vertienduibbelde kracht. Vereniging

van christelijk-nationaal schoolonderwijs zijn". Groen had daarbij dus het oog op een vrijmaking der Hervormde Kerk, welke die naam ten volle waard was. Geen halve vrijmaking dus, maar een algehele. Wat in. 1842 en 1852 geschiedde, was volgens Groen de naam van (vrijmaking niet waard. Hij gewaagde dan ook van de „zogenaamde vrijmaking van 1842 en 1852" en schreef daarvan, dat deze niet anders was dan overlevering aan de Synode, die wel als een orgaan der Kerk werd voorgesteld, maar in werkelijkheid niet anders was dan een creatuur van het Gouvernement en die in plaats van de leer der Kerk te handhaven, de verkondiging van het ongeloof handhaafde. In een ander nummer der Ned. Gedachten van 1869 merkte Groen op, dat de vrijheid van 1852 voortzetting was van de slavernij onder gewijzigde vorm.

Ook twee andere Koninldijke Besluiten, welke na 1852 namelijk in 1868 en in 1870 afgekondigd werden konden Groen niet bevredigen. Volgens het K.B. van 9 februari 1866 had de Regering het beheer over de kerkelijke goederen, dat zij nog aan zich gehouden had, aan de gemeenten teruggegeven en niet aan de Synode, waardoor zij dus de plaatselijke gemeenten erkend had. Feitelijk had de Regering hiermede een streep gehaald door de rechtstitel der Synodale organisatie.

Zij zou dan ook consequent gehandeld hebben, wanneer zij ook de Koninklijke Besluiten van 1816 en 1852 had ingetrokken- en daarmede de gehele organisatie der Hervormde Kerk, welke zich door toedoen van de Staat in de Kerk had gevormd, opgeheven had. Dit deed de Regering echter niet. Wel ging zij er in 1870 toe over om bij K.B. de reserves, welke zij in 1852 gemaakt had, in te

trekken, maar de Synodale organisatie, welke door haar in 1816 aan de Hervormde Kerk was opgedragen, liet zij bestaaii.

Groen leende dus ook aan het K.B. van 22 juli 1870, waafbij de elf reserves van 1852 vervielen, dus niet de betekenis toe, welke daaraan door sommigen toegekend werden, omdat daardoor volgens hen het 'beginsel der scheidiag van Kerk en Staat zijn voltooiing kreeg en de Kerk daarmede volkomen zelfstandigheid op haar eigen terrein verkreeg. Voor mr. Groen van Prinsterer echter, was door dit Koninklijk Besluit de toestand principieel niet veranderd, daar de Kerk ook na de intrekking van het K.B. van 1870 overgeleverd bleef aan de Synode, die haar ontstaan niet aan de gemeenten maar aan de Regering te danken had.

Ook de vrijheid, welke in 1870 verkregen werd, was dus maar een zogenaamde vrijheid en bleef daarop Groen's uitspraak van kracht, dat de toegekende vrijheid slechts een voortzetting was van de slavernij ondter gewijzigde vorm. Daarom bleef Groen aandringen op de intrekking der Koninklijke Besluiten van 7 januari 1816 en 23 maart 1852.

Indien dit zou geschied zijn, zouden alle besturen, welke zich op grond van genoemde Koninlclijke Besluiten gevormd hadden, vervallen zijn, dus de Synode, de Provinciale en Classicale besturen en kerkeraden. Ook alle reglementen] en verordeningen, welke door deze besturen in het leven geroepen waren, zouden dan zijn weggevallen. Tevens zou vervallen zijn het mandaat, door genoemde besturen gegeven aan verschillende personen in kerkelijke betrekkingen. Er zou dan niets anders zijn overgebleven dan een aantal ongeorganiseerde gereformeerde gemeenten zonder enig verband. Groen begreep wel, dat hierdoor een vei-^varde toestand zou ontstaan. Hij stond dan ook voor, dat de Regering het niet alleen bij intrekking der beide genoemde Koninklijke Besluiten zou laten, maar bij 't Konirtklijk Besluit betreffende intrekking der Besluiten van 1816 en 1852, tevens maatregelen zou aangeven, welke de onheilzame gevolgen van zuUt een verwarring zouden kunnen voorkomen. Deze maatregel had daarin kunnen bestaan, dat de gemeenten in de gelegenheid werden gesteld om zonder tussenkomst van ambtenaren of staatsorganen de weg te betreden, die zij naar Gods Woord nodig keurden.

Zoals reeds opgemerkt, de Regering weigerde aan Groen's verlangen te voldoen. Zij verklaarde, dat de KeA in 1852 vrijgemaakt was en haar eigen organisatie kon regelen zoals zij dit wenste. Geheel ontmoedigd kwam Groen er dan ook toe in de , , Nederlandse Gedachten" van 21 december 1869 te verklaren, dat al zajn strijden in en buiten de Tweede Kamer ten behoeve van de vrijmaking der Hervormde Kerk niets gebaat had, waarop hij liet volgen:

„De zogenaamde Kerk is telkens meer ontaard in een gouvernementeel en enkel reglementair kerkgenootschap, waar het Evangelie, voor als nog, voor hoe lang nog, door het ongeloof getolereerd wordt".

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken