Bekijk het origineel

Brief uit Zeeland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Brief uit Zeeland

4 minuten leestijd

CCCLXXXIV.

Brood en spelen waren eenmaal de ondergang van het Romeinse rijk. Moeten wij dan ook niet vrezen voor ons Nederland? Er kan weinig of niets meer gebeuren, of er moeten spelen bij komen. Anders komt er niemand of weinigen, en gebeurtenissen moeten met luister worden gevierd. Schier overal dringt dat door, of het nu oesters betreft, of wel fruit. Er moet toch iets van gemaakt worden, en dan moeten redenaarstalenten schitteren ter opluistering.

Nu is het niet verkeerd om te spreken, er^ ook niet om dat in het openbaar te doen. Het is ook niet onjuist, dat gezagsdragers van hun mening doen blijken, maar het is toch wel een vraag, of het juist is, dat gezagsdragers zich maar lenen voor allerlei toespraken. Zulks is al eerder gesteld.

Het is de bedoeling om thans meer stil te staan bij de achtergrond van dat alles. Immers, het moet feest zijn. Dat feest moet worden opgeluisterd. Daaraan moet autoriteit gegeven worden, en dus wordt de gezagsdragers verzocht mede te werken. Kan dat voor een gezagsdrager, die zich weet van God gesteld te zijn; dje weet, dat de overheid regeert bij de gratie Gods? Och, zegt men dan, er mag ook wel eens wat scherts bij zijn, want anders is het leven zo saai. Maar ijdel geklap is altijd te veroordelen en nog meer als daarmede Gods Xaam wordt onteerd en zaken of daden aan mensen worden toegeschreven, welke alleen maar door God gedaan en bestuurd worden.

Dan gaat het over het weer, dan over de rijke oogst, dan over de gave vruchten, en er is altijd wel wat, dat er bijgehaald kan worden. Ja, het is maar scherts hoor! En zo wordt het vergoelijkt, dat eigenlijk gespot wordt met God, met Zijn almacht en Zijn zorg zodat Hij de zon nog doet opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. De mens tracht alles in eigen handen te nemen. Tegen ziekten wordt ingeënt, tegen tegenslagen op elk gebied verzekerd. Er is geen oog meer voor, dat ons leven en al onze paden in Gods hand zijn. Zou Gods hand verkort zijn, zodat Hij ons niet zou kunnen treffen? Zouden wij ons kurmen beveiligen tegen dingen, welke ons onaangenaam zijn, of die ons geld gaan kosten?

Wat zou het een voorrecht zijn om in de afhankelijkheid te mogen leven en Hem te erkennen voor de wei-daden inzake het nodige voor tijd en eeuwigheid. Wat zou het groot zijn als ons volk weer samen mocht optrekken naar Gods bedehuis, om daar Gode lof toe te brengen voor weldaden. Dan zou de scherts wijken; dan zouden geen denkbeeldige personen meer moeten worden opgevoerd. Dan zou wel de bede kunnen rijzen: „Help mij om dankbaar te zijn; geeft mij te leven te Uwer eer". Maar ja, dat wordt uit de tijd geacht, dat is vreugdebenemend; en de mens wil pret hebben.

Duidelijk zien wij daarin de staat, waarin wij leven van nature. Zelf konmg, God zal Zijn wil naar onze wil schikken, dat willen wij. De ware vreugde kunnen wij, van onszelf, niet smaken, want wie kan slechts daarin gevonden worden, dat wij eenswillens met God zijn. Dat groeit niet op onze akker. Dat is een geschenk Gods. Wordt dat gesmaakt, dan zal het niet nodig zijn te gaan vragen: „mag dit? " of „mag dat? ", maar dan zal het verlangen naar die lieve gunst Gods weerhouden van het kwaad. Het wordt en is daarom wel moeilijk voor hen, die in zaken zitten. Bijna alles is georganiseerd, en als eenling val je in het' niet. En waar kan een organisatie gevonden worden, waaraan geen smetten kleven?

Toch zal het nodig zijn te blijven getuigen. En nu dient dat getuigen ook niet alleen te worden overgelaten aan hen, die tot besturen zijn geroepen. Neen, wil er kracht van uitgaan, dan zal dat moeten blijken uit de beleving van ons volk. Daarom ligt hier voor ieder onzer een taak. Het is niet genoeg alleen Staatkundig Gereformeerd te zijn door aansluiting bij de kiesvereniging, niet alleen door het stemmen op de kandidaten van de S.G.P., maar het zal nodig zijn kt beginsel ook te beleven. Te beleven in handel en wandel, in beroep en bedrijf, opdat degenen, die onze beginselen niet beamen, toch nog zien, dat er een volk is, dat er naar leeft en dat zijn vreugde mag hebben in het beleven van die beginselen.

Dus niet de wereld wat en God wat Niet alleen in naam, maar in de daad doen blijken, dat het gaat om Gods eer. Daardoor zullen land en volk gediend zijn. Mochten wij maar steunpilaren np, daartoe door God geleid en onderwezen.

Uw Zeeuwse Briefschrijver

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1958

De Banier | 8 Pagina's

Brief uit Zeeland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken