Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking

9 minuten leestijd

Die de geringe uit het stof opricht. Psalm 113 : 7

De Heere bearbeidt al de Sjnen zo, dat zij voor Hem in het stof terecht komen. Van nature staan zij, zich verheffend op eigen deugd en gerechtigheid, op ingebeelde kracht en heerhjkheid. Doch de almacht der GoddeHjke genade heeft hen vertederd en vernederd, en heeft de hoge boom ter aarde neergeworpen. Hij heeft hen gevoerd in de diepte van de zelfverloochening, der geestehjke armoede, van het ellendig en arm zondaar en schuldenaar zijn. En valt het hen in de zin, wat maar al te vaak het geval is, om zich op te lichten en te verheffen, dan zal de Heere hen wel op de één of andere wijze in de ware vernedering voor Hem brengen, want zo zijn zij Hem alleen welgevallig, waar Hij toch alleen de nederigen aanziet en de hoogmoedigen een gruwel ia Zijn ogen zijn.

Daarom in de vernedering met u allen, gij, die nog roemt op eigen waardigheid en u verheft op zelfverworven kronen van eigen verdiensten en gerechtigheden. In diegenen heeft de Heere geen welgevallen; maar over hen spreekt Hij zelfs de vloek uit. Naar het dal van ootmoed, naar de vallei van het arm-zondaar-zijn met u, die nog immer bezig zijt met eigen werk en verdiensten ten hemel op te klimmen. Nederwaarts met u, die in de waan verkeert, dat gij met eigen aangewende middelen uw schuld bij God wel zult kunnen betalen. Naar de laagte met u, die nog openlijk of heimelijk u verlaat en verheft op uw deugd- en plichtsbetrachting, of op uw eigenwillige godsdienst, want gij zult daarmede in de oordeelsdag voor God niet kunnen bestaan. De Heere eist van ons een volkomen gehoorzaamheid. Hij stelt de rechtvaardige eis, hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, dat dit aUes ter ere van Hem zal zijn; „zijt heilig, gelijk Ik heilig ben", „zijt volmaakt, gelijk Ik volmaakt ben'; en spreekt de vloek uit over een iegehjk mens, die ook maar één van Zijn geboden niet houdt, hetgeen Hij met alle lecht kan doen, want Hij heeft ons goed en naar Zijn beeld geschapen.

Hoeveel redenen zijn er, daarop lettende, voor een iegelijk mens om met ootmoed bekleed te zijn en voor God in het stof te buigen. Doch daaraan, wat Hem voor God welgevallig zal maken, heeft niemand onzer enige lust. Wij zijn toch allen in ongeloof en hoogmoed gevallen. Wij wfQen niet zijn wat wij zijn en wij willen niet worden wat wij zijn. Dat vsollen wij niet zijn, zondaren en schuldenaren, vloekwaardige en verdoemelijke mensen.

Ach, ach, het is niet onder bewoordingen te brengen hoe vast het anker onzer har­ ten in het sHjk van ongeloof en hoogmoed verzonken ligt. Slechts Eén is er, Die dit anker kan hchten. Hij, Die verklaart, dat Hij de geringe uit het stof opricht. En hierbij is het beide Zijn werk, zowel om ons als een geringe te maken en te houden, alsook om ons als een geringe op te richten.

Wij zijn geen geringen in eigen oog. O neen, een ieder heeft nog wel het één of ander, waarop hij zich heimelijk of open- Hjk verheft. Deze gaat hierop prat, dat hij geen huichelaar is, waarvoor velen Gods kinderen aanzien; gene daarop, dat hij knap en fatsoenlijk leeft, en een derde op weer wat anders. Het is een mens zo eigen bij zichzelf te vertrouwen, dat hij rechtvaardig is, of althans niet zo slecht en verdorven is als deze of gene. De farizeër woont ia onze hji'tei-. De farizeër, die dit bij zichzelf bad: „O God, ik dank u, dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar". Doch hoe hoog de mens zich ook moge verheffen, gehjk de farizeër Saulus van Tarsen zich in zijn eertijds verhief, de Heere kan en weet hem wel tot een geringe te maken. Hij houdt hem in de weg zijner bekering de spiegel van Gods wet voor. Door het gezicht in deze spiegel komt hij wel van zijn hoogten af en wordt hij uitgedreven uit de bolwerken van zijn sterkte en gerechtigheid. Door dat gezegende onderwijs en licht verkeert de farizeër in een tollenaar. Hij wordt een geringe, zulk een geringe, dat hij wel door het oog van een naald kan gaan en met de tollenaar een zondaar voor en onder God wordt, die uit de grond zijns harten bidt: „O God, wees mij zondaar genadig!" En hoe meer hij van Gods genade mag smaken, hoe geringer en nietiger hij in eigen schatting wordt — want de uitlatingen van Gods hefde zullen hem nog al geringer doen zijn dan het onderwijs door de wet — ja, hij krijgt met de apostel te behjden, dat hij niets is, en kan het hem moeilijk toegeven als hij zeide dat hem als de voornaamste der zondaren Gods barmhartigheid geschied was.

Ziet hier de eerste en beslissende stappen gedaan op de weg, waarop de Heere de geringe opricht. Deze wordt een on- en strafwaardige, ja onder Gods recht een doemwaardige, die gaat 'hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus Jezus, de Heere.

Hij moet als één, die zich Gods welverdiende straf over zijn zonde waardig gemaakt heeft, van genade en van het hem door God geschonkene leven. Het is bij hem een Goddehjk moeten geworden, en de kruimkens, die Hem van de tafel des Heeren toevallen, zijn hem zo zoet en dierbaar. En wat is dat hem een oprichting uit het stof en een verhoging uit de drek, als Christus Jezus, de Heere, aan zijn hart door de Heilige Geest wordt toegepast en als hij Deze als zijn Zahgmaker met de armen des geloofs mag omhelzen en hem door Christus' aangebrachte gerechtigheid de vergeving zijner zonde, de toegang tot God en Diens gemeenschap ontsloten wordt.

Zo richt de Heere de Zijnen op. Hij schenkt hun de zaligheid van het eeuwige leven, waaraan zij zelf niets hebben toegebracht, maar wel met vijandschap hebben tegengewerkt. Daar is door hen hen niets aan te doen en niets aan te .volvoeren. Toen toch Christus deze zaligheid voor de Zijnen verdiend had, sprak Hij aan het kruis: „Het is volbracht". Toen had Hij een volkomen zaligheid voor al de Zijnen aangebracht. Daar kan niets door hen afgedaan worden, maar ook door hen niets toegevoegd v.'ordsn. Het avondmaal, waaraan zij eenmaal met Hem in heerlijkheid en volmaaktheid zullen aanzitten, is gereed, de rpijzen zijn op de dis geplaatst. De brui- 1 jftsklederen, die zij daar zullen dragen, üigen klaar en zullen zij straks eeuwig ifragfcn. Je duivel ten spijt. Hun plaats, Jje zi; daarbij zullen innemen, is hun bereid, want de Heere der heerlijkheid is opgevaren om hun die te bereiden. De onverwelkelijke kroon, welke zij zullen dragen, zullen zij ontvangen van Hem, Die voor hen een doornenkroon droeg en ze met Zijn bloed aan het kruis heeft gekocht. En welk een aangenaam werk zal het hun daarbij zijn, hun kronen van hun hoofden te nemen en die voor de A'oeten des Lams te werpen. Als een stem van vele wateren zal dan opklinken hun gezang, waarmede zij zullen verheerlijken God drieënig. Ja, Deze is het, Die hen uit het stof heeft opgericht en hen uit de drek hunner zonden verhoogd heeft.

En deze zaligheid zal voorzeker het deel van aUen zijn, die met Christus in Gethsémané voor God hebben neergelegen in het stof en met Hem voor God een worm en geen man zijn geworden. O, wat zal dat een heerlijkheid en vreugde voor hen zijn! Dan toch zuUen zij alle strijd en aanvechtingen, alle verlokkingen en vervolgingen der wereld, al de hsten en lagen van de Vorst der duisternis, en al de zonden van hun ongeloof en hoogmoed en kwade begeerlijkheid te boven zijn, en in al zijn diepte en rijkdom het woord des Heeren verstaan: „Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels, Ik help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser is de Heüige Israels". Was het hun op aarde al zo zielverkwikkend om de Heere als hun Verlosser te kennen en het „Abba, Vader" te mogen zeggen, dan zal geen zonde — welk een zaligheid op zichzelf al — hen meer van de God hunner zahgheid scheiden; dan, als zij eeuwig bij God zullen zijn, eeuwig in de volheid Zijner hefde zullen delen en eeuviag in het hcht Zijns aansohijns zullen wandelen.

Voorzeker, dan zijn zij voor eeuwig door Hem uit het stof opgericht en uit de drek hunner zonden verhoogd. Mijn lezers, wat is dit toch onuitsprekelijk groot, dat de Heere de geringe uit het stof opricht. Zijt gij op degenen, die dit ten deel valt, op de vrede en vreugde, die de Heere hun bereid heeft, wel eens ooit heüig jaloers geworden? Zo niet, mocht gij het dan nog eens worden. Het goed, dat de Heere al degenen, die Hem vrezen, geeft, is toch boven alle bevatting en beschrijving 2S0 oneindig groot en heerlijk. AlleenHjk, gij moogt hierbij wel terdege ter harte nemen, dat Hij dit geeft aan degenen, die voor Hem in het stof gebogen terneder hebben gelegen. Overdenkt wel, dat de Heere machtigen van de tronen aftrekt en nederigen verhoogt, hongerigen met goederen vervult en rijken ledig wegzendt, en dat Hij Zijn Zoon gezonden en gezalfd heeft om wat verloren is te zoeken en te zaligen. Kent en bevindt gij u voor God als een verlorene? O, dat gij toch niet moogt behoren tot degenen, die zeggen: „Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geens dings gebrek", en weten niet dat zij zijn ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Dat gij Christus' raad ter harte moogt nemen, waar Hij zegt: „Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt". Hoe zult gij ontvheden, indien gij op zo grote zahgheid geen acht neemt?

DeHt Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958

De Banier | 8 Pagina's

Stichtelijke overdenking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken